Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-04
ECLI:NL:RBMNE:2026:1269
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,989 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1269 text/xml public 2026-04-09T09:40:49 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-04 26/1194 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1269 text/html public 2026-04-09T09:39:55 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1269 Rechtbank Midden-Nederland , 04-03-2026 / 26/1194 Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een bouwstop op te leggen voor de (ver)bouwwerkzaamheden aan een woning. Er is nog geen besluit genomen op het handhavingsverzoek en geen sprake van een schriftelijke weigering om een besluit te nemen. Ook is niet voldaan aan het connexiteitsvereiste, omdat er geen bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Verzoek is niet-ontvankelijk. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/1194 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen [verzoekers] , uit [plaats] , verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder (gemachtigde: M. Bos). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Zij verzoeken de voorzieningenrechter om een bouwstop op te leggen voor de (ver)bouwwerkzaamheden aan de woning [adres 1] in [plaats] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat de zaak over? 3. Verzoekers wonen aan de [adres 2] te [plaats] . Op 3 februari 2026 hebben verzoekers een handhavingsverzoek ingediend bij het college vanwege verbouwingswerkzaamheden aan de woning [adres 1] t [plaats] . Volgens verzoekers zijn de werkzaamheden illegaal, omdat nog niet beslist is op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het splitsen van de woning in twee zelfstandige woningen en het realiseren van zeven onzelfstandige wooneenheden. Verzoekers hebben uiteengezet dat een toezichthouder van het college telefonisch heeft laten weten dat geen sprake is van illegale bouwwerkzaamheden en dat is afgesproken dat binnen vijf werkdagen op het verzoek zal worden beslist. Verzoekers hebben hun handhavingsverzoek daarna uitgebreider gemotiveerd. Op 6 februari 2026 hebben verzoekers een e-mailbericht van het college ontvangen waarin staat dat het handhavingsverzoek in behandeling is genomen en dat binnen de wettelijke termijn van acht weken een besluit wordt genomen. Vervolgens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het oordeel van de voorzieningenrechter 4. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat, indien tegen een besluit beroep is ingesteld of bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 5. Met een brief van 17 februari 2026 is aan verzoekers kortgezegd uitgelegd dat het verzoek betrekking moet hebben op een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Niet in geschil is dat het college op dit moment nog geen besluit heeft genomen op het handhavingsverzoek. Verzoekers vinden dat dit gezien moet worden als fictieve weigering om een besluit te nemen. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een schriftelijke weigering om een besluit te nemen. Het college heeft juist met een e-mailbericht laten weten dat binnen de wettelijke termijn een besluit zal worden genomen. Deze reactie van het college is daarom niet te kwalificeren als schriftelijke weigering die op grond van de zin van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb gelijkgesteld kan worden met een besluit. 6. Daarbij komt dat, zoals hiervoor is vermeld, een verzoek om een voorlopige voorziening alleen mogelijk als er ook een bezwaar of beroep loopt. Dit is het zogenoemde ‘connexiteitsvereiste’. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Omdat geen sprake is van een schriftelijke weigering van het college, volgt de voorzieningenrechter verzoekers niet in hun standpunt dat hun reactie op het e-mailbericht van het college van 6 februari 2026 als bezwaarschrift tegen de weigering kan worden aangemerkt. Ook de verwijzing van verzoekers naar de uitspraak van rechtbank Overijssel van 9 januari 2026 treft geen doel. In die uitspraak werd wel aan het connexiteitsvereiste voldaan, omdat het verzoek om voorlopige voorziening tegelijk met een beroep wegens niet tijdig beslissen was ingediend. Dat de rechtbank Overijssel dit beroep in overweging 3.25, waar verzoekers naar wijzen, ook heeft aangemerkt als bezwaar tegen de weigering om een preventief handhavingsbesluit te nemen, geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat aan het connexiteitsvereiste is voldaan. Conclusie en gevolgen 7. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. ECLI:NL:RBOVE:2026:74.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1269 text/xml public 2026-04-09T09:40:49 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-04 26/1194 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1269 text/html public 2026-04-09T09:39:55 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1269 Rechtbank Midden-Nederland , 04-03-2026 / 26/1194 Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een bouwstop op te leggen voor de (ver)bouwwerkzaamheden aan een woning. Er is nog geen besluit genomen op het handhavingsverzoek en geen sprake van een schriftelijke weigering om een besluit te nemen. Ook is niet voldaan aan het connexiteitsvereiste, omdat er geen bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Verzoek is niet-ontvankelijk. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/1194 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen [verzoekers] , uit [plaats] , verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder (gemachtigde: M. Bos). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Zij verzoeken de voorzieningenrechter om een bouwstop op te leggen voor de (ver)bouwwerkzaamheden aan de woning [adres 1] in [plaats] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat de zaak over? 3. Verzoekers wonen aan de [adres 2] te [plaats] . Op 3 februari 2026 hebben verzoekers een handhavingsverzoek ingediend bij het college vanwege verbouwingswerkzaamheden aan de woning [adres 1] t [plaats] . Volgens verzoekers zijn de werkzaamheden illegaal, omdat nog niet beslist is op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het splitsen van de woning in twee zelfstandige woningen en het realiseren van zeven onzelfstandige wooneenheden. Verzoekers hebben uiteengezet dat een toezichthouder van het college telefonisch heeft laten weten dat geen sprake is van illegale bouwwerkzaamheden en dat is afgesproken dat binnen vijf werkdagen op het verzoek zal worden beslist. Verzoekers hebben hun handhavingsverzoek daarna uitgebreider gemotiveerd. Op 6 februari 2026 hebben verzoekers een e-mailbericht van het college ontvangen waarin staat dat het handhavingsverzoek in behandeling is genomen en dat binnen de wettelijke termijn van acht weken een besluit wordt genomen. Vervolgens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het oordeel van de voorzieningenrechter 4. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat, indien tegen een besluit beroep is ingesteld of bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 5. Met een brief van 17 februari 2026 is aan verzoekers kortgezegd uitgelegd dat het verzoek betrekking moet hebben op een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Niet in geschil is dat het college op dit moment nog geen besluit heeft genomen op het handhavingsverzoek. Verzoekers vinden dat dit gezien moet worden als fictieve weigering om een besluit te nemen. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een schriftelijke weigering om een besluit te nemen. Het college heeft juist met een e-mailbericht laten weten dat binnen de wettelijke termijn een besluit zal worden genomen. Deze reactie van het college is daarom niet te kwalificeren als schriftelijke weigering die op grond van de zin van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb gelijkgesteld kan worden met een besluit. 6. Daarbij komt dat, zoals hiervoor is vermeld, een verzoek om een voorlopige voorziening alleen mogelijk als er ook een bezwaar of beroep loopt. Dit is het zogenoemde ‘connexiteitsvereiste’. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Omdat geen sprake is van een schriftelijke weigering van het college, volgt de voorzieningenrechter verzoekers niet in hun standpunt dat hun reactie op het e-mailbericht van het college van 6 februari 2026 als bezwaarschrift tegen de weigering kan worden aangemerkt. Ook de verwijzing van verzoekers naar de uitspraak van rechtbank Overijssel van 9 januari 2026 treft geen doel. In die uitspraak werd wel aan het connexiteitsvereiste voldaan, omdat het verzoek om voorlopige voorziening tegelijk met een beroep wegens niet tijdig beslissen was ingediend. Dat de rechtbank Overijssel dit beroep in overweging 3.25, waar verzoekers naar wijzen, ook heeft aangemerkt als bezwaar tegen de weigering om een preventief handhavingsbesluit te nemen, geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat aan het connexiteitsvereiste is voldaan. Conclusie en gevolgen 7. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. ECLI:NL:RBOVE:2026:74.