Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-27
ECLI:NL:RBMNE:2026:1259
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4438 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder (gemachtigden: C. Ligthart en J. Cakici). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen toepassing van de spoedeisende bestuursdwang door het college waarbij de fiets van eiser is verwijderd en daarvoor kosten aan eiser in rekening zijn gebracht. 2. Met het bestreden besluit van 19 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij het besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 4. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank 5. Het beroep is ongegrond. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de fiets van eiser heeft verwijderd . Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Wat is er gebeurd? 6. De fiets van eiser stond geparkeerd aan de Croeselaan. Een toezichthouder van het college heeft op 14 maart 2025 de fiets weggehaald en naar het depot gebracht. Op 15 maart 2025 heeft eiser zijn fiets opgehaald bij het depot en is het schriftelijke besluit aan eiser uitgereikt. Bij het ophalen van zijn fiets heeft eiser € 26,- betaald voor de kosten voor het transport en bewaren van zijn fiets. Juridisch kader 7. Op grond van artikel 2:32 eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 (APV) is het verboden een fiets te parkeren als daardoor een voetpad of trottoir de doorgang wordt gehinderd, de veiligheid of doorstroming of het uitzicht van het verkeer wordt gehinderd of belemmerd, op of aan een openbare plaats hinder, overlast of schade ontstaat of voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd. Volgens het derde lid van artikel 2:32 van de APV is het ter voorkoming van hinder, overlast of gevaar verboden een fiets buiten de daarvoor bestemde fietsvoorzieningen onbeheerd te laten staan op door het college aangewezen plaatsen. In de Beleidsregel toepassing spoedeisende bestuursdwang bij handhaving bij fietsparkeren in het Stationsgebied (beleidsregel) is opgenomen dat het stationsgebied vrij moet blijven van geparkeerde fietsen en dat de Croeselaan valt onder het stationsgebied. Omvang van het geschil 8. De rechtbank stelt voorop dat eiser niet betwist dat sprake was van een overtreding en daarom (in beginsel) handhavend optreden mocht worden. Wel is in geschil of de kosten van in totaal € 26,- voor de toepassing van de bestuursdwang voor rekening van eiser moeten komen, omdat eiser vindt dat de kosten redelijkerwijs niet ten zijne laste behoren te komen. Eiser voert daar twee gronden voor aan. De rechtbank zal die hierna bespreken. Bebording 9. Eiser voert eerst aan dat de bebording bij de Croeselaan waar zijn fiets geparkeerd stond, onduidelijk is en ook anderszins onvoldoende duidelijk was dat het verboden was de fiets te plaatsen waar hij dat heeft gedaan. 10. De rechtbank vindt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bebording bij het ingaan van het ‘stationsgebied’ aanwezig is. Daarvoor heeft het college in beroep foto’s van de betreffende borden overgelegd. Daarnaast is in de APV en de beleidsregel opgenomen dat de Croeselaan valt onder het stationsgebied dat vrij moet zijn van geparkeerde fietsen. De APV en de beleidsregel zijn gepubliceerd, zodat eiser op de hoogte had kunnen zijn van fietsparkeerverbod op de Croeselaan. 10. De rechtbank is het wel eens met eiser dat nog duidelijker aangegeven zou kunnen worden dat het op de betreffende plek niet was toegesta