Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-26
ECLI:NL:RBMNE:2026:1251
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/3920 uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen Vereniging Meten=Weten, uit [plaats] , eiseres (gemachtigden: [gemachtigde] ), en het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. J. Dos Santos) Verder heeft als partij deelgenomen: de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) . Samenvatting 1. Meten=Weten heeft bij gedeputeerde staten verzocht om het gebruik van veertien stoffen in bestrijdingsmiddelen niet langer toe te staan in de provincie Utrecht. Gedeputeerde staten stellen niet bevoegd te zijn om een algemeen verbod op het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen uit te vaardigen en hebben het verzoek afgewezen. 2. Gedeputeerde staten hebben het bezwaar van Meten=Weten tegen de afwijzing niet-ontvankelijk verklaard, omdat de weigering om een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen geen besluit is en tegen de afwijzing daarvan geen bezwaar open staat. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. 3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar van Meten=Weten terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Meten=Weten heeft verzocht om als passende maatregel bepaalde bestrijdingsmiddelen niet langer toe te staan en daarmee is verzocht om een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat Meten=Weten op grond van het Verdrag van Aarhus buiten het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegang tot de bestuursrechter moet krijgen om de gestelde niet naleving van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn aan de orde te kunnen stellen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. Meten=Weten krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. De rechtbank kent wel schadevergoeding toe vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 4. Bij brief van 8 oktober 2021 (hierna: het verzoek) heeft Meten=Weten gedeputeerde staten op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn verzocht om het gebruik van bestrijdingsmiddelen waarin een veertiental stoffen voorkomen niet langer toe te staan in de provincie Utrecht. Dit verzoek is ook gedaan bij de andere elf provincies. 5. Met het besluit van 28 september 2023 hebben gedeputeerde staten het verzoek om handhavend op te treden afgewezen. Het bezwaar is met het besluit van 9 april 2024 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de weigering om een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 6. Meten=Weten heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Gedeputeerde staten hebben op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 7. De zitting stond gepland op 2 juli 2025, maar de enkelvoudige kamer heeft de zaak voor de zitting verwezen naar de meervoudige kamer. 8. Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van Meten=Weten en gedeputeerde staten. Beoordeling door de rechtbank 9. Op 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat het verzoek voor die datum is ingediend, is in deze zaak de Wnb nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 2.9, eerste lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. 10. Uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn volgt de verplichting van lidstaten om passende maatregelen te nemen om verslechtering van de kwaliteit van habitats in Natura 2000-gebieden te voorkomen. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 2.2, tweede lid, van de Wnb. 11. Meten=Weten voert aan dat in bezwaar geen correcte weergav Omdat een algemeen verbod om bepaalde bestrijdingsmiddelen te gebruiken zonder nadere normering herhaald toegepast kan worden, is de rechtbank van oordeel dat gedeputeerde staten ervan uit hebben kunnen gaan dat verzocht is om een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen. 18. Over het standpunt van Meten=Weten dat het aan de provincie is om te bepalen welke maatregelen getroffen zullen worden om een einde te maken aan de inbreuk van artikel 6, tweede lid, Habitatrichtlijn, overweegt de rechtbank dat het verzoek van Meten=Weten leidend is. Gelet op hoe het verzoek is geformuleerd en de daarna gegeven toelichting daarop, hebben gedeputeerde staten niet hoeven beoordelen of andere passende maatregelen, zoals Meten=Weten die in beroepsfase hebben genoemd, genomen hadden moeten worden. Daar komt nog bij dat de gemachtigde van gedeputeerde staten op zitting heeft opgemerkt dat het op dit moment nog onduidelijk is in welke mate de stoffen in de bestrijdingsmiddelen invloed hebben op de Natura 2000-gebieden. 19. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat gedeputeerde staten het bezwaar terecht niet-ontvankelijk hebben verklaard. Tegen de weigering om een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen staat op grond van artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geen beroep open. Gelet op artikel 7:1 van de Awb kon daarom ook geen bezwaar worden gemaakt. Verdrag van Aarhus 20. Meten=Weten voert aan dat haar verzoek niet had mogen worden afgewezen op grond van bepalingen uit de Awb, omdat de Awb in strijd is met het Unierecht. Onder verwijzing naar het Verdrag van Aarhus en de aanmaningsbrief van 7 februari 2024 van de Europese Commissie waarmee een inbreukprocedure is gestart, meent Meten=Weten dat zij toegang tot de bestuursrechter moet hebben om het nalaten van de provincie om passende maatregelen te treffen te kunnen aanvechten. Dat de inbreukprocedure inmiddels is beëindigd, mag hierbij niet betrokken worden, omdat dit mogelijk om politieke redenen is gebeurd. 21. Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 9 van het Verdrag van Aarhus gaat over de toegang tot de rechter. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat leden van het publiek toegang tot de rechter moeten hebben, maar kent de beperking dat voldaan moet worden aan in het nationale recht neergelegde criteria. Het Verdrag van Aarhus verzet zich naar het oordeel van de rechtbank niet tegen de toepassing van artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb. Verder is van belang dat uit het Verdrag van Aarhus niet per definitie volgt dat de bestuursrechter de aangewezen rechter is om rechtsbescherming te bieden. Dit kan ook de civiele rechter zijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtspraak van onder meer de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat Meten=Weten vanwege het kostenaspect niet naar de civiele rechter wil, zoals op de zitting is toegelicht, geeft geen aanleiding om te oordelen dat een civiele procedure onevenredig kostbaar is en daarom toegang tot de bestuursrechter mogelijk moet zijn. Ook de aanmaningsbrief geeft de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat Meten=Weten buiten het kader van de Awb toegang tot de bestuursrechter moet krijgen om de gestelde niet naleving van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn aan de orde te kunnen stellen. De voorgestelde wetswijziging van de Awb in verband met het Varkens in Nood-arrest (de Reparatiewet Varkens in Nood-arrest) ziet op een andere situatie dan hier aan de orde en kan daarom niet tot een ander oordeel leiden. Geen prejudiciële vragen 22. Meten=Weten heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Volgens Meten=Weten bestaat daartoe in dit geval een verplichting voor de rechtbank, omdat geen sprake is van een situatie waarin redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg van het Unierecht (acte clair) en het Hof van Justitie de rechtsvraag nog niet heeft uitgelegd (ac