Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-20
ECLI:NL:RBMNE:2026:1225
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16-219732-25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 20 maart 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen), ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 27 februari 2026. Het onderzoek is gesloten op 20 maart 2026. Op de zitting van 27 februari 2026 waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. E.S. Kostelijk (hierna: de advocaat); de officier van justitie: mr. S.K. Lanning. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat: feit 1 op 22 juli 2025 in De Meern samen met anderen ruim 4,5 kilogram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd of vervoerd; feit 2 op 22 juli 2025 in De Meern en/of in Assen samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor (onder meer) de invoer van cocaïne, door afspraken te maken om medeverdachte [medeverdachte 1] op te halen van zijn vliegreis, en door koffers met een dubbele bodem en een grote hoeveelheid cafeïne voorhanden te hebben. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Inleiding Op 22 juli 2025 houdt de politie een auto staande naast de snelweg in De Meern naar aanleiding van een ANPR-hit. In de auto zitten de volgende personen: [medeverdachte 2] als bestuurder, de verdachte als bijrijder en [medeverdachte 1] als passagier. In de kofferbak van de auto treft de politie twee koffers aan met daarin – naar later blijkt – cocaïne, verstopt in een dubbele bodem. Verder treft de politie kofferlabels aan waaruit volgt dat [medeverdachte 1] diezelfde ochtend vanuit Curaçao, via Sint Maarten, met het vliegtuig in Parijs is aangekomen. Vervolgens vindt de politie in de woning van de verdachte en [medeverdachte 2] meerdere koffers met opengescheurde voering en een bakje met cafeïne. De zoon van [verdachte] en [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , wordt ook als verdachte aangemerkt, omdat hij zijn ouders heeft gevraagd [medeverdachte 1] op te halen. De vragen die in deze zaak centraal staan zijn: of de politie rechtmatig heeft gehandeld, door de auto staande te houden en te doorzoeken en zo nee, welk gevolg daaraan moet worden verbonden; of de verdachte (al dan niet als medepleger) betrokken is geweest bij de invoer, dan wel het vervoeren of aanwezig hebben van de cocaïne (feit 1) en of de verdachte ook voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het invoeren van cocaïne in Nederland, dan wel voor cocaïnehandel (feit 2). 3.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de controle en de doorzoeking van de auto rechtmatig zijn verlopen. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en vordert dat zij van die feiten wordt vrijgesproken. 3.3. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2, primair omdat het bewijs tegen haar onrechtmatig is verkregen en daarom van het bewijs moet worden uitgesloten; en subsidiair omdat de verdachte de feiten ontkent. De bewijsverweren van de verdediging worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.4. 3.4. Oordeel van de rechtbank 3.4.1. Bewijsuitsluitingsverweer De advocaat bepleit dat er een onherstelbaar vormverzuim is geweest in het vooronderzoek, als gevolg waarvan de resultaten van de doorzoeking van de auto en de daaropvolgende doorzoeking in de woning van de verdachte van het bewijs moet worden uitgesloten. Het verweer komt er in het kort op neer dat de politie haar bevoegdheden heeft misbruikt, door de scharnieren van de auto te controleren voor een ander doel, namelijk om te zien wat er zich in de auto en achterbak Gelet op het doel dat bij de ANPR-hit werd genoemd (controleren voertuig vanwege of in verband met ondermijnende criminaliteit), is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de legitimatiebewijzen van de bestuurder ( [medeverdachte 2] ), verdachte en de passagier ( [medeverdachte 1] ) gerechtvaardigd was in het licht van de rechtmatige uitoefening van de politietaak. Zo was deze informatie bijvoorbeeld noodzakelijk om de politiesystemen te bevragen op eventuele antecedenten op het gebied van ondermijnende (drugs)criminaliteit (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BQ1978). De politie heeft hen vervolgens afzonderlijk bevraagd waar zij zojuist vandaan kwamen. Op dat moment was er nog geen aanwijzing dat een strafbaar feit was (of werd) begaan en was er ten opzichte van de verdachte ook geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voldoende grondslag bestond om de inzittenden om hun legitimatie te vragen en dat de politie op dat moment ook nog geen cautie hoefde te geven. Op dit punt is geen sprake van een vormverzuim. Hadden de politieagenten de bevoegdheid om de kofferbak te openen? Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat, nadat de bestuurder om zijn rijbewijs en kentekenpapieren werd gevraagd, een controle werd uitgevoerd op de technische staat van het voertuig. Hierbij werd het chassisnummer, de profilering van de banden, de echtheidskenmerken van de kentekenplaat, de werking van de sluitingen van de autoportieren en kofferbak, de scharnieren van de autoportieren, de motorkap en de kofferdeksel gecontroleerd. Tijdens het openen van de kofferklep om de werking van de scharnieren te controleren, zag de verbalisant achterin het voertuig de twee koffers liggen (waarin naar later bleek de cocaïne werd vervoerd). De rechtbank stelt voorop dat de politie verkeersvoorschriften mag controleren. Deze bevoegdheid volgt uit artikel 160, lid 4, jo. artikel 159 van de Wegenverkeerswet 1994. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt echter niet waarom tot een technische controle van de staat van het voertuig is overgegaan die ook inhield dat de scharnieren van de achterklep moesten worden gecontroleerd. Er zijn geen waarnemingen geverbaliseerd waaruit volgt dat er mogelijk iets mis was met de technische staat van de auto of specifiek met de scharnieren van het voertuig, of dat bijvoorbeeld de APK van het voertuig was verlopen. In dit geval had de politie daar wel inzicht in moeten geven, vooral omdat de veelomvattende verkeerscontrolebevoegdheid en de strenger gereguleerde opsporingsbevoegdheden hier door elkaar kunnen gaan lopen. Het openen van de kofferbak is immers nodig om de scharnieren te kunnen controleren (verkeerscontrole), maar is ook een eerste stap in de doorzoeking van een voertuig (opsporing). Voor het mogen doorzoeken van een auto ligt de drempel veel hoger: daarvoor wordt de eis gesteld dat er een verdenking is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten of ten minste dat er een redelijk vermoeden is dat er drugs aanwezig is in de auto. De rechtbank acht dan ook niet inzichtelijk waarom de verbalisant is overgegaan tot controle van de scharnieren van de portieren en de kofferbak. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de bevoegdheid een technische controle aan de auto te verrichten is gebruikt om in de achterbak te kunnen kijken, zonder dat er op dat moment sprake was van een verdenking van een strafbaar feit. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. De rechtbank zal aan de hand van het belang van de geschonden voorschriften, de ernst van het verzuim en het geleden nadeel beoordelen of hieraan een gevolg moet worden verbonden in de strafzaak van de verdachte. Het belang van de geschonden voorschriften Auto’s mogen alleen worden doorzocht als er een verdenking is van een strafbaar feit. Het belang daarachter is dat een doorzoeking een inbreuk kan maken op De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het invoeren of het vervoeren van de cocaïne, zodat zij daarvan vrij moet worden gesproken. De verdachte heeft verklaard dat zij niet wist dat [medeverdachte 1] drugs vervoerde. [medeverdachte 1] is als getuige op de zitting gehoord en heeft verklaard dat de verdachte niets wist van de cocaïne in zijn koffers. De rechtbank is van oordeel dat het dossier verder geen bewijsmiddelen bevat waaruit afgeleid kan worden dat de verdachte wetenschap had van de drugs in de koffers. Hoewel de drugsgerelateerde afbeeldingen op de telefoon van de echtgenoot van de verdachte de nodige vragen oproepen, kunnen deze op zichzelf niet dienen als bewijsmiddel dat de verdachte wetenschap had van de cocaïne in de koffers. Het dossier biedt ook geen enkel bewijs waaruit aanvaarding door verdachte van de aanmerkelijke kans dat de koffers cocaïne bevatten zou kunnen volgen. De verdachte kan ook niet worden veroordeeld voor het medeplegen, omdat daarvoor opzet op het gronddelict is vereist. De verdachte wordt vrijgesproken van (al dan niet medeplegen) van opzettelijke invoer en vervoer van cocaïne. Beschikkingsmacht Uit de bewijsmiddelen volgt dat de cocaïne zich binnen de machtssfeer van de verdachte bevond, omdat deze in de auto was waarin de verdachte op dat moment als bijrijder zat. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verdachte samen met haar man, [medeverdachte 2] , in hun auto op pad is gegaan om [medeverdachte 1] op te halen. Het feit dat zij niet als bestuurder maar als bijrijder in de auto zat, maakt dus niet dat zij minder of geen invloed had over wat er zich op dat moment in de auto bevond. Dat maakt dat de impliciet subsidiaire beschuldiging, namelijk het niet opzettelijk vervoeren van cocaïne, wel wettig en overtuigend kan worden bewezen. 3.4.4. Vrijspraak feit 2 De rechtbank oordeelt dat feit 2 niet is bewezen en spreektde verdachte daarvan vrij. De rechtbank legt hierna uit waarom. De beschuldiging lijkt uiteen te vallen in twee verwijten: enerzijds dat de verdachte behulpzaam is geweest en gelegenheid heeft verschaft bij het ophalen van medeverdachte [medeverdachte 1] na zijn vliegreis waarbij de cocaïne is ingevoerd en anderzijds dat er in de woning van de verdachte voorwerpen (koffers) en stoffen (cafeïne) zijn aangetroffen die bestemd zouden zijn voor het plegen van een (ander) Opiumwetdelict. Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het opzettelijk invoeren of vervoeren van cocaïne, kan ook niet worden bewezen dat de verdachte opzet had op het voorbereiden van dat feit. Voor wat betreft het tweede verwijt, geldt het volgende. De koffers en cafeïne zijn aangetroffen in en rondom de woning van de verdachte, waar zij woont met haar man (medeverdachte [medeverdachte 2] ) en zoon (medeverdachte [medeverdachte 3] ). De aangetroffen koffers hadden een opengescheurde voering en in de nabije omgeving daarvan werden lege zakken aangetroffen. De cafeïne - 739,81 gram - werd aangetroffen in een plastic bakje achterin een keukenkastje. Hoewel de aangetroffen koffers naar hun aard geschikt zouden kunnen zijn (geweest) voor de in- of uitvoer van drugs, blijkt uit het dossier onvoldoende dat de verdachten een misdadig doel met die koffers voor ogen hadden. Daarbij speelt een rol dat het voorhanden hebben van rolkoffers, al dan niet met dubbele bodem, op zichzelf geen strafbaar feit oplevert en dat in de woning verder geen harddrugs of daaraan verband houdende voorwerpen (bijvoorbeeld voor het wassen of verwerken van cocaïne) zijn aangetroffen. Het aantreffen van de cafeïne maakt dat niet anders. Hoewel cafeïne als versnijdingsmiddel kan worden gebruikt, is cafeïne ook voor andere, niet strafbare, toepassingen te gebruiken. De rechtbank ziet onvoldoende bewijs dat de verdachten de cafeïne voorhanden hadden voor een crimineel doel. 3.5. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte 6 De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart feit 2 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.5 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; géén straf of maatregel - bepaalt dat ten aanzien van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd; voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. K. de Meulder en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026. Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat: 1 zij op of omstreeks 22 juli 2025 te De Meern, gemeente Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd, in elk geval aanwezig heeft gehad; 2 zij op of omstreeks 22 juli 2025 te De Meern, gemeente Utrecht en/of Assen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten cocaïne - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn/haar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft verdachte en/of hebbende (een of meer van) verdachtes mededader(s) - één of meer telefoons voorhanden gehad en/of daarvan gebruik gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededaders, en/of - afspraken gemaakt met en/of opdrachten (door)gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, over het ophalen van medeverdachte [medeverdachte 1] , na zijn vliegreis, in Rotterdam en/of - contact onderhouden met de medeverdachte en/of anderen over het ophalen van [medeverdachte 1] en/of - [medeverdachte 1] (daadwerkelijk) op gehaald in Rotterdam en/of - koffers met een dubbele bodem en/of doorzichtige zakken met een witte substantie en/of koffers met een opengescheurde voering en/of een grote hoeveelheid caffeine voorhanden gehad, en/of - een hoeveelheid cocaïne vervoerd en/of aanwezig gehad (in de auto). Bijlage II: Bewijsmiddelen Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Wij zagen het voertuig met kenteken [kenteken] op 22 juli 2025 rijden. H