Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-17
ECLI:NL:RBMNE:2026:1148
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,449 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1148 text/xml public 2026-05-04T10:50:50 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-17 UTR 24/2187 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1148 text/html public 2026-05-04T10:50:36 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1148 Rechtbank Midden-Nederland , 17-04-2026 / UTR 24/2187 pkv RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2187 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente] , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar heeft op 25 juni 2025 gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. 2. De heffingsambtenaar heeft in het primaire besluit op grond van de Wet Waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 1.127.0000,-. Verzoeker heeft vervolgens bezwaar aangetekend. In de beslissing op bezwaar van 27 december 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker is op 8 februari 2024 hiertegen in beroep gegaan. Op 16 december 2024 heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend, waarin de heffingsambtenaar stelt dat het beroep ongegrond is. Verzoeker stelt in zijn reactie op het verweerschrift dat de WOZ-waarde van de woning vastgesteld moet worden op € 960.000,-. Op 15 mei 2025 heeft de heffingsambtenaar een compromisvoorstel van € 982.000,- aan verzoeker gedaan voor de WOZ-waarde van de woning. Verzoeker is akkoord gegaan met het compromisvoorstel en heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. 3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij zelf advocaat is en daardoor kosten heeft gemaakt. Volgens verzoeker is het daarom redelijk dat de proceskosten worden vergoed door de heffingsambtenaar. Verzoeker noemt ook een uitspraak waaruit zou blijken dat hij recht heeft op vergoeding van de proceskosten. 5. De heffingsambtenaar heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en aangegeven de proceskosten niet te willen vergoeden. Volgens de heffingsambtenaar komen proceshandelingen die een partij op eigen naam heeft verricht niet voor vergoeding in aanmerking. 6. De rechtbank geeft de heffingsambtenaar gelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten, omdat verzoeker in de beroepsprocedure zichzelf heeft vertegenwoordigd. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb worden alleen kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vergoed. Als een partij zelfstandig procedeert zijn er daarom geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De omstandigheid dat verzoeker van beroep advocaat is, maakt dit niet anders. De rechtbank merkt op dat de door verzoeker aangehaalde uitspraak geen bestuursrechtelijke procedure betreft en in dit geval niet relevant is. 7. De heffingsambtenaar moet wel het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41 Awb). De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij het griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van verzoeker. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. ECLI:NL:GHSHE:2022:1658.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1148 text/xml public 2026-05-04T10:50:50 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-17 UTR 24/2187 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1148 text/html public 2026-05-04T10:50:36 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1148 Rechtbank Midden-Nederland , 17-04-2026 / UTR 24/2187 pkv RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2187 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente] , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar heeft op 25 juni 2025 gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. 2. De heffingsambtenaar heeft in het primaire besluit op grond van de Wet Waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 1.127.0000,-. Verzoeker heeft vervolgens bezwaar aangetekend. In de beslissing op bezwaar van 27 december 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker is op 8 februari 2024 hiertegen in beroep gegaan. Op 16 december 2024 heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend, waarin de heffingsambtenaar stelt dat het beroep ongegrond is. Verzoeker stelt in zijn reactie op het verweerschrift dat de WOZ-waarde van de woning vastgesteld moet worden op € 960.000,-. Op 15 mei 2025 heeft de heffingsambtenaar een compromisvoorstel van € 982.000,- aan verzoeker gedaan voor de WOZ-waarde van de woning. Verzoeker is akkoord gegaan met het compromisvoorstel en heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. 3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij zelf advocaat is en daardoor kosten heeft gemaakt. Volgens verzoeker is het daarom redelijk dat de proceskosten worden vergoed door de heffingsambtenaar. Verzoeker noemt ook een uitspraak waaruit zou blijken dat hij recht heeft op vergoeding van de proceskosten. 5. De heffingsambtenaar heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en aangegeven de proceskosten niet te willen vergoeden. Volgens de heffingsambtenaar komen proceshandelingen die een partij op eigen naam heeft verricht niet voor vergoeding in aanmerking. 6. De rechtbank geeft de heffingsambtenaar gelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten, omdat verzoeker in de beroepsprocedure zichzelf heeft vertegenwoordigd. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb worden alleen kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vergoed. Als een partij zelfstandig procedeert zijn er daarom geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De omstandigheid dat verzoeker van beroep advocaat is, maakt dit niet anders. De rechtbank merkt op dat de door verzoeker aangehaalde uitspraak geen bestuursrechtelijke procedure betreft en in dit geval niet relevant is. 7. De heffingsambtenaar moet wel het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41 Awb). De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij het griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van verzoeker. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. ECLI:NL:GHSHE:2022:1658.