Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-10
ECLI:NL:RBMNE:2026:1103
Civiel recht
Kort geding
4,048 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1103 text/xml public 2026-03-25T09:53:52 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-10 12122734 \ UV EXPL 26-47 WMB/61313 Uitspraak Kort geding Verzet NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1103 text/html public 2026-03-25T09:53:11 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1103 Rechtbank Midden-Nederland , 10-03-2026 / 12122734 \ UV EXPL 26-47 WMB/61313 Verzetprocedure in kort geding. Executie van verstekvonnis in bodemprocedure geschorst in verstekvonnis in kort geding. Beslissing om executie te schorsen wordt bekrachtigd. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht, kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12122734 \ UV EXPL 26-47 WMB/61313 Vonnis in kort geding van 10 maart 2026 in de zaak van [partij 1] B.V. , gevestigd in [plaats 1] , eisende partij in het verzet, oorspronkelijk gedaagde partij, hierna te noemen: [partij 1] , gemachtigde: mr. J. Bouter, tegen 1 [partij 2-I] , 2. [partij 2-II] , beide wonend in [plaats 2] , verwerende partijen in het verzet, oorspronkelijk eisende partijen, hierna gezamenlijk en apart te noemen: [partij 2-I] en [partij 2-II] , gemachtigde: mr. G. Gabrelian. 1 De procedure 1.1. Op 25 februari 2026 is tussen partijen een verstekvonnis gewezen in het kort geding met zaaknummer 12112583 UV 26-40. Op 3 maart 2026 heeft [partij 1] een verzetdagvaarding met producties in kort geding aan [partij 2-I] en [partij 2-II] betekend, die aan te merken is als conclusie van antwoord. Op 4 maart 2026 hebben [partij 2-I] en [partij 2-II] producties ingediend. De mondelinge behandeling vond plaats op 5 maart 2026. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. Namens [partij 1] is mr. Bouter verschenen. Ook [partij 2-I] is verschenen. Hij werd bijgestaan door mr. [A] , waarnemer voor mr. Gabrelian, die mede namens [partij 2-II] het woord heeft gevoerd. [partij 2-II] is zelf niet verschenen. Daarnaast waren mevrouw I. Toufexes, een tolk in de Griekse taal, en mevrouw [B] , buurvrouw van [partij 2-I] en [partij 2-II] , aanwezig. Beide gemachtigden hebben tijdens de zitting een pleitnota gebruikt. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1. [partij 2-I] en [partij 2-II] zijn bij verstekvonnis van 21 januari 2026 (in de bodemprocedure met zaaknummer 12001451 UC EXPL 25-9835) veroordeeld om de woning die zij van [partij 1] huren aan de [adres] in [plaats 2] , te ontruimen. In het verstekvonnis in kort geding van 24 februari 2026 is de executie van het vonnis in de bodemprocedure geschorst, totdat in het verzet in de bodemprocedure is beslist. [partij 1] wil dat het verstekvonnis in kort geding wordt vernietigd en de vorderingen van [partij 2-I] en [partij 2-II] alsnog worden afgewezen, zodat zij de woning op korte termijn kan (laten) ontruimen. De kantonrechter bekrachtigt het verstekvonnis in kort geding van 24 februari 2026. 3 De beoordeling [partij 1] is op tijd in verzet gekomen 3.1. De kantonrechter stelt vast dat [partij 1] op tijd en op de juiste wijze verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis in kort geding van 24 februari 2026. [partij 1] kan daarom in zoverre in haar verzet worden ontvangen. De door [partij 2-I] en [partij 2-II] in kort geding uitgebrachte dagvaarding is niet nietig 3.2. Voordat inhoudelijk op de beoordeling van de zaak wordt ingegaan, stelt de kantonrechter vast dat de door [partij 2-I] en [partij 2-II] in kort geding uitgebrachte dagvaarding niet nietig is. Anders dan [partij 1] heeft betoogd, is niet gebleken dat die dagvaarding onjuist is betekend. Aan [partij 2-I] en [partij 2-II] is verlof verleend om [partij 1] op verkorte termijn te dagvaarden en zij heeft dat binnen de verleende termijn gedaan. Uit de stellingen van [partij 1] volgt dat de dagvaarding op het juiste adres is betekend en dat haar gemachtigde bovendien per e-mail op de hoogte is gesteld van de kortgedingaanvraag en de inhoud van de (concept)dagvaarding. Van een gebrek in de dagvaarding dat nietigheid met zich meebrengt, was dus geen sprake. Voor zover daarvan overigens wel sprake zou zijn geweest, heeft [partij 1] in deze verzetprocedure haar standpunt alsnog naar voren kunnen brengen en is zij door de verstekverlening niet onredelijk in haar belangen geschaad. De kantonrechter zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen. De kantonrechter bekrachtigt het verstekvonnis 3.3. Het gaat hier om een executiegeschil op grond van artikel 438 Rv. Uitgangspunt daarbij is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van [partij 1] , van wie de vordering door de kantonrechter is toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Afwijking van dit uitgangspunt kan aan de orde zijn als er sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [partij 2-I] en [partij 2-II] bij behoud van de bestaande toestand (dus: achterwege laten van de ontruiming) zolang niet op het door hen ingestelde verzet is beslist, , zwaarder weegt dan het belang van [partij 1] bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – ontruiming. Bij deze belangenafweging moet, behalve als sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag, in beginsel worden uitgegaan van de beslissing van de kantonrechter en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het ingestelde verzet in beginsel buiten beschouwing. 3.4. Anders dan [partij 1] tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, heeft de kantonrechter in de bodemprocedure geen gemotiveerd oordeel gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Om die reden moet ervan uit worden gegaan dat voormelde belangenafweging nog niet heeft plaatsgevonden en voor een andere beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad plaats is, als in dit kort geding door [partij 2-I] en [partij 2-II] feiten en omstandigheden aan de vordering ten grondslag zijn gelegd die bij de door de kantonrechter gegeven beslissing niet in aanmerking zijn genomen, omdat [partij 2-I] en [partij 2-II] van de gevoerde bodemprocedure niet op de hoogte waren. 3.5. Bij de beoordeling in het verstekvonnis in kort geding is de kantonrechter uitgegaan van de stelling van [partij 2-I] en [partij 2-II] dat [partij 1] uitsluitend een financieel belang heeft bij de ontruiming. Uit de stellingen van [partij 1] blijkt dat dat inderdaad het geval is. [partij 1] heeft namelijk uitgelegd dat zij de woning wil ontruimen, omdat zij (nogmaals) met een nieuwe huurder heeft gecontracteerd. Anders dan [partij 1] heeft betoogd, is het niet zo dat het woonbelang van haar nieuwe huurder als haar eigen belang geldt. Het enige belang dat [partij 1] zelf heeft bij de ontruiming op korte termijn, is dat zij haar nieuwe huurder mogelijk een schadevergoeding moet betalen als zij de woning niet op tijd ter beschikking kan stellen. [partij 1] heeft zelf het risico genomen om het gehuurde opnieuw te verhuren, terwijl zij weet dat [partij 2-I] en [partij 2-II] in het gehuurde wensen te blijven wonen en hebben aangekondigd in verzet te gaan tegen het verstekvonnis. [partij 1] heeft geen zwaarwegende redenen genoemd die maken dat van haar niet gevergd kan worden dat zij de verzetprocedure afwacht. In het licht van alle feiten en omstandigheden weegt het belang van [partij 2-I] en [partij 2-II] om in de woning te kunnen blijven totdat in de verzetprocedure is beslist, zwaarder dan het belang van [partij 1] . Zij beschikken niet over een alternatieve woonplek en zullen op straat komen te staan. De gevolgen van een ontruiming zijn onomkeerbaar en berokkenen [partij 2-I] en [partij 2-II] veel schade. 3.6. Nu de balans doorslaat naar [partij 2-I] en [partij 2-II] , zal kantonrechter het verstekvonnis bekrachtigen. De executie van het vonnis van 21 januari 2026 blijft dus geschorst, totdat op het verzet in de bodemprocedure is beslist. Het spreekt voor zich dat [partij 2-I] en [partij 2-II] de lopende huur moeten blijven betalen. [partij 1] moet de proceskosten van [partij 2-I] en [partij 2-II] in de verzetprocedure betalen 3.7.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1103 text/xml public 2026-03-25T09:53:52 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-10 12122734 \ UV EXPL 26-47 WMB/61313 Uitspraak Kort geding Verzet NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1103 text/html public 2026-03-25T09:53:11 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1103 Rechtbank Midden-Nederland , 10-03-2026 / 12122734 \ UV EXPL 26-47 WMB/61313 Verzetprocedure in kort geding. Executie van verstekvonnis in bodemprocedure geschorst in verstekvonnis in kort geding. Beslissing om executie te schorsen wordt bekrachtigd. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht, kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12122734 \ UV EXPL 26-47 WMB/61313 Vonnis in kort geding van 10 maart 2026 in de zaak van [partij 1] B.V. , gevestigd in [plaats 1] , eisende partij in het verzet, oorspronkelijk gedaagde partij, hierna te noemen: [partij 1] , gemachtigde: mr. J. Bouter, tegen 1 [partij 2-I] , 2. [partij 2-II] , beide wonend in [plaats 2] , verwerende partijen in het verzet, oorspronkelijk eisende partijen, hierna gezamenlijk en apart te noemen: [partij 2-I] en [partij 2-II] , gemachtigde: mr. G. Gabrelian. 1 De procedure 1.1. Op 25 februari 2026 is tussen partijen een verstekvonnis gewezen in het kort geding met zaaknummer 12112583 UV 26-40. Op 3 maart 2026 heeft [partij 1] een verzetdagvaarding met producties in kort geding aan [partij 2-I] en [partij 2-II] betekend, die aan te merken is als conclusie van antwoord. Op 4 maart 2026 hebben [partij 2-I] en [partij 2-II] producties ingediend. De mondelinge behandeling vond plaats op 5 maart 2026. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. Namens [partij 1] is mr. Bouter verschenen. Ook [partij 2-I] is verschenen. Hij werd bijgestaan door mr. [A] , waarnemer voor mr. Gabrelian, die mede namens [partij 2-II] het woord heeft gevoerd. [partij 2-II] is zelf niet verschenen. Daarnaast waren mevrouw I. Toufexes, een tolk in de Griekse taal, en mevrouw [B] , buurvrouw van [partij 2-I] en [partij 2-II] , aanwezig. Beide gemachtigden hebben tijdens de zitting een pleitnota gebruikt. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1. [partij 2-I] en [partij 2-II] zijn bij verstekvonnis van 21 januari 2026 (in de bodemprocedure met zaaknummer 12001451 UC EXPL 25-9835) veroordeeld om de woning die zij van [partij 1] huren aan de [adres] in [plaats 2] , te ontruimen. In het verstekvonnis in kort geding van 24 februari 2026 is de executie van het vonnis in de bodemprocedure geschorst, totdat in het verzet in de bodemprocedure is beslist. [partij 1] wil dat het verstekvonnis in kort geding wordt vernietigd en de vorderingen van [partij 2-I] en [partij 2-II] alsnog worden afgewezen, zodat zij de woning op korte termijn kan (laten) ontruimen. De kantonrechter bekrachtigt het verstekvonnis in kort geding van 24 februari 2026. 3 De beoordeling [partij 1] is op tijd in verzet gekomen 3.1. De kantonrechter stelt vast dat [partij 1] op tijd en op de juiste wijze verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis in kort geding van 24 februari 2026. [partij 1] kan daarom in zoverre in haar verzet worden ontvangen. De door [partij 2-I] en [partij 2-II] in kort geding uitgebrachte dagvaarding is niet nietig 3.2. Voordat inhoudelijk op de beoordeling van de zaak wordt ingegaan, stelt de kantonrechter vast dat de door [partij 2-I] en [partij 2-II] in kort geding uitgebrachte dagvaarding niet nietig is. Anders dan [partij 1] heeft betoogd, is niet gebleken dat die dagvaarding onjuist is betekend. Aan [partij 2-I] en [partij 2-II] is verlof verleend om [partij 1] op verkorte termijn te dagvaarden en zij heeft dat binnen de verleende termijn gedaan. Uit de stellingen van [partij 1] volgt dat de dagvaarding op het juiste adres is betekend en dat haar gemachtigde bovendien per e-mail op de hoogte is gesteld van de kortgedingaanvraag en de inhoud van de (concept)dagvaarding. Van een gebrek in de dagvaarding dat nietigheid met zich meebrengt, was dus geen sprake. Voor zover daarvan overigens wel sprake zou zijn geweest, heeft [partij 1] in deze verzetprocedure haar standpunt alsnog naar voren kunnen brengen en is zij door de verstekverlening niet onredelijk in haar belangen geschaad. De kantonrechter zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen. De kantonrechter bekrachtigt het verstekvonnis 3.3. Het gaat hier om een executiegeschil op grond van artikel 438 Rv. Uitgangspunt daarbij is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van [partij 1] , van wie de vordering door de kantonrechter is toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Afwijking van dit uitgangspunt kan aan de orde zijn als er sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [partij 2-I] en [partij 2-II] bij behoud van de bestaande toestand (dus: achterwege laten van de ontruiming) zolang niet op het door hen ingestelde verzet is beslist, , zwaarder weegt dan het belang van [partij 1] bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – ontruiming. Bij deze belangenafweging moet, behalve als sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag, in beginsel worden uitgegaan van de beslissing van de kantonrechter en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het ingestelde verzet in beginsel buiten beschouwing. 3.4. Anders dan [partij 1] tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, heeft de kantonrechter in de bodemprocedure geen gemotiveerd oordeel gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Om die reden moet ervan uit worden gegaan dat voormelde belangenafweging nog niet heeft plaatsgevonden en voor een andere beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad plaats is, als in dit kort geding door [partij 2-I] en [partij 2-II] feiten en omstandigheden aan de vordering ten grondslag zijn gelegd die bij de door de kantonrechter gegeven beslissing niet in aanmerking zijn genomen, omdat [partij 2-I] en [partij 2-II] van de gevoerde bodemprocedure niet op de hoogte waren. 3.5. Bij de beoordeling in het verstekvonnis in kort geding is de kantonrechter uitgegaan van de stelling van [partij 2-I] en [partij 2-II] dat [partij 1] uitsluitend een financieel belang heeft bij de ontruiming. Uit de stellingen van [partij 1] blijkt dat dat inderdaad het geval is. [partij 1] heeft namelijk uitgelegd dat zij de woning wil ontruimen, omdat zij (nogmaals) met een nieuwe huurder heeft gecontracteerd. Anders dan [partij 1] heeft betoogd, is het niet zo dat het woonbelang van haar nieuwe huurder als haar eigen belang geldt. Het enige belang dat [partij 1] zelf heeft bij de ontruiming op korte termijn, is dat zij haar nieuwe huurder mogelijk een schadevergoeding moet betalen als zij de woning niet op tijd ter beschikking kan stellen. [partij 1] heeft zelf het risico genomen om het gehuurde opnieuw te verhuren, terwijl zij weet dat [partij 2-I] en [partij 2-II] in het gehuurde wensen te blijven wonen en hebben aangekondigd in verzet te gaan tegen het verstekvonnis. [partij 1] heeft geen zwaarwegende redenen genoemd die maken dat van haar niet gevergd kan worden dat zij de verzetprocedure afwacht. In het licht van alle feiten en omstandigheden weegt het belang van [partij 2-I] en [partij 2-II] om in de woning te kunnen blijven totdat in de verzetprocedure is beslist, zwaarder dan het belang van [partij 1] . Zij beschikken niet over een alternatieve woonplek en zullen op straat komen te staan. De gevolgen van een ontruiming zijn onomkeerbaar en berokkenen [partij 2-I] en [partij 2-II] veel schade. 3.6. Nu de balans doorslaat naar [partij 2-I] en [partij 2-II] , zal kantonrechter het verstekvonnis bekrachtigen. De executie van het vonnis van 21 januari 2026 blijft dus geschorst, totdat op het verzet in de bodemprocedure is beslist. Het spreekt voor zich dat [partij 2-I] en [partij 2-II] de lopende huur moeten blijven betalen. [partij 1] moet de proceskosten van [partij 2-I] en [partij 2-II] in de verzetprocedure betalen 3.7.