Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-11
ECLI:NL:RBMNE:2026:1048
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,543 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1048 text/xml public 2026-04-07T13:39:04 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-11 25/5599 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1048 text/html public 2026-04-07T13:38:39 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1048 Rechtbank Midden-Nederland , 11-03-2026 / 25/5599 Beroep. Wht. Geen recht op compensatie, omdat eiseres nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5599 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.N. Ali), en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. Eiseres heeft zich in 2021 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om compensatie in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen heeft dit verzoek afgewezen en bij besluit van 7 juni 2022 aangegeven dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van de lichte toets. Eiseres krijgt dus geen € 30.000,-. 1.1. Na de lichte toets voert Dienst Toeslagen nog een integrale herbeoordeling uit, waarbij nogmaals wordt gekeken of eiseres een gedupeerde is van de toeslagenaffaire en daardoor in aanmerking komt voor compensatie. Met het besluit van 4 januari 2024 heeft Dienst Toeslagen een definitieve beschikking genomen. Hierbij is eiseres niet als gedupeerde aangemerkt, waardoor zij geen recht heeft op compensatie. Volgens Dienst Toeslagen heeft eiseres zelf namelijk nooit kinderopvangtoeslag aangevraagd. 1.2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar zus [A] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen, bijgestaan door [B] . 1.5. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. 3. Eiseres voert aan dat zij gedupeerd is. Zij heeft een tussenpersoon verzocht kinderopvangtoeslag aan te vragen in verband met de opvang van haar dochter op een kinderdagverblijf. Eiseres heeft erop vertrouwd dat alle opvangkosten door de tussenpersoon uit de kinderopvangtoeslag zouden worden betaald aan de kinderopvanginstelling. Eiseres heeft echter wegens betalingsachterstanden € 6.000,- aan de kinderopvanginstelling moeten betalen, terwijl zij nooit de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Die is volgens eiseres aan de tussenpersoon uitgekeerd. 4. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit, in het verweerschrift en op de zitting uitgelegd dat uit de systemen van Belastingdienst/Toeslagen is gebleken dat eiseres in de jaren 2005 tot en met 2019 nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd voor haar dochter, dat nooit kinderopvangtoeslag aan haar is toegekend en ook niet is teruggevorderd. Uit artikel 2.1 van de Wht volgt dat alleen de aanvrager van de kinderopvangtoeslag compensatie kan krijgen. Omdat eiseres geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en zij ook geen schade heeft geleden door toedoen van Dienst Toeslagen komt zij niet in aanmerking voor compensatie. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag voor compensatie daarom terecht afgewezen. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van artikel 2.1 van de Wht. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. 6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1048 text/xml public 2026-04-07T13:39:04 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-11 25/5599 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1048 text/html public 2026-04-07T13:38:39 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1048 Rechtbank Midden-Nederland , 11-03-2026 / 25/5599 Beroep. Wht. Geen recht op compensatie, omdat eiseres nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5599 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.N. Ali), en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. Eiseres heeft zich in 2021 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om compensatie in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen heeft dit verzoek afgewezen en bij besluit van 7 juni 2022 aangegeven dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van de lichte toets. Eiseres krijgt dus geen € 30.000,-. 1.1. Na de lichte toets voert Dienst Toeslagen nog een integrale herbeoordeling uit, waarbij nogmaals wordt gekeken of eiseres een gedupeerde is van de toeslagenaffaire en daardoor in aanmerking komt voor compensatie. Met het besluit van 4 januari 2024 heeft Dienst Toeslagen een definitieve beschikking genomen. Hierbij is eiseres niet als gedupeerde aangemerkt, waardoor zij geen recht heeft op compensatie. Volgens Dienst Toeslagen heeft eiseres zelf namelijk nooit kinderopvangtoeslag aangevraagd. 1.2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar zus [A] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen, bijgestaan door [B] . 1.5. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. 3. Eiseres voert aan dat zij gedupeerd is. Zij heeft een tussenpersoon verzocht kinderopvangtoeslag aan te vragen in verband met de opvang van haar dochter op een kinderdagverblijf. Eiseres heeft erop vertrouwd dat alle opvangkosten door de tussenpersoon uit de kinderopvangtoeslag zouden worden betaald aan de kinderopvanginstelling. Eiseres heeft echter wegens betalingsachterstanden € 6.000,- aan de kinderopvanginstelling moeten betalen, terwijl zij nooit de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Die is volgens eiseres aan de tussenpersoon uitgekeerd. 4. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit, in het verweerschrift en op de zitting uitgelegd dat uit de systemen van Belastingdienst/Toeslagen is gebleken dat eiseres in de jaren 2005 tot en met 2019 nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd voor haar dochter, dat nooit kinderopvangtoeslag aan haar is toegekend en ook niet is teruggevorderd. Uit artikel 2.1 van de Wht volgt dat alleen de aanvrager van de kinderopvangtoeslag compensatie kan krijgen. Omdat eiseres geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en zij ook geen schade heeft geleden door toedoen van Dienst Toeslagen komt zij niet in aanmerking voor compensatie. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag voor compensatie daarom terecht afgewezen. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van artikel 2.1 van de Wht. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. 6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.