Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-17
ECLI:NL:RBMNE:2026:1022
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/191844-25 en 16/042071-21 (vordering tenuitvoerlegging) Vonnis van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [2006] in [geboorteplaats] (Spanje), ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [adres 1] , [postcode 1] in [woonplaats] , nu gedetineerd in het [verblijfplaats] , hierna: de verdachte. 1 De zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 19 februari 2026. Het onderzoek is gesloten op 17 maart 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie, mr. M.L. Kruit; de raadsvrouw van de verdachte, mr. D. van Elp; [A] van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . 2 De tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 24 juni 2025, samen met anderen, een gewapende overval heeft gepleegd op [winkel] in Utrecht, waarbij gouden sieraden zijn buitgemaakt. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de gewapende overval, samen met anderen, heeft gepleegd. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd over het bewijs. 3.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank oordeelt dat is bewezen dat de verdachte, samen met anderen, de ten laste gelegde gewapende overval heeft gepleegd. De verdachte heeft dit ook bekend. De rechtbank zal daarom volstaan met het noemen van de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert, in bijlage II van dit vonnis. 3.4. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: op 24 juni 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, gouden sieraden, die aan [winkel] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen medewerkers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, door - zich, verkleed in djelleba en hoofddoek, als klant van de juwelierszaak voor te doen, bij de juwelierszaak aan te bellen en de juwelierszaak in te gaan, en - voor de toonbank te gaan staan en te blijven staan met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand, en - een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te richten en daarbij dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp door te laden en - over de toonbank te springen en naar die [slachtoffer 2] toe te rennen en - die [slachtoffer 2] tegen het hoofd te slaan, en - die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen: “doe het raam dicht” en “doe de deur open”. 4 De kwalificatie en strafbaarheid Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl dit feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. De verdachte is strafbaar. 5 De straf 5.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden, kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering; verplichte deelname aan een gedra De reclassering adviseert, gelet op haar inschatting van de geestelijke vermogens van de verdachte, het volwassenenstrafrecht toe te passen. 5.3.4 De op te leggen straf De rechtbank ziet geen reden om bij de bestraffing van de verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte is meerderjarig, niet bijzonder kwetsbaar en de reclassering adviseert de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Verder speelt mee dat verdachte tijdens zijn minderjarigheid gedurende langere tijd onder toezicht heeft gestaan van de Jeugdreclassering, maar dat de verdachte desondanks een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf wel rekening houden met de jongvolwassenheid van de verdachte en de conclusie van de reclassering, dat de verdachte nog een jeugdig karakter heeft en ondersteuning nodig heeft om verdere problemen te voorkomen en op een gezonde manier zelfstandig te worden. Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten (de LOVS-oriëntatiepunten). Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor een gewapende overval op een winkel is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar bij “licht geweld”, waarbij samenwerking en planning met anderen geldt als strafverzwarend. De rechtbank acht het dreigen met een levensechte imitatie-Uzi en het geven van een vuistslag ernstiger dan “licht geweld”. Bovendien is de overval in nauwe samenwerking met anderen gepland en gepleegd. Als uitgangspunt voor de op te leggen straf hanteert de rechtbank daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2,5 jaar (30 maanden). De rechtbank zal in het voordeel van de verdachte afwijken van dit uitgangspunt, om de volgende redenen. Ten eerste was verdachte ten tijde van de overval pas 18 jaar oud. De rechtbank deelt de inschatting van de reclassering dat de verdachte nog een jeugdig karakter heeft, en deelt de inschatting van de raadsvrouw dat de overval blijk geeft van een onvolgroeid beoordelingsvermogen. Hierom, en om eventuele detentieschade en verharding te voorkomen, zal de rechtbank een substantieel deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Hierbij weegt mee dat deze voorwaarden, met name het locatieverbod met elektronische controle, ook een forse inbreuk op de bewegingsvrijheid van de verdachte zullen betekenen. Ten tweede heeft de verdachte, in tegenstelling tot zijn medeverdachten, relatief openhartig verklaard over zijn rol in de overval, en heeft daarbij niet geprobeerd zijn rol te minimaliseren. De rechtbank ziet daarin een aanwijzing dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en in positieve zin wil breken met zijn verleden, zoals hij op de zitting heeft verklaard. Ook het positieve gedrag dat de verdachte, blijkens het reclasseringsrapport, tijdens zijn detentie heeft laten zien wijst in die richting. Gelet op de ernst van het misdrijf legt de rechtbank vanwege deze strafvermindering aanvullend een forse taakstraf op. Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 28 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, op zijn plaats, in combinatie met een taakstraf van 240 uur. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten wordt op de gevangenisstraf in mindering gebracht. Omdat verdachte schijnbaar uit het niets, zonder justitiële voorgeschiedenis, betrokken is als mededader bij een gewapende overval en gelet op de inschatting en onderbouwing van de kans op herhaling door de reclassering, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte bij vrijlating weer een misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. 6 In beslag genomen voorwerpen De in deze paragraaf vermelde voorwerpen zijn genummerd en omschreven volgens de beslaglijst in het dossier van 20 februari 2026. 6.1. De vordering van de offi Deze vorderingen zijn voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. De verdachte is voor de schade met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partijen voor het hele bedrag aansprakelijk is. 8 De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf De kinderrechter in Utrecht heeft op 16 juni 2021 aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/042071-21 onder meer een voorwaardelijke taakstraf van 50 uur opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Deze proeftijd is op 2 november 2023 door de kinderrechter te Utrecht met één jaar verlengd, waardoor de proeftijd op 30 juni 2024 is beëindigd. Het Openbaar Ministerie heeft op 25 augustus 2025 de rechtbank gevorderd deze voorwaardelijke taakstraf ten uitvoer te leggen, omdat de verdachte zich binnen de proeftijd schuldig zou hebben gemaakt aan de onderhavige winkeloverval. Omdat de onderhavige winkeloverval heeft plaatsgevonden na afloop van de proeftijd, zal de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie ter zitting, het Openbaar Ministier niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging. 9 De toegepaste wetsartikelen De beslissing van de rechtbank berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 10 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in paragraaf 3.4 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; strafbaarheid - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 28 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als voorwaarden gelden dat verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: * zich volgens afspraak zal melden bij [instelling] , gevestigd op het adres [adres 2] , [postcode 2] te [plaats] en zal meewerken aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dit nodig vindt; * zal deelnemen aan de gedragsinterventie CoVa (cognitieve vaardigheden), of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich hierbij aan de aanwijzingen van de trainer; * op geen enkele wijze, direct of indirect, contact zoekt of heeft met de medeverdachten [medeverdachte 1] , geboortedatum [2006] , [medeverdachte 2] , geboortedatum op [2006] en [medeverdachte 3] , geboortedatum [2005] , tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd; * op geen enkele wijze, direct of indirect, contact zoekt of heeft met de benadeelde partijen [ - gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp (genummerd en omschreven volgens de beslaglijst in het dossier van 20 februari 2026): 10) 1 STK bedrijfsauto [kenteken] (omschrijving: PL0900-2025209896-3462053, wit, merk: Peugeot; benadeelde partij [slachtoffer 1] - wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel toe tot een bedrag van € 4.621,37 (vierduizendzeshonderdeenentwintig euro en zevenendertig eurocent); - veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2025 tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover door een van zijn mededaders (een deel van) dit bedrag aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd; - veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 4.621,37 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 46 dagen gijzeling, met dien verstande dat indien en voor zover door een van zijn mededaders (een deel van) dit bedrag aan de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd; - bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; benadeelde partij [slachtoffer 2] - wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] geheel toe tot een bedrag van € 2.800,- (achtentwintighonderd euro); - veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2025 tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover door een van zijn mededaders (een deel van) dit bedrag aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd; - veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 2.800,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 28 dagen gijzeling, met dien verstande dat indien en voor zover door een van zijn mededaders (een deel van) dit bedrag aan de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd; - bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/042071-21 - verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Michon, voorzitter, mr. J.F. Haeck en mr. K. de Meulder, rechters, in tegenwoordigheid van A. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 maart 2026. Bijlage I: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (gouden) sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoórde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevo