Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-05
ECLI:NL:RBMNE:2025:974
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,576 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
zaaknummer: 11345855 LC EXPL 24-2573
Verstekvonnis d.d. 5 maart 2025
inzake
Alektum Capital II AG
gevestigd te Zug , Zwitserland
gemachtigde R. Slagman, gerechtsdeurwaarder
eisende partij,
tegen
[gedaagde]
wonende [adres]
[postcode] [woonplaats]
gedaagde partij,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft een vordering ingesteld tegen de gedaagde partij.
1.2.
De gedaagde partij heeft niet (tijdig) op de vordering gereageerd en ook geen uitstel gevraagd om op een later moment te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen de gedaagde partij.
1.3.
Daarop volgt nu dit vonnis.
Overwegingen
2.1.
De gedaagde partij heeft in de webwinkel van Aliexpress één of meer zaken gekocht. De gedaagde partij heeft daarbij gekozen voor de aangeboden mogelijkheid van uitgestelde betaling. Om van die mogelijkheid gebruik te kunnen maken moest de gedaagde partij bovenop de koopprijs een extra bedrag aan betaalkosten betalen. Ondanks aanmaning heeft de gedaagde partij de koopprijs en de daarbovenop in rekening gebrachte kosten niet betaald.
2.2.
De vordering op de gedaagde partij is verkocht aan de eisende partij. De eisende partij vordert nu de koopprijs, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.
2.3.
De eisende partij is een rechtspersoon naar buitenlands recht. Daarom moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter wel bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Dat is zo. De gedaagde partij woont namelijk in Nederland en is een consument. Verder overweegt de kantonrechter dat op de vordering het Nederlands recht van toepassing is.
2.4.
De gedaagde partij heeft als gezegd gekozen voor de aangeboden mogelijkheid van uitgestelde betaling. Omdat het bedrag dat de gedaagde partij in verband daarmee bovenop de koopsom moest betalen, niet onbetekenend is, is (naast de koopovereenkomst) een consumentenkredietovereenkomst tot stand gekomen als bedoeld in artikel 7:57 en verder van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat de eisende partij ervoor kiest om de betaalkosten niet te vorderen, maakt dat niet anders.
2.5.
Op een consumentenkredietovereenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing en de kantonrechter moet ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) toetsen of een aantal belangrijke consumentenbeschermende bepalingen is nageleefd. De kantonrechter moet met name toetsen of de nodige informatie aan de consument is verstrekt, als bedoeld in de artikelen 7:60 en 7:61 BW, en of is gecontroleerd of de consument wel voldoende draagkracht heeft om het krediet terug te kunnen betalen, als bedoeld in artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Als dat niet is gebeurd, of als de kantonrechter over onvoldoende informatie beschikt om dit te kunnen beoordelen, moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. In de regel moet dan (een deel van) de vordering worden afgewezen.
2.6.
Het ligt in iedere afzonderlijke procedure op de weg van de eisende partij, als rechtsopvolgster van de kredietverstrekker, om de kantonrechter van voldoende informatie te voorzien om de noodzakelijke toets uit te kunnen voeren. Dat is in deze procedure echter niet of onvoldoende gebeurd. De kantonrechter kan daardoor niet toetsen of de consumentenbeschermende bepalingen van de artikelen 7:60 en 7:61 BW en/of van artikel 4:34 Wft zijn nageleefd.
2.7.
De genoemde consumentenbeschermende bepalingen zijn bepalingen met een Europese oorsprong, die in ons nationale recht zijn geïmplementeerd. Zij moeten gelijk worden gesteld aan bepalingen die naar nationaal recht van openbare orde zijn (zie ECLI:NL:GHARL:2019:5655). Als dergelijke bepalingen niet zijn nageleefd (of als dat, zoals in dit geval, niet kan worden vastgesteld), is niet voldaan aan een regel van openbare orde en moet de overeenkomst worden vernietigd op grond van artikel 3:40 lid 1 BW.
2.8.
De kantonrechter zal daarom ook in deze procedure de consumentenkredietovereenkomst vernietigen. Dat heeft gevolgen. De gedaagde partij moet de koopprijs van de gekochte, ontvangen en behouden za(a)k(en) alsnog betalen, maar de daarbovenop in rekening gebrachte kosten voor het betalingsuitstel hoeft de gedaagde partij niet te voldoen. Dat is omdat die kosten zijn bedongen in de consumentenkredietovereenkomst die is vernietigd en dus niet meer bestaat). Ook wijst de kantonrechter de gevorderde rente en de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten af. 2.9. De gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 113,54
- griffierecht € 130,00
- salaris gemachtigde € 82,00 (1 punt(en) x tarief € 82,00)
- nakosten € 41,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 366,54.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen bewijs van kwijting te betalen € 284,99;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten van € 366,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.