Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-04
ECLI:NL:RBMNE:2025:921
Civiel recht
Wraking
3,334 tokens
Dictum
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 589334 / HA RK 25-33
Dictum
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
(hierna: verzoekster).
Procesverloop
1.1.
Verzoekster heeft op 25 februari 2025 mr. D.C.P.M. Straver gewraakt. Mr. Straver (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 11328202 AE VERZ 24-49 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Verzoekster heeft al eerder twee wrakingsverzoeken in de hoofdzaak ingediend. Het eerste wrakingsverzoek is op 18 februari 2025 door de wrakingskamer ongegrond verklaard en het tweede wrakingsverzoek is op 25 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak vond plaats op 31 januari 2025. Verzoekster diende vervolgens haar eerste wrakingsverzoek in op 1 februari 2025. In dit verzoek heeft verzoekster de rechter onder meer verweten dat zij op de mondelinge zitting van 31 januari 2025 verweersters niet om bewijs heeft gevraagd op welke datum en door welke persoon een Overeenkomst van Opdracht met de handtekening van [naam] B.V. per e-mail aan verzoekster is overgelegd. Op 5 februari 2025 heeft de rechter schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. In deze reactie is de rechter niet ingegaan op dit verwijt van verzoekster. Volgens verzoekster hebben de leden van de wrakingskamer hierdoor beslissingen genomen die lijken te zijn beïnvloed door de verzuimde reactie van de rechter. Verzoekster stelt dat het uitblijven van de reactie van de rechter op dit punt wijst op partijdigheid en dat dit dat haar recht op een eerlijk proces en de objectiviteit van de rechter aantast.
Beoordeling
Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij/zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij/zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij/zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
3.3.
Op grond van het Wrakingsprotocol Rechtbank Midden-Nederland kan de wrakingskamer een verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting meteen afwijzen of niet-ontvankelijk verklaren, als het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
4. Verzoekster heeft voor de derde keer een wrakingsverzoek ingediend. Het laatste verzoek is gedaan omdat de rechter in haar schriftelijke reactie op het eerste wrakingsverzoek niet op alle punten in dat verzoek is ingegaan. Voor de beoordeling is van belang dat een gewraakte rechter geen partij is bij een wrakingszaak. Een rechter hoeft zich dan ook niet te verdedigen tegen een wrakingsverzoek en hij/zij kan zich onthouden van het geven van een mening over de ontvankelijkheid en gegrondheid van het wrakingsverzoek. Wel verstrekt hij/zij informatie aan de wrakingskamer. Gelet hierop hoefde de rechter niet te reageren op alle onderdelen van het wrakingsverzoek van 1 februari 2025. Dat zij in haar reactie niet op alle onderdelen heeft gereageerd is daarom geen reden voor wraking. Het wrakingsverzoek is om die reden kennelijk ongegrond en de wrakingskamer zal het verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Wrakingsverbod
5. De wrakingskamer ziet aanleiding om een wrakingsverbod aan verzoekster op te leggen, op grond van artikel 39, vierde lid, Rv.
5.1.
Dit betekent dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in de procedure met zaaknummer 11328202 AE VERZ 24-49 niet in behandeling wordt genomen. De reden hiervan is dat moet worden voorkomen dat verzoekster de behandeling van de hoofdzaak (verder) vertraagt door opnieuw een wrakingsverzoek in te dienen. Verzoekster heeft nu al drie keer een wrakingsverzoek in dezelfde zaak en tegen dezelfde rechter ingediend, die geen van alle gegrond zijn verklaard. Deze verzoeken hebben geleid tot onredelijke vertraging van de behandeling van de hoofdzaak. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoekster het wrakingsmiddel hiermee misbruikt.
Dictum
De wrakingskamer:
6.1.
verklaart verzoekster niet ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
6.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
6.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met het zaaknummer 11328202 AE VERZ 24-49 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
6.4.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de zaak met het zaaknummer 11328202 AE VERZ 24-49 niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is genomen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, en mr. D. Wachter en mr. I.L. Gerrits, als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N.S. Stekkel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025.
de griffier mr. D. Wachter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 4.2 onder f.
Artikel 4.7 van het Wrakingsprotocol Rechtbank Midden-Nederland.
Dictum
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 589334 / HA RK 25-33
Dictum
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
(hierna: verzoekster).
Procesverloop
1.1.
Verzoekster heeft op 25 februari 2025 mr. D.C.P.M. Straver gewraakt. Mr. Straver (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 11328202 AE VERZ 24-49 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Verzoekster heeft al eerder twee wrakingsverzoeken in de hoofdzaak ingediend. Het eerste wrakingsverzoek is op 18 februari 2025 door de wrakingskamer ongegrond verklaard en het tweede wrakingsverzoek is op 25 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak vond plaats op 31 januari 2025. Verzoekster diende vervolgens haar eerste wrakingsverzoek in op 1 februari 2025. In dit verzoek heeft verzoekster de rechter onder meer verweten dat zij op de mondelinge zitting van 31 januari 2025 verweersters niet om bewijs heeft gevraagd op welke datum en door welke persoon een Overeenkomst van Opdracht met de handtekening van [naam] B.V. per e-mail aan verzoekster is overgelegd. Op 5 februari 2025 heeft de rechter schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. In deze reactie is de rechter niet ingegaan op dit verwijt van verzoekster. Volgens verzoekster hebben de leden van de wrakingskamer hierdoor beslissingen genomen die lijken te zijn beïnvloed door de verzuimde reactie van de rechter. Verzoekster stelt dat het uitblijven van de reactie van de rechter op dit punt wijst op partijdigheid en dat dit dat haar recht op een eerlijk proces en de objectiviteit van de rechter aantast.
Beoordeling
Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij/zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij/zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij/zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
3.3.
Op grond van het Wrakingsprotocol Rechtbank Midden-Nederland kan de wrakingskamer een verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting meteen afwijzen of niet-ontvankelijk verklaren, als het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
4. Verzoekster heeft voor de derde keer een wrakingsverzoek ingediend. Het laatste verzoek is gedaan omdat de rechter in haar schriftelijke reactie op het eerste wrakingsverzoek niet op alle punten in dat verzoek is ingegaan. Voor de beoordeling is van belang dat een gewraakte rechter geen partij is bij een wrakingszaak. Een rechter hoeft zich dan ook niet te verdedigen tegen een wrakingsverzoek en hij/zij kan zich onthouden van het geven van een mening over de ontvankelijkheid en gegrondheid van het wrakingsverzoek. Wel verstrekt hij/zij informatie aan de wrakingskamer. Gelet hierop hoefde de rechter niet te reageren op alle onderdelen van het wrakingsverzoek van 1 februari 2025. Dat zij in haar reactie niet op alle onderdelen heeft gereageerd is daarom geen reden voor wraking. Het wrakingsverzoek is om die reden kennelijk ongegrond en de wrakingskamer zal het verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Wrakingsverbod
5. De wrakingskamer ziet aanleiding om een wrakingsverbod aan verzoekster op te leggen, op grond van artikel 39, vierde lid, Rv.
5.1.
Dit betekent dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in de procedure met zaaknummer 11328202 AE VERZ 24-49 niet in behandeling wordt genomen. De reden hiervan is dat moet worden voorkomen dat verzoekster de behandeling van de hoofdzaak (verder) vertraagt door opnieuw een wrakingsverzoek in te dienen. Verzoekster heeft nu al drie keer een wrakingsverzoek in dezelfde zaak en tegen dezelfde rechter ingediend, die geen van alle gegrond zijn verklaard. Deze verzoeken hebben geleid tot onredelijke vertraging van de behandeling van de hoofdzaak. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoekster het wrakingsmiddel hiermee misbruikt.
Dictum
De wrakingskamer:
6.1.
verklaart verzoekster niet ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
6.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
6.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met het zaaknummer 11328202 AE VERZ 24-49 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
6.4.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de zaak met het zaaknummer 11328202 AE VERZ 24-49 niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is genomen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, en mr. D. Wachter en mr. I.L. Gerrits, als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N.S. Stekkel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025.
de griffier mr. D. Wachter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 4.2 onder f.
Artikel 4.7 van het Wrakingsprotocol Rechtbank Midden-Nederland.