Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:81
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,844 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11198945 UC EXPL 24-4542 CD/942
Vonnis van 15 januari 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen:
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.P. Harten.
Overwegingen
1.1.
[eiseres] heeft een dagvaarding met bijlagen uitgebracht. Zij heeft gevorderd dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om een bedrag aan haar te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven. [gedaagde] heeft daarop gereageerd met een conclusie van antwoord.
1.2.
De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling gepland op 9 januari 2025 om 15.00 uur. Namens [eiseres] is die dag niemand verschenen. In plaats daarvan heeft [eiseres] vlak voor aanvang van de mondelinge behandeling, namelijk om 14.08 uur, eenzijdig verzocht om de procedure te royeren.
1.3.
Namens [gedaagde] is zijn gemachtigde mr. Harten verschenen – hij was al op weg naar de rechtbank toen het verzoek hem bereikte. Mr. Harten heeft laten weten dat [gedaagde] niet in kan instemmen met doorhaling. Hij heeft immers kosten moeten maken om zich tegen de vordering te verweren en heeft om die reden belang bij een proceskostenveroordeling.
1.4.
De kantonrechter begrijpt het eenzijdige royementsverzoek van [eiseres] als een eenzijdig verzoek om de procedure door te halen, als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Een dergelijk eenzijdig verzoek kan echter niet eenzijdig worden gedaan, zo volgt ook uit artikel 6.2 van het landelijk procesreglement voor rolzaken kanton. Mogelijk bedoelt [eiseres] met haar eenzijdig verzoek geen doorhaling, maar afstand van instantie, als bedoeld in artikel 249 Rv, maar ook daarvoor geldt dat dit niet eenzijdig kan als de wederpartij al heeft geconcludeerd voor antwoord.
1.5.
Wat er verder ook van het verzoek zij, daaruit blijkt in ieder geval dat [eiseres] geen beslissing meer wenst op haar vordering, zodat daarover tussen partijen dus geen geschil meer bestaat, behalve dan ten aanzien van de proceskosten.
1.6.
De proceskosten van [gedaagde] zijn veroorzaakt door het aanhangig maken van de vordering door [eiseres] , terwijl zij ondertussen geen beslissing meer wenst over de vordering. Zij heeft deze kosten dus nodeloos veroorzaakt en daarom moet zij deze kosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 1.221,00, bestaande uit € 1.086,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 543,00) en € 135,00 aan nakosten.
Dictum
De kantonrechter
2.1.
stelt vast dat [eiseres] geen beslissing meer wenst op haar vordering;
2.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen nadat [eiseres] daarover is aangeschreven. Als [eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daana wordt betekend, moet [eiseres] ook de betekeningskosten betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11198945 UC EXPL 24-4542 CD/942
Vonnis van 15 januari 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen:
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.P. Harten.
Overwegingen
1.1.
[eiseres] heeft een dagvaarding met bijlagen uitgebracht. Zij heeft gevorderd dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om een bedrag aan haar te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven. [gedaagde] heeft daarop gereageerd met een conclusie van antwoord.
1.2.
De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling gepland op 9 januari 2025 om 15.00 uur. Namens [eiseres] is die dag niemand verschenen. In plaats daarvan heeft [eiseres] vlak voor aanvang van de mondelinge behandeling, namelijk om 14.08 uur, eenzijdig verzocht om de procedure te royeren.
1.3.
Namens [gedaagde] is zijn gemachtigde mr. Harten verschenen – hij was al op weg naar de rechtbank toen het verzoek hem bereikte. Mr. Harten heeft laten weten dat [gedaagde] niet in kan instemmen met doorhaling. Hij heeft immers kosten moeten maken om zich tegen de vordering te verweren en heeft om die reden belang bij een proceskostenveroordeling.
1.4.
De kantonrechter begrijpt het eenzijdige royementsverzoek van [eiseres] als een eenzijdig verzoek om de procedure door te halen, als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Een dergelijk eenzijdig verzoek kan echter niet eenzijdig worden gedaan, zo volgt ook uit artikel 6.2 van het landelijk procesreglement voor rolzaken kanton. Mogelijk bedoelt [eiseres] met haar eenzijdig verzoek geen doorhaling, maar afstand van instantie, als bedoeld in artikel 249 Rv, maar ook daarvoor geldt dat dit niet eenzijdig kan als de wederpartij al heeft geconcludeerd voor antwoord.
1.5.
Wat er verder ook van het verzoek zij, daaruit blijkt in ieder geval dat [eiseres] geen beslissing meer wenst op haar vordering, zodat daarover tussen partijen dus geen geschil meer bestaat, behalve dan ten aanzien van de proceskosten.
1.6.
De proceskosten van [gedaagde] zijn veroorzaakt door het aanhangig maken van de vordering door [eiseres] , terwijl zij ondertussen geen beslissing meer wenst over de vordering. Zij heeft deze kosten dus nodeloos veroorzaakt en daarom moet zij deze kosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 1.221,00, bestaande uit € 1.086,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 543,00) en € 135,00 aan nakosten.
Dictum
De kantonrechter
2.1.
stelt vast dat [eiseres] geen beslissing meer wenst op haar vordering;
2.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen nadat [eiseres] daarover is aangeschreven. Als [eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daana wordt betekend, moet [eiseres] ook de betekeningskosten betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11198945 UC EXPL 24-4542 CD/942
Vonnis van 15 januari 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen:
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.P. Harten.
Overwegingen
1.1.
[eiseres] heeft een dagvaarding met bijlagen uitgebracht. Zij heeft gevorderd dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om een bedrag aan haar te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven. [gedaagde] heeft daarop gereageerd met een conclusie van antwoord.
1.2.
De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling gepland op 9 januari 2025 om 15.00 uur. Namens [eiseres] is die dag niemand verschenen. In plaats daarvan heeft [eiseres] vlak voor aanvang van de mondelinge behandeling, namelijk om 14.08 uur, eenzijdig verzocht om de procedure te royeren.
1.3.
Namens [gedaagde] is zijn gemachtigde mr. Harten verschenen – hij was al op weg naar de rechtbank toen het verzoek hem bereikte. Mr. Harten heeft laten weten dat [gedaagde] niet in kan instemmen met doorhaling. Hij heeft immers kosten moeten maken om zich tegen de vordering te verweren en heeft om die reden belang bij een proceskostenveroordeling.
1.4.
De kantonrechter begrijpt het eenzijdige royementsverzoek van [eiseres] als een eenzijdig verzoek om de procedure door te halen, als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Een dergelijk eenzijdig verzoek kan echter niet eenzijdig worden gedaan, zo volgt ook uit artikel 6.2 van het landelijk procesreglement voor rolzaken kanton. Mogelijk bedoelt [eiseres] met haar eenzijdig verzoek geen doorhaling, maar afstand van instantie, als bedoeld in artikel 249 Rv, maar ook daarvoor geldt dat dit niet eenzijdig kan als de wederpartij al heeft geconcludeerd voor antwoord.
1.5.
Wat er verder ook van het verzoek zij, daaruit blijkt in ieder geval dat [eiseres] geen beslissing meer wenst op haar vordering, zodat daarover tussen partijen dus geen geschil meer bestaat, behalve dan ten aanzien van de proceskosten.
1.6.
De proceskosten van [gedaagde] zijn veroorzaakt door het aanhangig maken van de vordering door [eiseres] , terwijl zij ondertussen geen beslissing meer wenst over de vordering. Zij heeft deze kosten dus nodeloos veroorzaakt en daarom moet zij deze kosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 1.221,00, bestaande uit € 1.086,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 543,00) en € 135,00 aan nakosten.
Dictum
De kantonrechter
2.1.
stelt vast dat [eiseres] geen beslissing meer wenst op haar vordering;
2.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen nadat [eiseres] daarover is aangeschreven. Als [eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daana wordt betekend, moet [eiseres] ook de betekeningskosten betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.