Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-23
ECLI:NL:RBMNE:2025:7936
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,530 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7936 text/xml public 2026-04-30T10:07:45 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-23 UTR 25/5506 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7936 text/html public 2026-04-30T10:07:08 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7936 Rechtbank Midden-Nederland , 23-12-2025 / UTR 25/5506 BNT WOO, gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5506 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen [eiseres] , te [plaats] , eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 23 september 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiseres heeft op 22 mei 2025 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op dat verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Verweerder heeft de beslistermijn niet formeel verdaagd. Verweerder heeft eiseres bij mailbericht van 26 juni 2025 geïnformeerd over de stand van zaken en medegedeeld dat hij ernaar streeft om in de week van 21 juli 2025, of eerder, een besluit te nemen. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 14 augustus 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. 4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). 5. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Van bijzondere omstandigheden om een langere beslistermijn vast te stellen, is dan ook niet gebleken. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak. 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. 7. Ten aanzien van het verzoek van eiseres om de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen, wijst de rechtbank op artikel 8:2 van de Woo waaruit volgt dat artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing is en verweerder daarom geen dwangsom is verschuldigd. 8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). 9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- dat eiseres heeft betaald moet betalen; Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025. de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7936 text/xml public 2026-04-30T10:07:45 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-23 UTR 25/5506 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7936 text/html public 2026-04-30T10:07:08 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7936 Rechtbank Midden-Nederland , 23-12-2025 / UTR 25/5506 BNT WOO, gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5506 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen [eiseres] , te [plaats] , eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 23 september 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiseres heeft op 22 mei 2025 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op dat verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Verweerder heeft de beslistermijn niet formeel verdaagd. Verweerder heeft eiseres bij mailbericht van 26 juni 2025 geïnformeerd over de stand van zaken en medegedeeld dat hij ernaar streeft om in de week van 21 juli 2025, of eerder, een besluit te nemen. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 14 augustus 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. 4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). 5. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Van bijzondere omstandigheden om een langere beslistermijn vast te stellen, is dan ook niet gebleken. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak. 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. 7. Ten aanzien van het verzoek van eiseres om de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen, wijst de rechtbank op artikel 8:2 van de Woo waaruit volgt dat artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing is en verweerder daarom geen dwangsom is verschuldigd. 8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). 9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- dat eiseres heeft betaald moet betalen; Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025. de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.