Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-17
ECLI:NL:RBMNE:2025:7931
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,470 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7931 text/xml public 2026-05-01T09:16:50 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-17 UTR 25/4642 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7931 text/html public 2026-05-01T09:16:35 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7931 Rechtbank Midden-Nederland , 17-10-2025 / UTR 25/4642 BNT WOO, gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4642 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser(es) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser(es) heeft ingediend op 10 augustus 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser(es) heeft op 10 juni 2025 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op dat verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Verweerder heeft het verzoek bevestigd en de beslistermijn verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus naar eigen zeggen uiterlijk 21 juli 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 24 juli 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. 4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Als uitgangspunt geldt op basis van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat de termijn hiervoor twee weken na het verzenden van de uitspraak is. Als de omvang van het verzoek daar aanleiding toe geeft kan de bestuursrechter, op basis van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo, een andere termijn vaststellen. 5. Verweerder heeft te kennen gegeven dat niet op tijd op het Woo-verzoek is beslist vanwege een combinatie van personeelsverloop en de zomervakantieperiode. Helaas is ook de ingebrekestelling aan de aandacht ontsnapt. Dat was niet de bedoeling en ook niet de gebruikelijke werkwijze. Verweerder verwacht uiterlijk eind oktober 2025 een besluit te nemen op het Woo-verzoek. 6. De rechtbank stelt de beslistermijn vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak. 7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. 8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). 9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser(es) het betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser(es) een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het door eiser(es) betaalde griffierecht van € 194,-vergoed. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025. de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7931 text/xml public 2026-05-01T09:16:50 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-17 UTR 25/4642 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7931 text/html public 2026-05-01T09:16:35 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7931 Rechtbank Midden-Nederland , 17-10-2025 / UTR 25/4642 BNT WOO, gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4642 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser(es) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser(es) heeft ingediend op 10 augustus 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser(es) heeft op 10 juni 2025 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op dat verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Verweerder heeft het verzoek bevestigd en de beslistermijn verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus naar eigen zeggen uiterlijk 21 juli 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 24 juli 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. 4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Als uitgangspunt geldt op basis van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat de termijn hiervoor twee weken na het verzenden van de uitspraak is. Als de omvang van het verzoek daar aanleiding toe geeft kan de bestuursrechter, op basis van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo, een andere termijn vaststellen. 5. Verweerder heeft te kennen gegeven dat niet op tijd op het Woo-verzoek is beslist vanwege een combinatie van personeelsverloop en de zomervakantieperiode. Helaas is ook de ingebrekestelling aan de aandacht ontsnapt. Dat was niet de bedoeling en ook niet de gebruikelijke werkwijze. Verweerder verwacht uiterlijk eind oktober 2025 een besluit te nemen op het Woo-verzoek. 6. De rechtbank stelt de beslistermijn vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak. 7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. 8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). 9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser(es) het betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser(es) een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het door eiser(es) betaalde griffierecht van € 194,-vergoed. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025. de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.