Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-14
ECLI:NL:RBMNE:2025:793
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,954 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4740
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2025 in de zaak tussen
Unique Nederland B.V., uit Almere, eiseres
(gemachtigde: C. Rigters-Snijders),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van het Uwv om de uitkering van een werknemer van eiseres (hierna: werknemer) die hij op grond van de Ziektewet ontvangt, ongewijzigd voort te zetten.
1.1.
Bij de Eerstejaars Ziektewet beoordeling op 30 mei 2023 is vastgesteld dat werknemer niet kan werken. Met het besluit van 30 oktober 2023 (het primaire besluit) is aan werknemer medegedeeld dat zijn ZW-uitkering daarom ongewijzigd blijft.
1.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit van 29 mei 2024 (het bestreden besluit) is haar bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank overweegt dat eerst beoordeeld moet worden of eiseres procesbelang heeft bij haar beroep.
3. Voldoende procesbelang wordt aangenomen als het resultaat dat eiseres met een procedure nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiseres feitelijk betekenis kan hebben. In beginsel heeft eiseres procesbelang bij de beoordeling van haar beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Volgens recente rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, is het uitgangspunt voortaan dat het enkele niet toekennen van een vergoeding van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang oplevert. Dit is anders als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is.
4. Volgens eiseres zijn niet alleen de proceskosten onderwerp van geschil. In beroep voert zij aan dat haar bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard. Volgens eiseres had het Uwv haar bezwaar gegrond moeten verklaren, het primaire besluit moeten herroepen en de kosten moeten vergoeden die eiseres in bezwaar heeft gemaakt. Eiseres wijst er daarbij op dat de situatie van werknemer in bezwaar is gewijzigd van een situatie van geen benutbare mogelijkheden naar een situatie waarin wel benutbare mogelijkheden aanwezig zijn geacht, een functionele mogelijkhedenlijst is opgesteld en de restverdiencapaciteit van werknemer is beoordeeld. Volgens eiseres is hierdoor sprake van een gewijzigd rechtsgevolg en had het primaire besluit herroepen moeten worden.
5. De rechtbank ziet in het voorgaande geen ander belang dan de wens van eiseres om haar proceskosten in bezwaar vergoed te krijgen. Inhoudelijk is eiseres het nu immers eens met verweerder. Uiteindelijk gaat het eiseres dus alleen om de in bezwaar gemaakte proceskosten. Dat levert geen procesbelang op. De rechtbank stelt verder vast dat het primaire besluit niet door het Uwv is herroepen. De hoogte van een toegekende vergoeding is ook niet in geschil. Er is dus geen sprake van een uitzondering op het uitgangspunt dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten geen zelfstandig procesbelang oplevert. Dat betekent dat in deze zaak geen procesbelang aanwezig is.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
14 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraken van de CRvB van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635 en ECLI:NL:CRVB:2024:636.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4740
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2025 in de zaak tussen
Unique Nederland B.V., uit Almere, eiseres
(gemachtigde: C. Rigters-Snijders),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van het Uwv om de uitkering van een werknemer van eiseres (hierna: werknemer) die hij op grond van de Ziektewet ontvangt, ongewijzigd voort te zetten.
1.1.
Bij de Eerstejaars Ziektewet beoordeling op 30 mei 2023 is vastgesteld dat werknemer niet kan werken. Met het besluit van 30 oktober 2023 (het primaire besluit) is aan werknemer medegedeeld dat zijn ZW-uitkering daarom ongewijzigd blijft.
1.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit van 29 mei 2024 (het bestreden besluit) is haar bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank overweegt dat eerst beoordeeld moet worden of eiseres procesbelang heeft bij haar beroep.
3. Voldoende procesbelang wordt aangenomen als het resultaat dat eiseres met een procedure nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiseres feitelijk betekenis kan hebben. In beginsel heeft eiseres procesbelang bij de beoordeling van haar beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Volgens recente rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, is het uitgangspunt voortaan dat het enkele niet toekennen van een vergoeding van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang oplevert. Dit is anders als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is.
4. Volgens eiseres zijn niet alleen de proceskosten onderwerp van geschil. In beroep voert zij aan dat haar bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard. Volgens eiseres had het Uwv haar bezwaar gegrond moeten verklaren, het primaire besluit moeten herroepen en de kosten moeten vergoeden die eiseres in bezwaar heeft gemaakt. Eiseres wijst er daarbij op dat de situatie van werknemer in bezwaar is gewijzigd van een situatie van geen benutbare mogelijkheden naar een situatie waarin wel benutbare mogelijkheden aanwezig zijn geacht, een functionele mogelijkhedenlijst is opgesteld en de restverdiencapaciteit van werknemer is beoordeeld. Volgens eiseres is hierdoor sprake van een gewijzigd rechtsgevolg en had het primaire besluit herroepen moeten worden.
5. De rechtbank ziet in het voorgaande geen ander belang dan de wens van eiseres om haar proceskosten in bezwaar vergoed te krijgen. Inhoudelijk is eiseres het nu immers eens met verweerder. Uiteindelijk gaat het eiseres dus alleen om de in bezwaar gemaakte proceskosten. Dat levert geen procesbelang op. De rechtbank stelt verder vast dat het primaire besluit niet door het Uwv is herroepen. De hoogte van een toegekende vergoeding is ook niet in geschil. Er is dus geen sprake van een uitzondering op het uitgangspunt dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten geen zelfstandig procesbelang oplevert. Dat betekent dat in deze zaak geen procesbelang aanwezig is.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
14 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraken van de CRvB van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635 en ECLI:NL:CRVB:2024:636.