Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-31
ECLI:NL:RBMNE:2025:7914
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 11871061 \ UE VERZ 25-259 MS/1270 Tussenbeschikking van 31 december 2025 in de procedure op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van de stichting BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE GROOTHANDEL IN VLAKGLAS, DE GROOTHANDEL IN VERF, HET GLASBEWERKINGS- EN HET GLAZENIERSBEDRIJF , gevestigd te Heerlen, hierna te noemen: Pensioenfonds Vlakglas, gemachtigden: mr. E. Lutjens en mr. H.L. Doorn, en [verweerster] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [verweerster] , gemachtigde: mr. M.W. Minnaard, 1 De procedure 1.1 Partijen hebben de kantonrechter met een brief van 4 september 2025 verzocht om op grond van artikel 96 Rv een beslissing te nemen over de vraag of [verweerster] valt onder de verplichtstelling van deelneming in Pensioenfonds Vlakglas. Zij hebben op 21 november 2025 het procesdossier opgestuurd dat de volgende stukken bevat: - een verzoekschrift met producties van Pensioenfonds Vlakglas; - een verweerschrift met producties en een tegenverzoek van [verweerster] ; - een conclusie van repliek houdende vermeerdering van vordering (hierna ook genoemd: vermeerdering van het verzoek) van Pensioenfonds Vlakglas; - een conclusie van dupliek met een vermeerdering van het tegenverzoek van [verweerster] . 1.2 Op 3 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Pensioenfonds Vlakglas zijn verschenen de heer [A] en de heer [B] , respectievelijk [functie 1] en [functie 2] van Pensioenfonds Vlakglas, en mr. E. Lutjens, gemachtigde. Namens [verweerster] zijn verschenen de heer [C] , CEO van [verweerster] , de heer [D] en mr. M.W. Minnaard, gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitaantekeningen toegelicht. Ze hebben op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. 1.3 Aan het eind van de zitting hebben partijen afgesproken om nader overleg te voeren over de vraag of zij behalve een oordeel over de uitleg van de verplichtstelling van [verweerster] ook nog een oordeel willen krijgen over de overige onderdelen van het verzoek zoals dat is komen te luiden na formulering van het tegenverzoek en de vermeerdering van het (tegen)verzoek. De kantonrechter heeft partijen daarom verzocht op 10 december 2025 te laten weten of zij overeenstemming hebben kunnen bereiken over de aanpassing van hun (kantonarbitrage-)overeenkomst en daarmee van het gezamenlijk verzoek dat zij op basis van die overeenkomst hebben gedaan. 1.4 Pensioenfonds Vlakglas heeft de kantonrechter in een brief van 10 december 2025 meegedeeld dat hij het verzoek wenst te beperken tot een beslissing over de uitleg van het verplichtstellingsbesluit en dat hij de vermeerdering van vordering, onderdeel van de repliek, tot vergoeding van schade intrekt. 1.5 [verweerster] heeft in een brief van 11 december 2025 geschreven dat het procesdossier dat op 21 november 2025 is toegezonden het volledige partijdebat bevat dat aan het oordeel van de kantonrechter is voorgelegd en dat het een partij niet vrijstaat om dat debat eenzijdig en zonder instemming van de wederpartij te beperken of te herformuleren. [verweerster] stelt dat primair de vraag voorligt of zij onder de werkingssfeer valt. Indien de kantonrechter onverhoopt tot het oordeel zou komen dat dit het geval is, dienen wat [verweerster] betreft eveneens het subsidiaire verjaringsverweer en de vraag of zij gehouden kan worden een vrijwaringsverklaring te ondertekenen, te worden beoordeeld. Alleen onder die voorwaarde stemt [verweerster] ermee in dat de schadevordering buiten beschouwing wordt gelaten. 1.6 De kantonrechter heeft hierna bepaald dat vandaag een tussenbeschikking wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 Partijen hebben de kantonrechter gevraagd een oordeel te geven over de vraag hoe de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbeslui te verklaren voor recht dat [verweerster] vanaf 30 maart 2018 onder de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds voor de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw valt en vanaf 1 april 2022 onder de verplichtstelling van Pensioenfonds Vlakglas, gebonden is aan de statuten, reglementen en besluiten van Pensioenfonds Vlakglas en premie moet betalen voor al haar (gewezen) werknemers; 2. ( vermeerdering 1) voor het geval (een deel van) de onder 1 bedoelde premievordering verjaard zou zijn: [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de schade die Pensioenfonds Vlakglas heeft geleden doordat [verweerster] vanaf 30 maart 2018, in strijd met de verplichtstelling, zich niet heeft aangesloten en geen premie heeft afgedragen (onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW), althans voor recht te verklaren dat [verweerster] deze schade verschuldigd is, waarbij de schade is te bepalen op de voet van hetgeen in punt 22.1 van het verzoekschrift is beschreven; 3. ( vermeerdering 2) [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de schade die Pensioenfonds Vlakglas heeft geleden doordat [verweerster] vóór 30 maart 2018, in strijd met de verplichtstelling, zich niet heeft aangesloten en geen premie heeft afgedragen (onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW), althans voor recht te verklaren dat [verweerster] deze schade verschuldigd is, waarbij de schade is te bepalen op de voet van hetgeen in punt 22.1 van het verzoekschrift is beschreven; 4. De proceskosten te compenseren conform de tussen partijen gemaakte afspraak, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3.7 Pensioenfonds Vlakglas stelt zich op het standpunt dat [verweerster] onder de werkingssfeer en het verplichtstellingsbesluit valt omdat zij zich bezighoudt met de vervaardiging van artikelen van kunststof. Het tegenverzoek van [verweerster] en de onderbouwing daarvan 3.8 [verweerster] verzoekt na vermeerdering van haar tegenverzoek: 1. primair: te verklaren voor recht dat [verweerster] niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas valt, althans niet over de periode tot 1 juni 2025; 2. subsidiair: te verklaren dat de vordering tot premiebetaling over de periode tot en met 30 maart 2018 is verjaard en dat geen verplichting bestaat tot ondertekening van een vrijwaringsverklaring zoals voorgelegd door Pensioenfonds Vlakglas; 3. meer subsidiair: de vermeerdering van het verzoek af te wijzen, nu geen sprake is van onrechtmatig handelen door [verweerster] en de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd; 4. Pensioenfonds Vlakglas te veroordelen in de kosten van de procedure. 3.9 [verweerster] betwist dat zij onder de verplichtstelling valt. Zij stelt dat zij sinds haar oprichting in 1983 uitsluitend kunststofproducten vervaardigt en nooit actief is geweest in de houtverwerkende industrie of de jachtbouw. Volgens haar blijkt uit de formulering en achtergrond van de werkingssfeer dat ondernemingen die artikelen van kunststof vervaardigen alleen onder de verplichtstelling vallen wanneer deze ondernemingen oorspronkelijk met hout werkten en later zijn overgestapt op kunststof. [verweerster] valt onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas 3.10 De kantonrechter is van oordeel dat de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas in redelijkheid zo moet worden uitgelegd dat een onderneming als [verweerster] , die zich bezighoudt met de vervaardiging van artikelen van kunststof, valt onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit en dat daarvoor niet nodig is dat de onderneming oorspronkelijk met hout werkte en later is overgestapt op kunststof. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Juridisch kader 3.11 Bij de beantwoording van de vraag of [verweerster] valt onder de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit komt het aan op de uitleg van die bepaling. Uitleg van een werkingssfeerbepaling van een verplichtstellingsbesluit dient te geschied Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit deze bepaling voldoende duidelijk dat sociale partners hebben willen voorzien in de mogelijkheid om een materiaal dat als vervanging van hout of kunststof dient onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit te brengen, ongeacht de vraag of dat materiaal op dit moment al bestaat. Ook als een dergelijk materiaal op dit moment nog niet bestaat, kan immers niet worden uitgesloten dat dit in de toekomst wel het geval zal zijn. De uitleg van Pensioenfonds Vlakglas is niet onaannemelijk vanwege de aard van de betrokken werkgeversverenigingen 3.16 [verweerster] stelt dat de uitleg die Pensioenfonds Vlakglas aan de werkingssfeerbepaling geeft onaannemelijk is, omdat uit de aard van de betrokken werkgeversverenigingen – de Nederlandse Emballage- en Palletindustrie Vereniging, de Nederlandse Vereniging van Klompenfabrikanten, Dutch-Man (branchevereniging van Nederlandse borstel-, kwasten- en houtwarenproducenten) en Hiswa-Recron – blijkt dat het moet gaan om (oorspronkelijk) van hout gemaakte producten. Zij stelt dat zij geen enkele binding heeft met de sectoren die door deze werkgeversverenigingen worden vertegenwoordigd. Zij kan geen lid kan worden van deze werkgeversverenigingen en kan daarom ook geen invloed uitoefenen op de totstandkoming van de collectieve pensioenregeling. De functies die in de cao voor de Houtverwerkend Industrie worden beschreven, komen binnen [verweerster] ook niet voor. [verweerster] wijst erop dat ondernemingen als zijzelf tot 1 april 2022 ook niet bij Bpf Hout werden aangesloten, terwijl de werkingssfeerbepaling van beide verplichtstellingsbesluiten overeenkomt en ongewijzigd is gebleven. Dit onderstreept volgens [verweerster] dat sprake is van een onjuiste en te ruime uitleg door Pensioenfonds Vlakglas. 3.17 De omstandigheid dat [verweerster] vóór 1 april 2022 niet bij Bpf Hout werd aangesloten en nu wel bij Pensioenfonds Vlakglas, terwijl de werkingssfeer ongewijzigd is gebleven, kan bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling echter geen rol spelen. Een werkingssfeerbepaling moet immers naar objectieve maatstaven worden uitgelegd en het beleid dat een bedrijfstakpensioenfonds in het verleden heeft gevoerd is daarbij niet relevant. Verder geldt dat een onderneming ook onder de werkingssfeer van een verplichtstellingsbesluit kan vallen als zij niet wordt vertegenwoordigd door een werkgeversorganisatie die de aanvraag voor de verplichtstelling heeft gedaan en zich daar ook niet bij kan aansluiten. Het criterium van representativiteit is van belang voor de vraag of de minister een verplichtstelling kan vaststellen, maar speelt geen rol bij de uitleg van de werkingssfeer. De werkingssfeer van een verplichtstellingsbesluit en die van een cao in een bepaalde bedrijfstak kunnen ook uiteenlopen. De omstandigheid dat de functies die beschreven worden in de cao voor de Houtverwerkende Industrie binnen [verweerster] niet voorkomen, betekent dus niet dat zij niet onder de werkingssfeer van Pensioenfonds Vlakglas kan vallen. De uitleg die Pensioenfonds Vlakglas aan de werkingssfeerbepaling geeft is daarom niet onaannemelijk. De uitleg van Pensioenfonds Vlakglas is ook niet onaannemelijk vanwege uitspraken van sociale partners 3.18 [verweerster] stelt ten slotte dat haar interpretatie is bevestigd in een overleg op 18 juli 2023 met vertegenwoordigers van Pensioenfonds Vlakglas en haar pensioenuitvoeringsorganisatie AZL. Volgens [verweerster] heeft de vertegenwoordiger van AZL toen toegezegd dat de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit dusdanig zou worden gewijzigd dat de activiteiten van [verweerster] hier niet langer onder zouden vallen. 3.19 Pensioenfonds Vlakglas erkent dat sociale partners een mogelijke wijziging van de werkingssfeer hebben besproken en dat het niet hun bedoeling is geweest om fabrikanten van artikelen van kunststof aan te sluiten. Zij stelt echter terecht dat uitspraken en bedoelingen van sociale partners en de mededeling van de v