Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-18
ECLI:NL:RBMNE:2025:7912
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
34,421 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7912 text/xml public 2026-04-17T12:07:19 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-18 16/387374-24; 16/246112-24 (gev. ttz); 16/030062-19 (vord. tul); 16/180828-22 (vord. tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7912 text/html public 2026-04-17T12:06:47 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7912 Rechtbank Midden-Nederland , 18-12-2025 / 16/387374-24; 16/246112-24 (gev. ttz); 16/030062-19 (vord. tul); 16/180828-22 (vord. tul) Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer acht maanden samen met een ander schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs en softdrugs. Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander een hoeveelheid harddrugs, softdrugs, een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Strafoplegging: gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en hechtenis van 1 maand. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats: Utrecht Parketnummers: 16/387374-24; 16/246112-24 (gev. ttz); 16/030062-19 (vord. tul); 16/180828-22 (vord. tul) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 18 december 2025 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [plaats] , momenteel gedetineerd in: [verblijfplaats] , hierna: de verdachte. 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 december 2025. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. F.M.M. Buijs; de officier van justitie: mr. V.H. van der Horst. De strafzaak tegen de verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (16/387398-24). 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: 16/246112-24 feit 1: op 22 april 2024 in Amersfoort een boksbeugel en een stiletto voorhanden heeft gehad; feit 2: op 22 april 2024 in Amersfoort een mes heeft gedragen, waarvan het lemmet meer dan een snijkant heeft; 16/387374-24 feit 1: in de periode van 1 april 2024 tot en met 3 december 2024 in Amersfoort samen met een ander in cocaïne en MDMA heeft gehandeld; feit 2: in de periode van 1 mei 2024 tot en met 3 december 2024 in Amersfoort samen met een ander in hennep en hasj heeft gehandeld; feit 3 : op 3 december 2024 in Amersfoort samen met een ander opzettelijk 287,7 gram MDMA en 57,60 gram cocaïne aanwezig heeft gehad; feit 4: op 3 december 2024 in Amersfoort samen met een ander opzettelijk 1990 gram hennep en 1700 gram hasj aanwezig heeft gehad; feit 5: op 3 december 2024 in Amersfoort - samen met een ander een vuurwapen en 13 scherpe patronen voorhanden heeft gehad en - een scherp patroon, patroonhulzen en een projectiel voorhanden heeft gehad; De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2 onder parketnummer 16/246112-24, omdat de inbeslaggenomen wapens niet zijn gecategoriseerd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten onder parketnummer 16/387374-24 (samen met een ander) heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging Ten aanzien van parketnummer 16/246112-24 verzoekt de advocaat van de verdachte om de verdachte vrij te spreken van allebei de feiten. Ten aanzien van parketnummer 16/387374-24 verzoekt de advocaat van de verdachte om de verdachte vrij te spreken van feit 3, 4 en 5. De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feit 1 en 2. Volgens de advocaat kan bewezen worden dat de verdachte heeft gehandeld in harddrugs en softdrugs, met uitzondering van de MDMA en voor een kortere pleegperiode dan in de beschuldiging staat. De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Vrijspraak feit 1 en 2 (parketnummer 16/246112-24) De rechtbank oordeelt – net als de officier van justitie en de verdediging - dat feit 1 (het voorhanden hebben van een boksbeugel en een stiletto) en feit 2 (het dragen van een mes waarvan het lemmet meer dan een snijkant heeft) onder parketnummer 16/246112-24 niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De op 22 april 2024 bij de verdachte in beslag genomen voorwerpen zijn niet gecategoriseerd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat dit wapens zijn in de zin van de Wet Wapens en Munitie, zoals in de beschuldiging staat. 3.3.2. Bewezenverklaring feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 van parketnummer 16/387374-24 De rechtbank oordeelt dat feit 1 (medeplegen van de handel in harddrugs), feit 2 (medeplegen van de handel in softdrugs), feit 3 (medeplegen van het voorhanden hebben van harddrugs), feit 4 (het medeplegen van het voorhanden hebben van softdrugs) en feit 5 (het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende scherpe patronen en het voorhanden hebben van een scherp patroon, patroonhulzen en een projectiel) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen. 3.3.3. Bewijsoverwegingen 3.3.3.1 Ten aanzien van feit 1 en 2 (handel in harddrugs en softdrugs) De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte samen met de medeverdachte heeft gehandeld in harddrugs (cocaïne en MDMA) en softdrugs (hennep en hasj). Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van meerdere afnemers volgt dat zij onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat zij in (delen van) de tenlastegelegde periode harddrugs en/of softdrugs hebben gekocht van de verdachte en de medeverdachte. Verschillende afnemers noemen daarbij een voornaam of bijnaam van de verdachte(n), geven een beschrijving van hun uiterlijk en hebben de verdachte en medeverdachte vervolgens herkend op aan hen getoonde politiefoto’s als de dealers van wie zij de verdovende middelen hebben gekocht. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen, mede omdat de afnemers met hun verklaringen niet alleen de verdachten, maar ook zichzelf hebben belast. Dat de verdachten samen hebben gehandeld in drugs wordt daarnaast ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo heeft [A] verklaard dat hij samen met anderen, waaronder [B] , als loopjongen fungeerde voor de verdachten. In opdracht van de medeverdachte (door hem genoemd “ [bijnaam] ”) en verdachte (door hem genoemd “ [bijnaam] ”) bracht hij wiet rond bij afnemers, waarvoor hij werd betaald in geld of met wiet. Deze verklaring vindt steun in het onderzoek aan de in beslag genomen telefoon van [B] . Uit de daarop aangetroffen WhatsApp- berichten blijkt dat [B] contact had met een persoon opgeslagen onder de naam “ [bijnaam] ”. De inhoud van deze gesprekken, waarvan het laatste gesprek dateert van 3 december 2024, gingen constant over de handel in verdovende middelen. In de gesprekken werd door “ [bijnaam] ” opdrachten gegeven voor het afleveren van drugs, waarbij onder meer de bestelling, de locatie en de prijs werden doorgegeven. Toen een verbalisant het contact “ [bijnaam] ” belde, ging een telefoon over die bij de medeverdachte in beslag was genomen. Daarnaast werd op 3 december 2024 waargenomen dat verdachte en medeverdachte vluchtig contact hadden met [B] .
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7912 text/xml public 2026-04-17T12:07:19 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-18 16/387374-24; 16/246112-24 (gev. ttz); 16/030062-19 (vord. tul); 16/180828-22 (vord. tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7912 text/html public 2026-04-17T12:06:47 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7912 Rechtbank Midden-Nederland , 18-12-2025 / 16/387374-24; 16/246112-24 (gev. ttz); 16/030062-19 (vord. tul); 16/180828-22 (vord. tul) Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer acht maanden samen met een ander schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs en softdrugs. Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander een hoeveelheid harddrugs, softdrugs, een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Strafoplegging: gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en hechtenis van 1 maand. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats: Utrecht Parketnummers: 16/387374-24; 16/246112-24 (gev. ttz); 16/030062-19 (vord. tul); 16/180828-22 (vord. tul) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 18 december 2025 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [plaats] , momenteel gedetineerd in: [verblijfplaats] , hierna: de verdachte. 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 december 2025. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. F.M.M. Buijs; de officier van justitie: mr. V.H. van der Horst. De strafzaak tegen de verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (16/387398-24). 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: 16/246112-24 feit 1: op 22 april 2024 in Amersfoort een boksbeugel en een stiletto voorhanden heeft gehad; feit 2: op 22 april 2024 in Amersfoort een mes heeft gedragen, waarvan het lemmet meer dan een snijkant heeft; 16/387374-24 feit 1: in de periode van 1 april 2024 tot en met 3 december 2024 in Amersfoort samen met een ander in cocaïne en MDMA heeft gehandeld; feit 2: in de periode van 1 mei 2024 tot en met 3 december 2024 in Amersfoort samen met een ander in hennep en hasj heeft gehandeld; feit 3 : op 3 december 2024 in Amersfoort samen met een ander opzettelijk 287,7 gram MDMA en 57,60 gram cocaïne aanwezig heeft gehad; feit 4: op 3 december 2024 in Amersfoort samen met een ander opzettelijk 1990 gram hennep en 1700 gram hasj aanwezig heeft gehad; feit 5: op 3 december 2024 in Amersfoort - samen met een ander een vuurwapen en 13 scherpe patronen voorhanden heeft gehad en - een scherp patroon, patroonhulzen en een projectiel voorhanden heeft gehad; De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2 onder parketnummer 16/246112-24, omdat de inbeslaggenomen wapens niet zijn gecategoriseerd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten onder parketnummer 16/387374-24 (samen met een ander) heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging Ten aanzien van parketnummer 16/246112-24 verzoekt de advocaat van de verdachte om de verdachte vrij te spreken van allebei de feiten. Ten aanzien van parketnummer 16/387374-24 verzoekt de advocaat van de verdachte om de verdachte vrij te spreken van feit 3, 4 en 5. De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feit 1 en 2. Volgens de advocaat kan bewezen worden dat de verdachte heeft gehandeld in harddrugs en softdrugs, met uitzondering van de MDMA en voor een kortere pleegperiode dan in de beschuldiging staat. De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Vrijspraak feit 1 en 2 (parketnummer 16/246112-24) De rechtbank oordeelt – net als de officier van justitie en de verdediging - dat feit 1 (het voorhanden hebben van een boksbeugel en een stiletto) en feit 2 (het dragen van een mes waarvan het lemmet meer dan een snijkant heeft) onder parketnummer 16/246112-24 niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De op 22 april 2024 bij de verdachte in beslag genomen voorwerpen zijn niet gecategoriseerd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat dit wapens zijn in de zin van de Wet Wapens en Munitie, zoals in de beschuldiging staat. 3.3.2. Bewezenverklaring feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 van parketnummer 16/387374-24 De rechtbank oordeelt dat feit 1 (medeplegen van de handel in harddrugs), feit 2 (medeplegen van de handel in softdrugs), feit 3 (medeplegen van het voorhanden hebben van harddrugs), feit 4 (het medeplegen van het voorhanden hebben van softdrugs) en feit 5 (het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende scherpe patronen en het voorhanden hebben van een scherp patroon, patroonhulzen en een projectiel) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen. 3.3.3. Bewijsoverwegingen 3.3.3.1 Ten aanzien van feit 1 en 2 (handel in harddrugs en softdrugs) De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte samen met de medeverdachte heeft gehandeld in harddrugs (cocaïne en MDMA) en softdrugs (hennep en hasj). Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van meerdere afnemers volgt dat zij onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat zij in (delen van) de tenlastegelegde periode harddrugs en/of softdrugs hebben gekocht van de verdachte en de medeverdachte. Verschillende afnemers noemen daarbij een voornaam of bijnaam van de verdachte(n), geven een beschrijving van hun uiterlijk en hebben de verdachte en medeverdachte vervolgens herkend op aan hen getoonde politiefoto’s als de dealers van wie zij de verdovende middelen hebben gekocht. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen, mede omdat de afnemers met hun verklaringen niet alleen de verdachten, maar ook zichzelf hebben belast. Dat de verdachten samen hebben gehandeld in drugs wordt daarnaast ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo heeft [A] verklaard dat hij samen met anderen, waaronder [B] , als loopjongen fungeerde voor de verdachten. In opdracht van de medeverdachte (door hem genoemd “ [bijnaam] ”) en verdachte (door hem genoemd “ [bijnaam] ”) bracht hij wiet rond bij afnemers, waarvoor hij werd betaald in geld of met wiet. Deze verklaring vindt steun in het onderzoek aan de in beslag genomen telefoon van [B] . Uit de daarop aangetroffen WhatsApp- berichten blijkt dat [B] contact had met een persoon opgeslagen onder de naam “ [bijnaam] ”. De inhoud van deze gesprekken, waarvan het laatste gesprek dateert van 3 december 2024, gingen constant over de handel in verdovende middelen. In de gesprekken werd door “ [bijnaam] ” opdrachten gegeven voor het afleveren van drugs, waarbij onder meer de bestelling, de locatie en de prijs werden doorgegeven. Toen een verbalisant het contact “ [bijnaam] ” belde, ging een telefoon over die bij de medeverdachte in beslag was genomen. Daarnaast werd op 3 december 2024 waargenomen dat verdachte en medeverdachte vluchtig contact hadden met [B] .
Volledig
Tot slot vindt het voorgaande steun in de bij de verdachte en medeverdachte aangetroffen voorraad harddrugs en softdrugs, zoals bewezen zal worden verklaard onder feit 3 en 4. Dit zal nader worden besproken in paragraaf 3.3.3.2. Handel in MDMA Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er voldoende bewijs is dat de verdachte en medeverdachte ook hebben gehandeld in MDMA. Afnemer [C] heeft verklaard dat hij eenmaal MDMA heeft besteld. Dat hij geen (bij)naam van de dealers kon noemen en dat hem geen foto’s ter herkenning zijn voorgehouden, doet niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. De rechtbank betrekt hierbij dat [C] heeft verklaard dat het telefoonnummer van de dealer [telefoonnummer] was. De gesprekken met de andere afnemers, die als bijlage bij de betreffende verhoren zijn gevoegd, zijn ook met dit telefoonnummer gevoerd waardoor aannemelijk is dat dit om dezelfde dealer(s) gaat. Daarnaast blijkt uit het chatgesprek tussen [B] en “ [bijnaam] ”, waarvan eerder is vastgesteld dat het contact “ [bijnaam] ” gekoppeld is aan een bij de medeverdachte in beslag genomen telefoon, dat opdrachten werden gegeven voor het afleveren van drugs op bepaalde locaties. Een van de bestellingen ging om MDMA. Tot slot vindt het voorgaande steun in de bij de verdachte en medeverdachte aangetroffen voorraad van MDMA, zoals verder wordt besproken in paragraaf 3.3.3.2. Gelet op dit alles oordeelt de rechtbank dat is bewezen dat de verdachte, samen met de medeverdachte, ook heeft gehandeld in MDMA. Dat deze handel mogelijk minder frequent heeft plaatsgevonden dan bijvoorbeeld de handel in cocaïne, doet aan de bewezenverklaring niet af. Pleegperiode harddrugs (feit 1) De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van een deel van de tenlastegelegde periode, namelijk van 1 april tot en met 25 april 2024. Anders dan de verdediging komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de gehele tenlastegelegde periode. Afnemer [D] heeft gedetailleerd verklaard dat zij eerder, ongeveer twee jaar geleden, cocaïne kocht bij de verdachte. Zij heeft verklaard dat zij vervolgens enige tijd bij een andere dealer kocht, maar dat zij, nadat deze dealer was opgepakt, opnieuw bij de verdachte is gaan kopen. Uit het politiesysteem blijkt dat deze andere dealer op 12 maart 2024 was opgepakt. Vanaf dat moment heeft de afnemer haar drugs dus weer bij de verdachte gekocht. De afnemer noemt daarbij meerdere concrete details. Zo noemt zij de naam van de verdachte en de medeverdachte, het dealtelefoonnummer dat werd gebruikt en een beschrijving van het uiterlijk van de dealers. Daarnaast heeft zij de verdachte en medeverdachte herkend op aan haar getoonde foto’s als de dealers. Zoals eerder overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaring, mede omdat zij hiermee niet alleen de verdachten, maar ook zichzelf belast. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verdachte al vóór de tenlastegelegde periode harddrugs verkocht. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de gehele tenlastegelegde periode. Pleegperiode softdrugs (feit 2) De verdediging heeft aangevoerd dat met betrekking tot de handel in softdrugs slechts een pleegperiode van 7 september 2024 tot en met 26 november 2024 bewezen kan worden verklaard. De rechtbank is op basis van de verklaringen van afnemers [E] en [F] van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachten vanaf begin september hebben gehandeld in softdrugs. Het enkele WhatsApp-bericht tussen [E] en de dealertelefoon van 1 mei 2024 is onvoldoende om aan te nemen dat het dealen op een eerder moment is gestart nu dit bericht geen inhoud heeft en het een zogenaamd systeembericht betreft. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat is bewezen dat de verdachte in ieder geval vanaf 7 september 2024 heeft gehandeld in softdrugs. De rechtbank acht bewezen dat het dealen van softdrugs is doorgegaan tot aan de aanhouding op 3 december 2024, omdat in de bij de verdachten in gebruik zijnde woning aan de Trombonestraat op die dag een grote hoeveelheid softdrugs is aangetroffen. Medeplegen ten aanzien van feit 1 en feit 2 Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt bij de drugshandel, zodat medeplegen bewezen kan worden. Zo blijkt onder andere uit de waarnemingen door de verbalisanten dat de verdachten steeds samen gezien werden, maar blijkt ook uit de verklaringen van de verschillende afnemers en getuigen dat de verdachten gezamenlijk als dealers opereerden en een gelijkwaardige rol hadden bij de drugshandel. 3.3.3.2. Ten aanzien van feit 3 en 4 (opzettelijk voorhanden hebben harddrugs en softdrugs) Vaststaat dat op 3 december 2024 bij een doorzoeking van de woning aan de [adres 2] in [plaats] (onder andere) een grote hoeveelheid harddrugs en softdrugs is aangetroffen en in beslag genomen. Deze verdovende middelen werden aangetroffen in een kamer rechts naast de ingang van de woning. Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van harddrugs en softdrugs is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs en dat hij daarover feitelijke beschikkingsmacht had op 3 december 2024. [G] , de feitelijke bewoner van de woning, heeft hierover verklaard dat hij door twee jongens werd benaderd met de vraag of zij voor twee á drie dagen per week een gedeelte van zijn woning mochten gebruiken. De jongens noemden zichzelf ‘ [bijnaam] ’ en ‘ [bijnaam] ’. [G] stemde hiermee in en kreeg hiervoor 200 euro per week. Hij heeft verklaard dat hij op enig moment op hun verzoek de huissleutel aan hen heeft gegeven en dat zij sinds kort een gedeelte van de woning gebruiken als stashplek voor verdovende middelen. Op aan hem getoonde foto’s herkende hij de verdachte als degene die zichzelf ‘ [bijnaam] ’ noemde en de medeverdachte als degene die zichzelf ‘ [bijnaam] ’ noemde. De aangetroffen drugs is volgens [G] dan ook van de verdachten. Hoewel de verdachte en de medeverdachte niet de bewoners waren van de woning aan de [adres 2] in [plaats] , blijkt uit de bewijsmiddelen wel dat zij samen veelvuldig in de woning aanwezig waren. Zo werd onder andere op 3 december 2024, de dag van hun aanhouding, waargenomen dat de verdachte en medeverdachte samen de woning binnen gingen, samen de woning weer uit gingen en dat zij naast de flat vervolgens kort contact hadden met [B] . Bovendien is bij de aanhouding van de verdachte de sleutel van de woning bij hem aangetroffen. Ook heeft [A] verklaard dat hij een paar keer in de woning is geweest met verdachte(n) terwijl [G] niet aanwezig was. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de bewezenverklaring van feit 1 en 2 volgt dat de verdachten zich samen veelvuldig bezighielden met de handel in harddrugs en softdrugs. Het aantreffen van een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen in een woning waar zij toegang toe hadden en regelmatig verbleven, past bij deze handelsactiviteiten. Gelet op al deze omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de woning aan de [adres 2] door de verdachte en de medeverdachte werd gebruikt als opslagplek voor verdovende middelen, dat de aangetroffen verdovende middelen hun gezamenlijke voorraad was en dat zij dus wetenschap hadden van de aanwezigheid daarvan. In het licht bezien van de bewezen drugshandel onder feit 1 en 2 kan het ook niet anders dan dat de aangetroffen hoeveelheden drugs voor deze drugshandel bestemd was. Nu zij de woning zelfstandig konden betreden – en dit ook daadwerkelijk hebben gedaan, zelfs wanneer de feitelijke bewoner afwezig was – vindt de rechtbank bewezen dat zij gezamenlijk de feitelijke beschikkingsmacht hadden over de in de woning aangetroffen harddrugs en softdrugs. Medeplegen Gelet op het gezamenlijke initiatief van de verdachten om de woning van [G] te gebruiken als stashlocatie, het gezamenlijk verkrijgen en gebruiken van de sleutel, de gezamenlijke drugshandel en de gezamenlijke aanwezigheid in de woning, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte.
Volledig
Tot slot vindt het voorgaande steun in de bij de verdachte en medeverdachte aangetroffen voorraad harddrugs en softdrugs, zoals bewezen zal worden verklaard onder feit 3 en 4. Dit zal nader worden besproken in paragraaf 3.3.3.2. Handel in MDMA Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er voldoende bewijs is dat de verdachte en medeverdachte ook hebben gehandeld in MDMA. Afnemer [C] heeft verklaard dat hij eenmaal MDMA heeft besteld. Dat hij geen (bij)naam van de dealers kon noemen en dat hem geen foto’s ter herkenning zijn voorgehouden, doet niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. De rechtbank betrekt hierbij dat [C] heeft verklaard dat het telefoonnummer van de dealer [telefoonnummer] was. De gesprekken met de andere afnemers, die als bijlage bij de betreffende verhoren zijn gevoegd, zijn ook met dit telefoonnummer gevoerd waardoor aannemelijk is dat dit om dezelfde dealer(s) gaat. Daarnaast blijkt uit het chatgesprek tussen [B] en “ [bijnaam] ”, waarvan eerder is vastgesteld dat het contact “ [bijnaam] ” gekoppeld is aan een bij de medeverdachte in beslag genomen telefoon, dat opdrachten werden gegeven voor het afleveren van drugs op bepaalde locaties. Een van de bestellingen ging om MDMA. Tot slot vindt het voorgaande steun in de bij de verdachte en medeverdachte aangetroffen voorraad van MDMA, zoals verder wordt besproken in paragraaf 3.3.3.2. Gelet op dit alles oordeelt de rechtbank dat is bewezen dat de verdachte, samen met de medeverdachte, ook heeft gehandeld in MDMA. Dat deze handel mogelijk minder frequent heeft plaatsgevonden dan bijvoorbeeld de handel in cocaïne, doet aan de bewezenverklaring niet af. Pleegperiode harddrugs (feit 1) De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van een deel van de tenlastegelegde periode, namelijk van 1 april tot en met 25 april 2024. Anders dan de verdediging komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de gehele tenlastegelegde periode. Afnemer [D] heeft gedetailleerd verklaard dat zij eerder, ongeveer twee jaar geleden, cocaïne kocht bij de verdachte. Zij heeft verklaard dat zij vervolgens enige tijd bij een andere dealer kocht, maar dat zij, nadat deze dealer was opgepakt, opnieuw bij de verdachte is gaan kopen. Uit het politiesysteem blijkt dat deze andere dealer op 12 maart 2024 was opgepakt. Vanaf dat moment heeft de afnemer haar drugs dus weer bij de verdachte gekocht. De afnemer noemt daarbij meerdere concrete details. Zo noemt zij de naam van de verdachte en de medeverdachte, het dealtelefoonnummer dat werd gebruikt en een beschrijving van het uiterlijk van de dealers. Daarnaast heeft zij de verdachte en medeverdachte herkend op aan haar getoonde foto’s als de dealers. Zoals eerder overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaring, mede omdat zij hiermee niet alleen de verdachten, maar ook zichzelf belast. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verdachte al vóór de tenlastegelegde periode harddrugs verkocht. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de gehele tenlastegelegde periode. Pleegperiode softdrugs (feit 2) De verdediging heeft aangevoerd dat met betrekking tot de handel in softdrugs slechts een pleegperiode van 7 september 2024 tot en met 26 november 2024 bewezen kan worden verklaard. De rechtbank is op basis van de verklaringen van afnemers [E] en [F] van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachten vanaf begin september hebben gehandeld in softdrugs. Het enkele WhatsApp-bericht tussen [E] en de dealertelefoon van 1 mei 2024 is onvoldoende om aan te nemen dat het dealen op een eerder moment is gestart nu dit bericht geen inhoud heeft en het een zogenaamd systeembericht betreft. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat is bewezen dat de verdachte in ieder geval vanaf 7 september 2024 heeft gehandeld in softdrugs. De rechtbank acht bewezen dat het dealen van softdrugs is doorgegaan tot aan de aanhouding op 3 december 2024, omdat in de bij de verdachten in gebruik zijnde woning aan de Trombonestraat op die dag een grote hoeveelheid softdrugs is aangetroffen. Medeplegen ten aanzien van feit 1 en feit 2 Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt bij de drugshandel, zodat medeplegen bewezen kan worden. Zo blijkt onder andere uit de waarnemingen door de verbalisanten dat de verdachten steeds samen gezien werden, maar blijkt ook uit de verklaringen van de verschillende afnemers en getuigen dat de verdachten gezamenlijk als dealers opereerden en een gelijkwaardige rol hadden bij de drugshandel. 3.3.3.2. Ten aanzien van feit 3 en 4 (opzettelijk voorhanden hebben harddrugs en softdrugs) Vaststaat dat op 3 december 2024 bij een doorzoeking van de woning aan de [adres 2] in [plaats] (onder andere) een grote hoeveelheid harddrugs en softdrugs is aangetroffen en in beslag genomen. Deze verdovende middelen werden aangetroffen in een kamer rechts naast de ingang van de woning. Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van harddrugs en softdrugs is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs en dat hij daarover feitelijke beschikkingsmacht had op 3 december 2024. [G] , de feitelijke bewoner van de woning, heeft hierover verklaard dat hij door twee jongens werd benaderd met de vraag of zij voor twee á drie dagen per week een gedeelte van zijn woning mochten gebruiken. De jongens noemden zichzelf ‘ [bijnaam] ’ en ‘ [bijnaam] ’. [G] stemde hiermee in en kreeg hiervoor 200 euro per week. Hij heeft verklaard dat hij op enig moment op hun verzoek de huissleutel aan hen heeft gegeven en dat zij sinds kort een gedeelte van de woning gebruiken als stashplek voor verdovende middelen. Op aan hem getoonde foto’s herkende hij de verdachte als degene die zichzelf ‘ [bijnaam] ’ noemde en de medeverdachte als degene die zichzelf ‘ [bijnaam] ’ noemde. De aangetroffen drugs is volgens [G] dan ook van de verdachten. Hoewel de verdachte en de medeverdachte niet de bewoners waren van de woning aan de [adres 2] in [plaats] , blijkt uit de bewijsmiddelen wel dat zij samen veelvuldig in de woning aanwezig waren. Zo werd onder andere op 3 december 2024, de dag van hun aanhouding, waargenomen dat de verdachte en medeverdachte samen de woning binnen gingen, samen de woning weer uit gingen en dat zij naast de flat vervolgens kort contact hadden met [B] . Bovendien is bij de aanhouding van de verdachte de sleutel van de woning bij hem aangetroffen. Ook heeft [A] verklaard dat hij een paar keer in de woning is geweest met verdachte(n) terwijl [G] niet aanwezig was. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de bewezenverklaring van feit 1 en 2 volgt dat de verdachten zich samen veelvuldig bezighielden met de handel in harddrugs en softdrugs. Het aantreffen van een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen in een woning waar zij toegang toe hadden en regelmatig verbleven, past bij deze handelsactiviteiten. Gelet op al deze omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de woning aan de [adres 2] door de verdachte en de medeverdachte werd gebruikt als opslagplek voor verdovende middelen, dat de aangetroffen verdovende middelen hun gezamenlijke voorraad was en dat zij dus wetenschap hadden van de aanwezigheid daarvan. In het licht bezien van de bewezen drugshandel onder feit 1 en 2 kan het ook niet anders dan dat de aangetroffen hoeveelheden drugs voor deze drugshandel bestemd was. Nu zij de woning zelfstandig konden betreden – en dit ook daadwerkelijk hebben gedaan, zelfs wanneer de feitelijke bewoner afwezig was – vindt de rechtbank bewezen dat zij gezamenlijk de feitelijke beschikkingsmacht hadden over de in de woning aangetroffen harddrugs en softdrugs. Medeplegen Gelet op het gezamenlijke initiatief van de verdachten om de woning van [G] te gebruiken als stashlocatie, het gezamenlijk verkrijgen en gebruiken van de sleutel, de gezamenlijke drugshandel en de gezamenlijke aanwezigheid in de woning, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte.
Volledig
Conclusie De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het voorhanden hebben van de harddrugs (cocaïne en MDMA) en softdrugs (hennep en hasj). 3.3.3.3. Ten aanzien van feit 5 (voorhanden hebben vuurwapen en munitie en voorhanden hebben scherp patroon, patroonhulzen en een projectiel) Naast de verdovende middelen werd in de woning aan de [adres 2] ook een vuurwapen en bijbehorende munitie aangetroffen in een kast in de woonkamer. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachten wetenschap hadden van de aanwezigheid van, en de beschikkingsmacht hadden over, het vuurwapen en de munitie. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat DNA-materiaal van de verdachte op de loop van het vuurwapen, op de trekker(beugel) van het vuurwapen, aan de binnenzijde van het vuurwapen en op het patroonmagazijn is aangetroffen. Op het patroonmagazijn werd ook DNA-materiaal van de medeverdachte aangetroffen. Om de loop van het vuurwapen zat een sok en naast het vuurwapen lag een bivakmuts. Op zowel de sok als de bivakmuts is DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen. De aanwezigheid van het DNA-materiaal van beide verdachten, maar vooral het veelvuldige DNA-materiaal van de verdachte op het vuurwapen, in combinatie met de vindplaats van het wapen (een woning die zij gebruikten als stashlocatie), is sterk bewijs dat zij dit wapen daadwerkelijk in handen hebben gehad. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat het DNA van de verdachten op een andere manier op het vuurwapen en het patroonmagazijn terecht is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachten op enig moment het vuurwapen in handen hebben gehad. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachten ook op 3 december 2024 beschikkingsmacht hadden over het vuurwapen en de munitie in de woning op de [adres 2] . Zoals eerder overwogen bevonden de verdachten zich veelvuldig samen in de woning. Ook op 3 december 2024 zijn de verdachten gezamenlijk de woning binnengegaan. Doordat de verdachte over de sleutels van de woning beschikte waardoor zij toegang hadden tot de woning en de ruimtes daarin, hadden zij ook feitelijke toegang tot alle ruimtes, waaronder de kast waarin het wapen lag. Het vuurwapen bevond zich weliswaar in een kast achter een deurtje, maar deze zat niet op slot. Deze feiten, in combinatie met het op het vuurwapen aangetroffen DNA-materiaal van beide verdachten maakt dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte het vuurwapen en de munitie samen met de medeverdachte voorhanden heeft gehad op 3 december 2024. In de woning van de verdachte is in zijn slaapkamer en berging munitie (een scherp patroon, patroonhulzen en een projectiel) aangetroffen en in beslag genomen. Het verweer van de advocaat dat er (onder andere) geen goednummers zijn gekoppeld aan de goederen en daardoor een ononderbroken herleidbare lijn naar de verdachte ontbreekt, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: 16/387374-24 Feit 1 in de periode van 1 april 2024 tot en met 3 december 2024 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1 en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1; Feit 2 in de periode van 7 september 2024 tot en met 3 december 2024 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, - een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en - een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; Feit 3 op 3 december 2024 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, - ongeveer 278,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en - ongeveer 57,60 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Feit 4 op 3 december 2024 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, 1990 gram hennep, in ieder geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en 1700 gram hasjiesj, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Feit 5 omstreeks 3 december 2024 te Amersfoort, - tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen en/of een pistool, van het merk Springfield Armory, type XDm Elite, kaliber 9xl9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en - tezamen en in vereniging met een of meer anderen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13, scherpe patronen, kaliber 9xl9mm, merk S&B en - munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, scherpe patroon, kaliber 9mm, P.A.K, merk DMA (Umarex) en - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, patroonhuls, kaliber 9mm, merk SB en - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, patroonhuls, kaliber 7.65mmBr, merk SB en - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1 projectiel van origine 9mm voorhanden heeft gehad; De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: 16/387374-24 Feit 1 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; Feit 2 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; Feit 3 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 4 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 5 medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; 4.2 Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf 5.1.
Volledig
Conclusie De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het voorhanden hebben van de harddrugs (cocaïne en MDMA) en softdrugs (hennep en hasj). 3.3.3.3. Ten aanzien van feit 5 (voorhanden hebben vuurwapen en munitie en voorhanden hebben scherp patroon, patroonhulzen en een projectiel) Naast de verdovende middelen werd in de woning aan de [adres 2] ook een vuurwapen en bijbehorende munitie aangetroffen in een kast in de woonkamer. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachten wetenschap hadden van de aanwezigheid van, en de beschikkingsmacht hadden over, het vuurwapen en de munitie. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat DNA-materiaal van de verdachte op de loop van het vuurwapen, op de trekker(beugel) van het vuurwapen, aan de binnenzijde van het vuurwapen en op het patroonmagazijn is aangetroffen. Op het patroonmagazijn werd ook DNA-materiaal van de medeverdachte aangetroffen. Om de loop van het vuurwapen zat een sok en naast het vuurwapen lag een bivakmuts. Op zowel de sok als de bivakmuts is DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen. De aanwezigheid van het DNA-materiaal van beide verdachten, maar vooral het veelvuldige DNA-materiaal van de verdachte op het vuurwapen, in combinatie met de vindplaats van het wapen (een woning die zij gebruikten als stashlocatie), is sterk bewijs dat zij dit wapen daadwerkelijk in handen hebben gehad. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat het DNA van de verdachten op een andere manier op het vuurwapen en het patroonmagazijn terecht is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachten op enig moment het vuurwapen in handen hebben gehad. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachten ook op 3 december 2024 beschikkingsmacht hadden over het vuurwapen en de munitie in de woning op de [adres 2] . Zoals eerder overwogen bevonden de verdachten zich veelvuldig samen in de woning. Ook op 3 december 2024 zijn de verdachten gezamenlijk de woning binnengegaan. Doordat de verdachte over de sleutels van de woning beschikte waardoor zij toegang hadden tot de woning en de ruimtes daarin, hadden zij ook feitelijke toegang tot alle ruimtes, waaronder de kast waarin het wapen lag. Het vuurwapen bevond zich weliswaar in een kast achter een deurtje, maar deze zat niet op slot. Deze feiten, in combinatie met het op het vuurwapen aangetroffen DNA-materiaal van beide verdachten maakt dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte het vuurwapen en de munitie samen met de medeverdachte voorhanden heeft gehad op 3 december 2024. In de woning van de verdachte is in zijn slaapkamer en berging munitie (een scherp patroon, patroonhulzen en een projectiel) aangetroffen en in beslag genomen. Het verweer van de advocaat dat er (onder andere) geen goednummers zijn gekoppeld aan de goederen en daardoor een ononderbroken herleidbare lijn naar de verdachte ontbreekt, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: 16/387374-24 Feit 1 in de periode van 1 april 2024 tot en met 3 december 2024 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1 en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1; Feit 2 in de periode van 7 september 2024 tot en met 3 december 2024 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, - een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en - een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; Feit 3 op 3 december 2024 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, - ongeveer 278,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en - ongeveer 57,60 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Feit 4 op 3 december 2024 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, 1990 gram hennep, in ieder geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en 1700 gram hasjiesj, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Feit 5 omstreeks 3 december 2024 te Amersfoort, - tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen en/of een pistool, van het merk Springfield Armory, type XDm Elite, kaliber 9xl9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en - tezamen en in vereniging met een of meer anderen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13, scherpe patronen, kaliber 9xl9mm, merk S&B en - munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, scherpe patroon, kaliber 9mm, P.A.K, merk DMA (Umarex) en - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, patroonhuls, kaliber 9mm, merk SB en - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, patroonhuls, kaliber 7.65mmBr, merk SB en - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1 projectiel van origine 9mm voorhanden heeft gehad; De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: 16/387374-24 Feit 1 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; Feit 2 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; Feit 3 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 4 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 5 medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; 4.2 Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf 5.1.
Volledig
Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld: - ten aanzien van feit 1, 3, 4 en 5 tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de medeverdachte; - ten aanzien van feit 2 tot een gevangenisstraf (hechtenis) van één maand. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt om bij een bewezenverklaring voor wat betreft het onvoorwaardelijke strafdeel te volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest en de voorlopige hechtenis op te heffen. De advocaat van de verdachte voert aan dat rekening gehouden moet worden met het gegeven dat het recente voortgangsverslag van de reclassering is gebaseerd op oudere informatie, omdat de reclassering de verdachte na de opheffing van de schorsing niet meer heeft bezocht. De verdachte is gemotiveerd om zich aan alle eventuele op te leggen bijzondere voorwaarden te houden. Daarnaast verzoekt de advocaat om bij de hoogte van de straf rekening te houden met het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, dat het aantal afnemers beperkt was en dat de pleegperiode aan de ondergrens van de oriëntatiepunten ligt. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer acht maanden samen met een ander (medeverdachte) schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs en softdrugs. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander voorhanden hebben van een hoeveelheid harddrugs en softdrugs. De handel in verdovende middelen, in het bijzonder harddrugs, levert een ernstig gevaar op voor de gezondheid van de gebruikers en gaat vaak gepaard met overlast voor de samenleving en andere ernstige vormen van criminaliteit. De verdachte heeft als dealer een essentiële bijdrage geleverd aan het in stand houden van het criminele drugscircuit met alle kwalijke neveneffecten die daarbij komen. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze gevolgen, maar was alleen maar gericht op zijn eigen financiële gewin. Dit blijkt temeer nu de verdachte met de medeverdachte minderjarige jongens, waarvan een zelfs nog maar dertien jaar oud was, heeft ingezet als loopjongens om de drugs af te leveren in ruil voor geld of softdrugs. Het betrekken van zulke jonge kinderen in een wereld van de zware criminaliteit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De verdachte heeft daarnaast ook samen de medeverdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen met bijbehorende munitie brengt een risico voor de veiligheid van personen met zich mee, omdat het bezit daarvan maar al te vaak leidt tot het gebruik daarvan. Dat het vuurwapen werd aangetroffen in dezelfde context als de drugshandel, vindt de rechtbank zorgelijk. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 23 september 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, maar wel voor soortgelijke feiten in het kader van de Wet Wapens en Munitie. De verdachte liep bovendien wat betreft dat feit nog in een proeftijd. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt het strafblad daarom in strafverzwarende zin mee. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het voortgangsverslag van de reclassering van 17 november 2025. Daaruit volgt dat na de schorsing van de verdachte op 13 juni 2025 in een korte tijd op alle leefgebieden lijnen werden uitgezet die tot een stabiele situatie voor de verdachte zou moeten leiden. Zo werd er onder andere voor de verdachte gezocht naar dagbesteding, een woontraject en was er aandacht voor zingeving in de vorm van gesprekken met een imam. Op 1 augustus 2025 kwam de melding binnen dat de verdachte wederom was aangehouden vanwege een strafbaar feit en dat zijn schorsing werd opgeheven. De conclusie van de reclassering is dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de kansen die hem zijn geboden en dat hij heeft gekozen voor het vervolgen van zijn criminele pad. Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het uitgangspunt voor meerderjarigen is voor het dealen in harddrugs gedurende een periode van zes tot twaalf maanden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden. Voor het aanwezig hebben van de hoeveelheid harddrugs die de verdachte had, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, en voor de hoeveelheid softdrugs die de verdachte voorhanden had, geldt als uitgangspunt een taakstraf van 180 uur. Tot slot geldt als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een pistool in een woning een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. De rechtbank neemt als strafverzwarend mee dat de verdachte de feiten samen met een ander (in vereniging) heeft gepleegd en dat zij bij de drugshandel minderjarige jongens hebben ingezet om de soft- en harddrugs te bezorgen. Wat betreft het vuurwapen weegt strafverzwarend mee dat het vuurwapen al geladen was met bijpassende munitie, dat de verdachte al eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en dat het dossier verschillende getuigenverklaringen bevat die aanwijzingen geven dat de verdachte ook daadwerkelijk met een vuurwapen heeft rondgelopen. Gelet op de ernst van de feiten kan volgens de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank vindt dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zal daarom deze eis grotendeels volgen. De rechtbank legt aan de verdachte voor feit 1, 3, 4 en 5 een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van acht maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank wel aanleiding om naast het contactverbod met de medeverdachte nog andere bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. Uit het voortgangsverslag van de reclassering blijkt dat zij sinds de opheffing van de schorsing van de verdachte geen contact meer hebben gezocht met hem. Het verslag is hierdoor gebaseerd op oudere informatie. De verdachte heeft op de zitting aangegeven hulp te kunnen gebruiken en ook hulp te willen aanvaarden om zijn leven weer op de rit te krijgen. Gelet op de relatief jonge leeftijd van de verdachte, wil de rechtbank hem deze kans geven. Het is aan de verdachte om te laten zien dat hij daar nu ook daadwerkelijk gebruik van gaat maken. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel dezelfde voorwaarden verbinden zoals deze aan de verdachte waren opgelegd tijdens de eerdere schorsing. De bijzondere voorwaarden staan hierna vermeld (zie: 9. De beslissing). Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte voor feit 2 (de overtreding) een hechtenis op voor de duur van één maand. De voorlopige hechtenis Gelet op de bewezenverklaarde feiten en de opgelegde straffen ziet de rechtbank geen reden om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. 6 In beslag genomen voorwerpen 6.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen geldbedragen verbeurd moet worden verklaard. 6.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte geeft aan dat de verdachte afstand doet van het geldbedrag dat bij hem in beslag is genomen (€ 560,00).
Volledig
Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld: - ten aanzien van feit 1, 3, 4 en 5 tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de medeverdachte; - ten aanzien van feit 2 tot een gevangenisstraf (hechtenis) van één maand. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt om bij een bewezenverklaring voor wat betreft het onvoorwaardelijke strafdeel te volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest en de voorlopige hechtenis op te heffen. De advocaat van de verdachte voert aan dat rekening gehouden moet worden met het gegeven dat het recente voortgangsverslag van de reclassering is gebaseerd op oudere informatie, omdat de reclassering de verdachte na de opheffing van de schorsing niet meer heeft bezocht. De verdachte is gemotiveerd om zich aan alle eventuele op te leggen bijzondere voorwaarden te houden. Daarnaast verzoekt de advocaat om bij de hoogte van de straf rekening te houden met het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, dat het aantal afnemers beperkt was en dat de pleegperiode aan de ondergrens van de oriëntatiepunten ligt. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer acht maanden samen met een ander (medeverdachte) schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs en softdrugs. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander voorhanden hebben van een hoeveelheid harddrugs en softdrugs. De handel in verdovende middelen, in het bijzonder harddrugs, levert een ernstig gevaar op voor de gezondheid van de gebruikers en gaat vaak gepaard met overlast voor de samenleving en andere ernstige vormen van criminaliteit. De verdachte heeft als dealer een essentiële bijdrage geleverd aan het in stand houden van het criminele drugscircuit met alle kwalijke neveneffecten die daarbij komen. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze gevolgen, maar was alleen maar gericht op zijn eigen financiële gewin. Dit blijkt temeer nu de verdachte met de medeverdachte minderjarige jongens, waarvan een zelfs nog maar dertien jaar oud was, heeft ingezet als loopjongens om de drugs af te leveren in ruil voor geld of softdrugs. Het betrekken van zulke jonge kinderen in een wereld van de zware criminaliteit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De verdachte heeft daarnaast ook samen de medeverdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen met bijbehorende munitie brengt een risico voor de veiligheid van personen met zich mee, omdat het bezit daarvan maar al te vaak leidt tot het gebruik daarvan. Dat het vuurwapen werd aangetroffen in dezelfde context als de drugshandel, vindt de rechtbank zorgelijk. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 23 september 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, maar wel voor soortgelijke feiten in het kader van de Wet Wapens en Munitie. De verdachte liep bovendien wat betreft dat feit nog in een proeftijd. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt het strafblad daarom in strafverzwarende zin mee. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het voortgangsverslag van de reclassering van 17 november 2025. Daaruit volgt dat na de schorsing van de verdachte op 13 juni 2025 in een korte tijd op alle leefgebieden lijnen werden uitgezet die tot een stabiele situatie voor de verdachte zou moeten leiden. Zo werd er onder andere voor de verdachte gezocht naar dagbesteding, een woontraject en was er aandacht voor zingeving in de vorm van gesprekken met een imam. Op 1 augustus 2025 kwam de melding binnen dat de verdachte wederom was aangehouden vanwege een strafbaar feit en dat zijn schorsing werd opgeheven. De conclusie van de reclassering is dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de kansen die hem zijn geboden en dat hij heeft gekozen voor het vervolgen van zijn criminele pad. Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het uitgangspunt voor meerderjarigen is voor het dealen in harddrugs gedurende een periode van zes tot twaalf maanden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden. Voor het aanwezig hebben van de hoeveelheid harddrugs die de verdachte had, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, en voor de hoeveelheid softdrugs die de verdachte voorhanden had, geldt als uitgangspunt een taakstraf van 180 uur. Tot slot geldt als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een pistool in een woning een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. De rechtbank neemt als strafverzwarend mee dat de verdachte de feiten samen met een ander (in vereniging) heeft gepleegd en dat zij bij de drugshandel minderjarige jongens hebben ingezet om de soft- en harddrugs te bezorgen. Wat betreft het vuurwapen weegt strafverzwarend mee dat het vuurwapen al geladen was met bijpassende munitie, dat de verdachte al eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en dat het dossier verschillende getuigenverklaringen bevat die aanwijzingen geven dat de verdachte ook daadwerkelijk met een vuurwapen heeft rondgelopen. Gelet op de ernst van de feiten kan volgens de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank vindt dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zal daarom deze eis grotendeels volgen. De rechtbank legt aan de verdachte voor feit 1, 3, 4 en 5 een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van acht maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank wel aanleiding om naast het contactverbod met de medeverdachte nog andere bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. Uit het voortgangsverslag van de reclassering blijkt dat zij sinds de opheffing van de schorsing van de verdachte geen contact meer hebben gezocht met hem. Het verslag is hierdoor gebaseerd op oudere informatie. De verdachte heeft op de zitting aangegeven hulp te kunnen gebruiken en ook hulp te willen aanvaarden om zijn leven weer op de rit te krijgen. Gelet op de relatief jonge leeftijd van de verdachte, wil de rechtbank hem deze kans geven. Het is aan de verdachte om te laten zien dat hij daar nu ook daadwerkelijk gebruik van gaat maken. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel dezelfde voorwaarden verbinden zoals deze aan de verdachte waren opgelegd tijdens de eerdere schorsing. De bijzondere voorwaarden staan hierna vermeld (zie: 9. De beslissing). Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte voor feit 2 (de overtreding) een hechtenis op voor de duur van één maand. De voorlopige hechtenis Gelet op de bewezenverklaarde feiten en de opgelegde straffen ziet de rechtbank geen reden om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. 6 In beslag genomen voorwerpen 6.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen geldbedragen verbeurd moet worden verklaard. 6.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte geeft aan dat de verdachte afstand doet van het geldbedrag dat bij hem in beslag is genomen (€ 560,00).
Volledig
Het andere geldbedrag (€ 10.250,-) is niet bij de verdachte, maar bij [G] in beslag genomen, waardoor verdachte daar ook geen afstand van kan doen. Voor het overige heeft de advocaat van de verdachte geen standpunt ingenomen over het beslag. 6.3. Oordeel van de rechtbank Verbeurdverklaring De rechtbank zal de volgende in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaren: - 560 euro (G3447024) en - 10250 euro (G3447028). Deze voorwerpen zijn geheel of grotendeels door middel van of uit baten van de onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten (kort gezegd de drugshandel) verkregen. Het geldbedrag van €10.250,00 is weliswaar niet onder de verdachte maar onder [G] in beslag genomen, maar hij heeft verklaard dat het geld niet van hem is. Gelet op de plek en de omstandigheden waaronder het geldbedrag is aangetroffen, gaat de rechtbank ervan uit dat ook dit geldbedrag geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van drugshandel is verkregen en zal daarom ook dit geldbedrag verbeurdverklaren. 7. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/030062-19 op 30 maart 2021 een taakstraf van 100 uur voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Deze proeftijd is tussentijds verlengd met één jaar. Daarnaast heeft de politierechter van deze rechtbank aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/180828-22 op 30 augustus 2022 een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. 7.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. 7.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoek de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf onder parketnummer 16/030062-19 af te wijzen, gelet op het tijdsverloop en de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf onder parketnummer 16/180828-22 af te wijzen, omdat de strafbare feiten in onderhavige zaak niet in verband staan met de oorspronkelijke veroordeling. 7.3. Oordeel van de rechtbank De verdachte heeft zich, gelet op de bewezenverklaring, binnen de proeftijd opnieuw aan meerdere strafbare feiten schuldig gemaakt en daarmee de algemene voorwaarde bij zijn voorwaardelijke veroordelingen overtreden. De verdachte moet een consequentie ondervinden van het feit dat hij, ondanks de lopende proeftijden en het feit dat een proeftijd al eerder is verlengd, opnieuw in de fout is gegaan in plaats van zich te houden aan de gestelde voorwaarden. Kennelijk heeft de verdachte uit de aan hem eerder opgelegde voorwaardelijke straffen geen lering getrokken. Om die reden zal de eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf en gevangenisstraf alsnog ten uitvoer gelegd worden. De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging daarom toewijzen. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 62 van het Wetboek van Strafrecht; artikelen 2, 10, 3 en 11 van de Opiumwet; artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 9 De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 van parketnummer 16/246112-24 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij; bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/387374-24 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt de verdachte voor feit 1, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/387374-24 tot een gevangenisstraf van 24 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 8 maanden , niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast; - als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte: zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur; meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd; gedurende de proeftijd, of zoveel korter als het Openbaar Ministerie nodig vindt, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt de verdachte voor feit 2 van parketnummer 16/387374-24 tot een hechtenis van één (1) maand ; Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/030062-19 - wijst de vordering toe; - gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 30 maart 2021 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uur; Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/180828-22 - wijst de vordering toe; - gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 30 augustus 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken; beslag (feit 1 en 2) - verklaart de volgende voorwerpen verbeurd: 560 euro (G3447024); 10250 euro (G3447028); Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. I.J.B. Corbeij en mr. J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025. De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Volledig
Het andere geldbedrag (€ 10.250,-) is niet bij de verdachte, maar bij [G] in beslag genomen, waardoor verdachte daar ook geen afstand van kan doen. Voor het overige heeft de advocaat van de verdachte geen standpunt ingenomen over het beslag. 6.3. Oordeel van de rechtbank Verbeurdverklaring De rechtbank zal de volgende in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaren: - 560 euro (G3447024) en - 10250 euro (G3447028). Deze voorwerpen zijn geheel of grotendeels door middel van of uit baten van de onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten (kort gezegd de drugshandel) verkregen. Het geldbedrag van €10.250,00 is weliswaar niet onder de verdachte maar onder [G] in beslag genomen, maar hij heeft verklaard dat het geld niet van hem is. Gelet op de plek en de omstandigheden waaronder het geldbedrag is aangetroffen, gaat de rechtbank ervan uit dat ook dit geldbedrag geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van drugshandel is verkregen en zal daarom ook dit geldbedrag verbeurdverklaren. 7. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/030062-19 op 30 maart 2021 een taakstraf van 100 uur voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Deze proeftijd is tussentijds verlengd met één jaar. Daarnaast heeft de politierechter van deze rechtbank aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/180828-22 op 30 augustus 2022 een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. 7.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. 7.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoek de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf onder parketnummer 16/030062-19 af te wijzen, gelet op het tijdsverloop en de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf onder parketnummer 16/180828-22 af te wijzen, omdat de strafbare feiten in onderhavige zaak niet in verband staan met de oorspronkelijke veroordeling. 7.3. Oordeel van de rechtbank De verdachte heeft zich, gelet op de bewezenverklaring, binnen de proeftijd opnieuw aan meerdere strafbare feiten schuldig gemaakt en daarmee de algemene voorwaarde bij zijn voorwaardelijke veroordelingen overtreden. De verdachte moet een consequentie ondervinden van het feit dat hij, ondanks de lopende proeftijden en het feit dat een proeftijd al eerder is verlengd, opnieuw in de fout is gegaan in plaats van zich te houden aan de gestelde voorwaarden. Kennelijk heeft de verdachte uit de aan hem eerder opgelegde voorwaardelijke straffen geen lering getrokken. Om die reden zal de eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf en gevangenisstraf alsnog ten uitvoer gelegd worden. De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging daarom toewijzen. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 62 van het Wetboek van Strafrecht; artikelen 2, 10, 3 en 11 van de Opiumwet; artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 9 De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 van parketnummer 16/246112-24 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij; bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/387374-24 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt de verdachte voor feit 1, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/387374-24 tot een gevangenisstraf van 24 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 8 maanden , niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast; - als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte: zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur; meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd; gedurende de proeftijd, of zoveel korter als het Openbaar Ministerie nodig vindt, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt de verdachte voor feit 2 van parketnummer 16/387374-24 tot een hechtenis van één (1) maand ; Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/030062-19 - wijst de vordering toe; - gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 30 maart 2021 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uur; Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/180828-22 - wijst de vordering toe; - gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 30 augustus 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken; beslag (feit 1 en 2) - verklaart de volgende voorwerpen verbeurd: 560 euro (G3447024); 10250 euro (G3447028); Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. I.J.B. Corbeij en mr. J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025. De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Volledig
Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is (na nadere omschrijving van de tenlastelegging) ten laste gelegd dat: in de zaak met parketnummer 16/387374-24 1 Hij in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 3 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1 en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA , (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1; 2 Hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 3 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, - een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of - een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; 3 hij op of omstreeks 3 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 287,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of - ongeveer 57,60 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 4 hij op of omstreeks 3 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad, - 1990 gram hennep, in ieder geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of - 1700 gram hasjiesj, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 5 hij op of omstreeks 3 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, - tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen en/of een pistool, van het merk Springfield Armory, type XDm Elite, kaliber 9xl9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of - tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13, althans een hoeveelheid scherpe patronen, kaliber 9xl9mm, merk S&B en/of - munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, althans een hoeveelheid scherpe patronen, kaliber 9mm, P.A.K, merk DMA (Umarex) en/of - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, althans een hoeveelheid patroonhulzen, kaliber 9mm, merk SB en/of - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, althans een hoeveelheid patroonhulzen, kaliber 7.65mmBr, merk SB en/of - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, althans een hoeveelheid projectielen van origine 9mm in de zaak met parketnummer 16/246112-24 1 hij op of omstreeks 22 april 2024 te Amersfoort, wapens van categorie I, onder 1 en 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel en/of een stiletto heeft vervaardigd, getransformeerd, voor derden hersteld, overgedragen, voorhanden gehad, gedragen, vervoerd, doen binnenkomen, doen uitgaan; 2 hij op of omstreeks 22 april 2024 te Amersfoort, een wapen van categorie IV, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een blank wapen, namelijk een mes, waarvan het lemmet meer dan een snijkant had heeft gedragen. Bijlage II: Bewijsmiddelen Een proces-verbaal van bevindingen over de waarneming op 11 oktober 2024, voor zover inhoudende: Op 11 oktober 2024 reden wij in [plaats] . Wij zagen dat er voor ons een BMW 5 serie reed. Het voertuig viel ons op omdat de BMW werd bestuurd door een vrouw en dat er twee mannen op de achterbank zaten. Wij zagen dat de BMW naar het tankstation reed. Wij zagen dat een van de mannen uitstapte en hierna enkele seconden kort contact had met een man op een scooter en dat er iets werd overhandigd. Wij zagen dat de man hierna weer in de BMW stapte. De man werd door ons herkend als [medeverdachte] ( de rechtbank begrijpt: medeverdachte) . Wij zagen dat de BMW daarna naar de [straat] in [plaats] reed. Wij zagen dat de twee mannen uitstapten. Wij zagen dat beide mannen de portiek binnengingen welke onder andere toegang geeft tot perceel [adres 2] . Vanaf de foto herkenden wij de mannen als [medeverdachte] en [verdachte] . Een proces-verbaal van bevindingen van de waarneming op 3 december 2024, voor zover inhoudende: 3 december 2024 had ik zicht op het appartementencomplex gevestigd aan de [adres 2] in [plaats] . Ik zag dat [medeverdachte] samen met een andere jongen bij de flat kwam. Deze jongen herkende ik als [verdachte] . Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] op de derde verdieping bij perceel [adres 2] naar binnengingen. Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] niet aanbelde maar vermoedelijk met behulp van een sleutel de deur opende. Enkele minuten later zat ik dat [medeverdachte] en [verdachte] uit de bergingen kwamen. Ik zag dat zij contact hadden met [B] . Ik zag dat [B] vervolgens wegreed op de scooter. Een proces-verbaal van bevindingen van de waarneming op 3 december 2024, voor zover inhoudende: Omstreeks 17.15 uur zag ik een man lopen over de [straat] . Ik zag dat de man, al bellend, zenuwachtig heen en weer liep over de parkeerplaats. Omstreeks 17.35 uur zag ik twee personen uit de woning komen van de [adres 2] . Ik zag dat één van de twee personen richting de man met sport-rugzak liep en ik herkende deze persoon direct als zijnde [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] een plastic zak van de supermarkt Lidl in zijn rechterhand vast had. Ik naderde [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] de eerdergenoemde boodschappentas liet vallen en wegrende in de richting van het portiek van het eerdergenoemde appartementencomplex. Ik bekeek de door [verdachte] weggegooide boodschappentas en zag twee plastic sealbags gevuld met henneptoppen hierin. Een proces-verbaal van insluitingsfouillering medeverdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende: Bij de insluitingsfouillering van [medeverdachte] werden er ook twee mobiele telefoons aangetroffen en inbeslaggenomen. Een proces-verbaal van de verklaring van [G] op 3 december 2024, voor zover inhoudende: V: Waar woon je? A: [adres 2] te [plaats] . Er zijn in de zomer twee jongens bij mij aan de deur gekomen. Ik kende één van hen via iemand anders. Hij noemde zichzelf ‘ [bijnaam] '. ' [bijnaam] ' was altijd samen met een andere jongen. Deze jongen noemde zich ' [bijnaam] '. Ergens in de maand juli kwamen zij samen bij mij thuis. Zij vroegen mij of zij voor 2 a 3 dagen per week een gedeelte van mijn woning mochten gebruiken. Ik stemde hiermee in en kreeg per week 200 euro van de jongens. Vanaf juli waren de jongens 2 a 3 dagen bij mij binnen.
Volledig
Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is (na nadere omschrijving van de tenlastelegging) ten laste gelegd dat: in de zaak met parketnummer 16/387374-24 1 Hij in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 3 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1 en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA , (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1; 2 Hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 3 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, - een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of - een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; 3 hij op of omstreeks 3 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 287,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of - ongeveer 57,60 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 4 hij op of omstreeks 3 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad, - 1990 gram hennep, in ieder geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of - 1700 gram hasjiesj, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 5 hij op of omstreeks 3 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, - tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen en/of een pistool, van het merk Springfield Armory, type XDm Elite, kaliber 9xl9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of - tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13, althans een hoeveelheid scherpe patronen, kaliber 9xl9mm, merk S&B en/of - munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, althans een hoeveelheid scherpe patronen, kaliber 9mm, P.A.K, merk DMA (Umarex) en/of - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, althans een hoeveelheid patroonhulzen, kaliber 9mm, merk SB en/of - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, althans een hoeveelheid patroonhulzen, kaliber 7.65mmBr, merk SB en/of - een onderdeel van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1, althans een hoeveelheid projectielen van origine 9mm in de zaak met parketnummer 16/246112-24 1 hij op of omstreeks 22 april 2024 te Amersfoort, wapens van categorie I, onder 1 en 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel en/of een stiletto heeft vervaardigd, getransformeerd, voor derden hersteld, overgedragen, voorhanden gehad, gedragen, vervoerd, doen binnenkomen, doen uitgaan; 2 hij op of omstreeks 22 april 2024 te Amersfoort, een wapen van categorie IV, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een blank wapen, namelijk een mes, waarvan het lemmet meer dan een snijkant had heeft gedragen. Bijlage II: Bewijsmiddelen Een proces-verbaal van bevindingen over de waarneming op 11 oktober 2024, voor zover inhoudende: Op 11 oktober 2024 reden wij in [plaats] . Wij zagen dat er voor ons een BMW 5 serie reed. Het voertuig viel ons op omdat de BMW werd bestuurd door een vrouw en dat er twee mannen op de achterbank zaten. Wij zagen dat de BMW naar het tankstation reed. Wij zagen dat een van de mannen uitstapte en hierna enkele seconden kort contact had met een man op een scooter en dat er iets werd overhandigd. Wij zagen dat de man hierna weer in de BMW stapte. De man werd door ons herkend als [medeverdachte] ( de rechtbank begrijpt: medeverdachte) . Wij zagen dat de BMW daarna naar de [straat] in [plaats] reed. Wij zagen dat de twee mannen uitstapten. Wij zagen dat beide mannen de portiek binnengingen welke onder andere toegang geeft tot perceel [adres 2] . Vanaf de foto herkenden wij de mannen als [medeverdachte] en [verdachte] . Een proces-verbaal van bevindingen van de waarneming op 3 december 2024, voor zover inhoudende: 3 december 2024 had ik zicht op het appartementencomplex gevestigd aan de [adres 2] in [plaats] . Ik zag dat [medeverdachte] samen met een andere jongen bij de flat kwam. Deze jongen herkende ik als [verdachte] . Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] op de derde verdieping bij perceel [adres 2] naar binnengingen. Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] niet aanbelde maar vermoedelijk met behulp van een sleutel de deur opende. Enkele minuten later zat ik dat [medeverdachte] en [verdachte] uit de bergingen kwamen. Ik zag dat zij contact hadden met [B] . Ik zag dat [B] vervolgens wegreed op de scooter. Een proces-verbaal van bevindingen van de waarneming op 3 december 2024, voor zover inhoudende: Omstreeks 17.15 uur zag ik een man lopen over de [straat] . Ik zag dat de man, al bellend, zenuwachtig heen en weer liep over de parkeerplaats. Omstreeks 17.35 uur zag ik twee personen uit de woning komen van de [adres 2] . Ik zag dat één van de twee personen richting de man met sport-rugzak liep en ik herkende deze persoon direct als zijnde [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] een plastic zak van de supermarkt Lidl in zijn rechterhand vast had. Ik naderde [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] de eerdergenoemde boodschappentas liet vallen en wegrende in de richting van het portiek van het eerdergenoemde appartementencomplex. Ik bekeek de door [verdachte] weggegooide boodschappentas en zag twee plastic sealbags gevuld met henneptoppen hierin. Een proces-verbaal van insluitingsfouillering medeverdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende: Bij de insluitingsfouillering van [medeverdachte] werden er ook twee mobiele telefoons aangetroffen en inbeslaggenomen. Een proces-verbaal van de verklaring van [G] op 3 december 2024, voor zover inhoudende: V: Waar woon je? A: [adres 2] te [plaats] . Er zijn in de zomer twee jongens bij mij aan de deur gekomen. Ik kende één van hen via iemand anders. Hij noemde zichzelf ‘ [bijnaam] '. ' [bijnaam] ' was altijd samen met een andere jongen. Deze jongen noemde zich ' [bijnaam] '. Ergens in de maand juli kwamen zij samen bij mij thuis. Zij vroegen mij of zij voor 2 a 3 dagen per week een gedeelte van mijn woning mochten gebruiken. Ik stemde hiermee in en kreeg per week 200 euro van de jongens. Vanaf juli waren de jongens 2 a 3 dagen bij mij binnen.
Volledig
De jongens wilden al snel een sleutel van mijn woning. Dit wilde ik in eerste instantie niet. Daarna ben ik overstag gegaan en heb ik hen een huissleutel gegeven. Dit was ergens begin september 2024. Ze hadden de dagen dat ze niet bij mij zaten een auto tot hun beschikking. Zij reden dan dus rond. Dit was in eerste instantie een oude 5 serie BMW. Daarna was er een bruinachtige Fiat Panda. Deze auto was van de vrouwelijke chauffeur. De afgelopen tijd reden ze in een bruine/beige kleurige BMW 3 serie. De chauffeur was (…)een vrouw. Ik merkte dat de jongens spullen achterlieten. V: Wat bedoel je met spullen? A: Drugs. V: Hoe zit dat met de drugs die in jouw woning is aangetroffen? A: Alle drugs was van ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] '. V: Heb jij ooit een vuurwapen bij ' [bijnaam] ' of ' [bijnaam] ' gezien? A: Ja, een vuurwapen. Bij ‘ [bijnaam] ’. V: Waren de ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' vandaag bij jou? A: Ja. V: Waar lag de voorraad drugs van de jongens in jouw huis? A: Bij binnenkomst in mijn woning de eerste kamer rechts. De drugs werd in zakken verpakt en daarna in plastic bakken gedaan. De bakken stonden in een stelling. ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' hadden hier een doek overheen gelegd. Het was nog niet lang dat er ook gestasht werd in mijn woning. ‘ [bijnaam] ’ en ‘ [bijnaam] ’ kwamen allebei in deze kamer. Ze verkochten in standaard hoeveelheden. V: Kan jij iets verklaren over de rolverdeling tussen ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] '? A: Ze waren gelijkwaardig aan elkaar. Ze deden niets zonder elkaar. Een proces-verbaal van tweede verhoor op 4 december 2024 met [G] , voor zover inhoudende: O: Wij tonen je een foto (foto verdachte [verdachte] ). A: Dat is ‘ [bijnaam] ’. O: Wij tonen je een foto van een persoon (foto verdachte [medeverdachte] ). A: Dat is ‘ [bijnaam] ’. Een proces-verbaal van de verklaring van [H] op 17 december 2024, inclusief bijlage, voor zover inhoudende: A: Ik heb een vaste drugsdealer. Ik hem als ' [bijnaam] '. Hij was altijd samen met ' [bijnaam] '. Ik kocht alleen cocaïne bij deze jongens. V: Hoe had jij contact met ' [bijnaam] '? A: Via WhatsApp. De ene keer was dit contact met ' [bijnaam] ', de andere keer met ' [bijnaam] '. O: In de WhatsApphistorie zien wij dat jij vanaf 25 april 2024 contact heb met de drugsdealer(s). A: Ergens in april ben ik in contact gekomen met ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] '. Ik heb hun een bericht gestuurd om cocaine bij hun te kopen. V: Hoe vaak kocht jij cocaïne bij hun? A: dagelijks 1 gram cocaïne. O: Verbalisanten tonen een foto van verdachte [verdachte] . A: Ja, dat is ' [bijnaam] ’. O: Verbalisanten tonen een foto van verdachte [medeverdachte] . A: Ja, dat is ' [bijnaam] ’. Uit de Whatsappgesprekken krijgen wij het vermoeden dat jij ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' weleens rondreed. A: Ja. Ik had op dat moment ongeveer 500 a 600 euro schuld openstaan. Ik reed in het begin elke dag voor hen. Ik moest ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' met de auto ophalen op verschillende plekken in Amersfoort. Soms bij [G] ( de rechtbank begrijpt: [G] ) in een flat aan de [straat] te Amersfoort. V: Weet jij op welk huisnummer hij woont? A: [adres 2] . V: Hoe vaak kwam jij met ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' op de [straat] bij [G] ? A: 1 keer per week. Ik wachtte altijd beneden in de auto. ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' gingen dan bij [G] naar binnen. V: Heb jij ooit wapens bij ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' gezien? A: Ja. ‘ [bijnaam] ’ liet het pistool aan mij zien. V: In welke auto reed je hen rond? A: In mijn eigen auto, een Fiat Panda. Na enkele weken ging mijn auto kapot. ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' kochten daarna een auto. Dit was een BMW. V: Weet jij of ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' andere drugs verkochten dan cocaïne? A: Ja, ze verkochten alles. (…), XTC, marihuna, hasj. V: Wat was de rolverdeling tussen ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] '? A: Zij waren gelijk. Zij regelde alles samen en waren ook heel veel samen. Een proces-verbaal van de verklaring van [D] op 10 januari 2025, inclusief bijlage, voor zover inhoudende: V: Wat is het telefoonnummer van de dealer bij wie jij drugs koopt? A: [telefoonnummer] . V: Wat koop jij bij de dealer? A: cocaïne. 2 jaar geleden heb ik voor de eerste keer bij [verdachte] cocaïne gekocht. Daarna een lange periode niet omdat ik bij een Marokkaanse jongen kocht. Deze jongen is begin maart aangehouden en daarna ben ik weer bij [verdachte] gaan kopen. O: Verbalisant weet ambtshalve welke Marokkaanse jongen de getuige bedoeld omdat verbalisant deze aanhouding zelf deed. Bij navraag in de politiesystemen blijkt deze jongen op 12 maart 2024 te zijn aangehouden. V: Wat is de naam van de dealer? A: [verdachte] . V: Weet je waar hij woont? A: De straat is de [straat] in [plaats] . V: Was hij altijd alleen? A: Nee, hij heeft een handlanger met wie hij samen de boel runde. Zijn voornaam was [medeverdachte] . O: Ik toon u een foto van een persoon. (foto 1 verdachte [verdachte] ) A: Dit is [verdachte] . O: Ik toon u een foto van een persoon. (Fotoblad, foto 2 verdachte [medeverdachte] ) A: Dit is die [medeverdachte] . Ik had contact met [verdachte] of [medeverdachte] via WhatsApp met het eerder genoemde telefoonnummer. Dit was een bedrijfsaccount via WhatsApp. Als er gestuurd werd 'ik kom er zo aan' dan kwam [verdachte] of [medeverdachte] . Ze leken gelijkwaardig. Een proces-verbaal van de verklaring van [C] op 9 december 2024, voor zover inhoudende: V: Wat is het telefoonnummer van de dealer bij wie jij drugs koopt? A: [telefoonnummer] . V: Wat koop jij bij de dealer? A: Voornamelijk 3mmc. Ik heb 1 keer mdma gehaald. Een proces-verbaal van de verklaring van [A] op 16 december 2024, inclusief bijlage, voor zover inhoudende: V: We gaan het eerst hebben over de [straat] in Amersfoort. Hoe vaak kom of kwam je hier? A: Er waren geen vaste dagen. Soms 3 soms 5 keer. V: Verdiende je hier de wiet? A: Ja V: Dus je werd betaald in wiet? A: Nee, soms wel geld. V: Wat moest je doen om geld en wiet te ontvangen? A: Dingetjes rond brengen. V: Wat waren die dingetjes? A: Wiet. We kregen klanten, dan telefoontjes en dan locaties. V: Wie bedoel je met wij? A: [B] en [I] en [J] . V: Wie gaf jullie de opdrachten? A: Een vriend van ons. Zijn bijnaam is [bijnaam] . wij noemen hem zo. Hij heeft een baard. A: Is [bijnaam] [verdachte] of [bijnaam] ? A: Ja. V: Wie dan? A: Allebei gewoon. 1tje noemde we [bijnaam] en de ander [bijnaam] . Maakt niet uit wie we aan de lijn hebben, ze zijn allebei hetzelfde. V: Als wij het goed begrijpen geven [bijnaam] en [bijnaam] dus aan jou en 3 vrienden opdrachten om wiet rond te verkopen? A: Ja V: en hoe vaak deed je dit? A: 3 of 5 keer per week. V: Is het dat 1 opdracht of rijdt je de hele dag of middag of avond? A: Gewoon een middag, we krijgen een tas met verschillende wiet. Dan krijgen we een locatie en moeten we daarheen. We kregen een locatie binnen met welke stof ze moesten hebben en welke prijs. Dit kreeg ik per sms binnen. V: dus je bent een loopjongen om drugs rond te brengen? A: Ja. V: Wanneer kwam jij voor het eerst met [bijnaam] en [bijnaam] in aanraking? A: Paar maanden geleden. V: Wie heb jij in die woning gezien? A: Alleen [G] , [bijnaam] en [bijnaam] . V: Hoe vaak ben je daar binnen geweest dan? A: 3 of 4 keer. Ook als [G] er niet was, dan waren [bijnaam] of [bijnaam] er. 0: Verbalisanten laten skdb foto van skn 10447609 ( de rechtbank begrijpt: een foto van de verdachte) A: Dit is [bijnaam] . O: Verbalisanten laten skdb foto van skn 10447738 zien ( de rechtbank begrijpt: een foto van de medeverdachte [medeverdachte] ) V: Wie is dit? A: Dit is [bijnaam] . V: weet jij iets over vuurwapens? A: Ik weet alleen dat er 1 vuurwapen in [G] zijn huis ligt in een sok. En ik weet dat [verdachte] altijd een wapen bij heeft. Een proces-verbaal van verhoor van de verklaring van [E] op 16 januari 2025, inclusief bijlage, voor zover inhoudende: V: Wat koop jij bij de dealer? A: Wiet en Hasj. V: Hoelang koop je al bij de dealer? A: 5/4 maanden.. V: Zou jij de dealer herkennen als ik jou een foto toon? (SKN 10447609) ( de rechtbank begrijpt: een foto van de verdachte) A: Ja ik herken deze persoon als degene die ik één keer heb gezien.
Volledig
De jongens wilden al snel een sleutel van mijn woning. Dit wilde ik in eerste instantie niet. Daarna ben ik overstag gegaan en heb ik hen een huissleutel gegeven. Dit was ergens begin september 2024. Ze hadden de dagen dat ze niet bij mij zaten een auto tot hun beschikking. Zij reden dan dus rond. Dit was in eerste instantie een oude 5 serie BMW. Daarna was er een bruinachtige Fiat Panda. Deze auto was van de vrouwelijke chauffeur. De afgelopen tijd reden ze in een bruine/beige kleurige BMW 3 serie. De chauffeur was (…)een vrouw. Ik merkte dat de jongens spullen achterlieten. V: Wat bedoel je met spullen? A: Drugs. V: Hoe zit dat met de drugs die in jouw woning is aangetroffen? A: Alle drugs was van ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] '. V: Heb jij ooit een vuurwapen bij ' [bijnaam] ' of ' [bijnaam] ' gezien? A: Ja, een vuurwapen. Bij ‘ [bijnaam] ’. V: Waren de ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' vandaag bij jou? A: Ja. V: Waar lag de voorraad drugs van de jongens in jouw huis? A: Bij binnenkomst in mijn woning de eerste kamer rechts. De drugs werd in zakken verpakt en daarna in plastic bakken gedaan. De bakken stonden in een stelling. ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' hadden hier een doek overheen gelegd. Het was nog niet lang dat er ook gestasht werd in mijn woning. ‘ [bijnaam] ’ en ‘ [bijnaam] ’ kwamen allebei in deze kamer. Ze verkochten in standaard hoeveelheden. V: Kan jij iets verklaren over de rolverdeling tussen ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] '? A: Ze waren gelijkwaardig aan elkaar. Ze deden niets zonder elkaar. Een proces-verbaal van tweede verhoor op 4 december 2024 met [G] , voor zover inhoudende: O: Wij tonen je een foto (foto verdachte [verdachte] ). A: Dat is ‘ [bijnaam] ’. O: Wij tonen je een foto van een persoon (foto verdachte [medeverdachte] ). A: Dat is ‘ [bijnaam] ’. Een proces-verbaal van de verklaring van [H] op 17 december 2024, inclusief bijlage, voor zover inhoudende: A: Ik heb een vaste drugsdealer. Ik hem als ' [bijnaam] '. Hij was altijd samen met ' [bijnaam] '. Ik kocht alleen cocaïne bij deze jongens. V: Hoe had jij contact met ' [bijnaam] '? A: Via WhatsApp. De ene keer was dit contact met ' [bijnaam] ', de andere keer met ' [bijnaam] '. O: In de WhatsApphistorie zien wij dat jij vanaf 25 april 2024 contact heb met de drugsdealer(s). A: Ergens in april ben ik in contact gekomen met ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] '. Ik heb hun een bericht gestuurd om cocaine bij hun te kopen. V: Hoe vaak kocht jij cocaïne bij hun? A: dagelijks 1 gram cocaïne. O: Verbalisanten tonen een foto van verdachte [verdachte] . A: Ja, dat is ' [bijnaam] ’. O: Verbalisanten tonen een foto van verdachte [medeverdachte] . A: Ja, dat is ' [bijnaam] ’. Uit de Whatsappgesprekken krijgen wij het vermoeden dat jij ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' weleens rondreed. A: Ja. Ik had op dat moment ongeveer 500 a 600 euro schuld openstaan. Ik reed in het begin elke dag voor hen. Ik moest ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' met de auto ophalen op verschillende plekken in Amersfoort. Soms bij [G] ( de rechtbank begrijpt: [G] ) in een flat aan de [straat] te Amersfoort. V: Weet jij op welk huisnummer hij woont? A: [adres 2] . V: Hoe vaak kwam jij met ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' op de [straat] bij [G] ? A: 1 keer per week. Ik wachtte altijd beneden in de auto. ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' gingen dan bij [G] naar binnen. V: Heb jij ooit wapens bij ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' gezien? A: Ja. ‘ [bijnaam] ’ liet het pistool aan mij zien. V: In welke auto reed je hen rond? A: In mijn eigen auto, een Fiat Panda. Na enkele weken ging mijn auto kapot. ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' kochten daarna een auto. Dit was een BMW. V: Weet jij of ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] ' andere drugs verkochten dan cocaïne? A: Ja, ze verkochten alles. (…), XTC, marihuna, hasj. V: Wat was de rolverdeling tussen ' [bijnaam] ' en ' [bijnaam] '? A: Zij waren gelijk. Zij regelde alles samen en waren ook heel veel samen. Een proces-verbaal van de verklaring van [D] op 10 januari 2025, inclusief bijlage, voor zover inhoudende: V: Wat is het telefoonnummer van de dealer bij wie jij drugs koopt? A: [telefoonnummer] . V: Wat koop jij bij de dealer? A: cocaïne. 2 jaar geleden heb ik voor de eerste keer bij [verdachte] cocaïne gekocht. Daarna een lange periode niet omdat ik bij een Marokkaanse jongen kocht. Deze jongen is begin maart aangehouden en daarna ben ik weer bij [verdachte] gaan kopen. O: Verbalisant weet ambtshalve welke Marokkaanse jongen de getuige bedoeld omdat verbalisant deze aanhouding zelf deed. Bij navraag in de politiesystemen blijkt deze jongen op 12 maart 2024 te zijn aangehouden. V: Wat is de naam van de dealer? A: [verdachte] . V: Weet je waar hij woont? A: De straat is de [straat] in [plaats] . V: Was hij altijd alleen? A: Nee, hij heeft een handlanger met wie hij samen de boel runde. Zijn voornaam was [medeverdachte] . O: Ik toon u een foto van een persoon. (foto 1 verdachte [verdachte] ) A: Dit is [verdachte] . O: Ik toon u een foto van een persoon. (Fotoblad, foto 2 verdachte [medeverdachte] ) A: Dit is die [medeverdachte] . Ik had contact met [verdachte] of [medeverdachte] via WhatsApp met het eerder genoemde telefoonnummer. Dit was een bedrijfsaccount via WhatsApp. Als er gestuurd werd 'ik kom er zo aan' dan kwam [verdachte] of [medeverdachte] . Ze leken gelijkwaardig. Een proces-verbaal van de verklaring van [C] op 9 december 2024, voor zover inhoudende: V: Wat is het telefoonnummer van de dealer bij wie jij drugs koopt? A: [telefoonnummer] . V: Wat koop jij bij de dealer? A: Voornamelijk 3mmc. Ik heb 1 keer mdma gehaald. Een proces-verbaal van de verklaring van [A] op 16 december 2024, inclusief bijlage, voor zover inhoudende: V: We gaan het eerst hebben over de [straat] in Amersfoort. Hoe vaak kom of kwam je hier? A: Er waren geen vaste dagen. Soms 3 soms 5 keer. V: Verdiende je hier de wiet? A: Ja V: Dus je werd betaald in wiet? A: Nee, soms wel geld. V: Wat moest je doen om geld en wiet te ontvangen? A: Dingetjes rond brengen. V: Wat waren die dingetjes? A: Wiet. We kregen klanten, dan telefoontjes en dan locaties. V: Wie bedoel je met wij? A: [B] en [I] en [J] . V: Wie gaf jullie de opdrachten? A: Een vriend van ons. Zijn bijnaam is [bijnaam] . wij noemen hem zo. Hij heeft een baard. A: Is [bijnaam] [verdachte] of [bijnaam] ? A: Ja. V: Wie dan? A: Allebei gewoon. 1tje noemde we [bijnaam] en de ander [bijnaam] . Maakt niet uit wie we aan de lijn hebben, ze zijn allebei hetzelfde. V: Als wij het goed begrijpen geven [bijnaam] en [bijnaam] dus aan jou en 3 vrienden opdrachten om wiet rond te verkopen? A: Ja V: en hoe vaak deed je dit? A: 3 of 5 keer per week. V: Is het dat 1 opdracht of rijdt je de hele dag of middag of avond? A: Gewoon een middag, we krijgen een tas met verschillende wiet. Dan krijgen we een locatie en moeten we daarheen. We kregen een locatie binnen met welke stof ze moesten hebben en welke prijs. Dit kreeg ik per sms binnen. V: dus je bent een loopjongen om drugs rond te brengen? A: Ja. V: Wanneer kwam jij voor het eerst met [bijnaam] en [bijnaam] in aanraking? A: Paar maanden geleden. V: Wie heb jij in die woning gezien? A: Alleen [G] , [bijnaam] en [bijnaam] . V: Hoe vaak ben je daar binnen geweest dan? A: 3 of 4 keer. Ook als [G] er niet was, dan waren [bijnaam] of [bijnaam] er. 0: Verbalisanten laten skdb foto van skn 10447609 ( de rechtbank begrijpt: een foto van de verdachte) A: Dit is [bijnaam] . O: Verbalisanten laten skdb foto van skn 10447738 zien ( de rechtbank begrijpt: een foto van de medeverdachte [medeverdachte] ) V: Wie is dit? A: Dit is [bijnaam] . V: weet jij iets over vuurwapens? A: Ik weet alleen dat er 1 vuurwapen in [G] zijn huis ligt in een sok. En ik weet dat [verdachte] altijd een wapen bij heeft. Een proces-verbaal van verhoor van de verklaring van [E] op 16 januari 2025, inclusief bijlage, voor zover inhoudende: V: Wat koop jij bij de dealer? A: Wiet en Hasj. V: Hoelang koop je al bij de dealer? A: 5/4 maanden.. V: Zou jij de dealer herkennen als ik jou een foto toon? (SKN 10447609) ( de rechtbank begrijpt: een foto van de verdachte) A: Ja ik herken deze persoon als degene die ik één keer heb gezien.
Volledig
Een proces-verbaal van verhoor van [F] op 22 januari 2025, inclusief bijlage, voor zover inhoudende: V: Wat is het telefoonnummer van de dealer bij wie jij drugs koopt? A: [telefoonnummer] . V: Wat koop jij bij de dealer? A: Wiet en hasj. 5 gram per week. V: Hoe lang koop je al bij de dealer A: Rond september of zo. Begin september V: Wat is de naam van de dealer? A: Ik noemde hem [bijnaam] . V: Hoe ziet de dealer er uit? A: Grote baard, ongeveer tot halverwege zijn nek. Lang, ongeveer 175 cm lang. Witte huidskleur, iets ouder dan 20 jaar. Bij tonen van de foto (SKN: 10447609). ( de rechtbank begrijpt; een foto van de verdachte) A: Ja. Ik herken hem aan zijn gezicht, de baardlengte en ook de kleur van zijn haar. V: Zou jij de dealer herkennen als ik jou een foto toon? (SKN: 10447738) ( de rechtbank begrijpt: een foto van medeverdachte [medeverdachte] ) A: Ja, die gezicht ken ik wel van keertje bezorgen. Een proces-verbaal, inhoudende een fotoblad: Foto 1 [foto van het gezicht van een persoon], Omschrijving: verdachte [verdachte] (SKN:10447609) Foto 2 [foto van het gezicht van een persoon], Omschrijving: verdachte [medeverdachte] (SKN: 10447738) Een proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek aan de telefoon, voor zover inhoudende: Op 3 december waren er meerdere verdachten aangehouden ter zake handel in soft- en harddrugs. Ik opende de telefoon van verdachte [B] . Ik opende contact " [bijnaam] " in WhatsApp en belde dit telefoonnummer. Ik zag dat één van de telefoons van verdachte [medeverdachte] overging. Verdachte [B] heeft in zijn telefoon, verdachte [medeverdachte] als contact opgeslagen als: " [bijnaam] "; Verdachte [medeverdachte] heeft in zijn telefoon, verdachte [B] als contact opgeslagen als: " [bijnaam] ." In de WhatsApp berichten trof ik een contact aan genaamd: " [bijnaam] .” Het laatste gesprek was op 3 december 2024. In deze gesprekken ging het constant over de handel in verdovende middelen. Uit de gesprekken maakte ik op dat [medeverdachte] de verdachte opdracht gaf om drugs te verhandelen. Hierbij kreeg de verdachte een bestelling, een locatie en een prijs. Meestal liet de verdachte weten of het gelukt was. 4 oktober 2024 [bijnaam] : laat me weten als het gelukt is hij is er Verdachte: is gelukt en ben terug [bijnaam] : Laat alles wat je moest geven bij [G] achter (..) van geld sleutels enzo zorg je laat alles achter (..) 20 oktober 2024 Verdachte: bestelling is gelukt man [bijnaam] : Isgoed bro hebben zo. Miss iemand voor 50g (..) 29 oktober 2024 [bijnaam] : locatie [bijnaam] : 1e locatie 2x5g haze deluxe ?70 2e locatie 2x5g ami haze ?50 3e locatie pof ophalen 4e locatie 4g mdma ?50. Uit de WhatsApp gesprekken blijkt duidelijk dat de verdachte actief was in de handel in verdovende middelen. Een proces-verbaal van bevindingen over het aantreffen van de sleutels, voor zover inhoudende: Op 3 december 2024 is [verdachte] aangehouden in het kader van dit onderzoek. Tijdens zijn aanhouding is een sleutelbos in beslaggenomen. De sleutels aan deze bos geven toegang tot het appartementencomplex waarin de [adres 2] in gevestigd is. Een proces-verbaal van doorzoeking op 3 december 2024, voor zover inhoudende: Op 3 december 2024 omstreeks 18:30 uur werd de woning, [adres 2] te [plaats] betreden. Het betreden van de woning gebeurde middels een huissleutel. De huissleutel zat aan een sleutelbos van verdachte [verdachte] . Bij binnenkomst in de woning bevindt zich rechts een kamer welke hierna 'ruimte 1' genoemd wordt. Voor ruimte 1 bevindt zich een deur. Bij binnenkomst in de woning stond deze deur open. Ruimte 1 In de kamer stond een stellingkast. In de stellingkast stonden meerdere plastic dozen netjes geordend. In de dozen zaten enkele kilo’s soft- en harddrugs. In de woonkamer stond een dressoirkast. Op deze kast stond een doorzichtige plastic doos met daarin gedroogde henneptoppen. In de kast zaten meerdere laden en deurtjes. Achter een van deze deurtjes lag op een plank een vuurwapen, bivakmuts en mes. De bivakmuts en het vuurwapen zijn veiliggesteld en inbeslaggenomen. Een proces-verbaal van testen en wegen aangetroffen hennep en hasj, voor zover inhoudende: Het onderzoek vond plaats naar aanleiding van de doorzoeking van perceel [adres 2] in [plaats] . Bij deze doorzoeking werden onder andere zes plastic bakken/dozen inbeslaggenomen waarin handelsvoorraden hennep en hasj zaten. De plastic bakken werden getest en gewogen. Ik herkende de inhoud van alle plastic bakken als hennep en hasj. Ik zag dat zowel de hennep als de hasj de kleur en de structuur hadden die overeenkwam met die van gedroogde hennep en hasj. Ik rook dat de geur, overeenkwam met de kenmerkende doordringende geur van hennep en hasj. Alle aangetroffen hennep en hasj werden door mij gewogen op een geijkte weegschaal. Het totale gewicht van de hasj bedraagt 1700 gram, het totale gewicht van de hennep bedraagt 1990 gram. Door mij werden van alle dozen van zowel de hennep als de hasj representatieve monsters genomen. Ik zag dat de alle testen een duidelijke positieve kleurreactie gaf, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hashish. Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende: Datum: 3 december 2024 Plaats: [adres 2] , [plaats] Omstandigheden: aangetroffen in stellingkast eerste kamer rechts Goednummer: 3447341 Bijzonderheden: zak xtc-pillen. Goednummer: 3447353 Bijzonderheden: zak met brokken mdma. Goednummer: 3447358 Bijzonderheden: bakje met daarin brokken vermoedelijk cocaïne. Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, voor zover inhoudende: Uniek Voorwerp Nummer: AASC4396NL Goednummer: 3447358 Object omschrijving: plastic bak met witte brokken Nettogewicht: 57,60 gram. Uniek Voorwerp Nummer: AASC4400NL Goednummer: 3447353 Object omschrijving: gripzak met beige brokken Nettogewicht: 121,7 gram. Uniek Voorwerp Nummer: AASC4397NL Goednummer: 3447341 Object omschrijving: gripzak met bruine tabletten Nettogewicht: 157,0 gram. Geschriften, te weten de rapporten van het NFI van 5 december 2024, voor zover inhoudende: Kenmerk: AASC4396NL Conclusie: bevat cocaïne. Kenmerk: AASC4397NL Conclusie: bevat MDMA. Kenmerk: AASC4400NL Conclusie: bevat MDMA. Een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning [adres 2] [plaats] , voor zover inhoudende: Op 3 december 2024 kwam ik voor forensisch onderzoek op de locatie [adres 2] , [plaats] . In de woonkamer zag ik een dressoir staan, aan de rechterzijde voorzien van een deurtje. Achter dit deurtje zag ik op het bovenste plankje verschillende goederen liggen, waaronder een bivakmuts, mes en een vuurwapen. Ik zag om de loop van het vuurwapen een zwarte sok. Ik heb deze goederen veiliggesteld. Sok: AASB4089NL Bivakmuts: AASB4090NL Mes: AASB4093NL Ik zag in het vuurwapen een patroonmagazijn. Bij het verwijderen van het patroonmagazijn zag ik dat deze was gevuld met in totaal 13 patronen. Het vuurwapen heb ik veiliggesteld en voorzien van SIN: AASB4091NL. De patronen in het patroonmagazijn zijn voorzien van de SIN: AASB4092NL. Een proces-verbaal van categorisering wapens en munitie, voor zover inhoudende: Goednummer: 3447123 SIN: AASB4091NL Categorie III sub I. Bovengenoemd voorwerp is een vuurwapen, pistool, merk Springfield Armory, model XDm Elite, kaliber 9x19mm. Goednummer: 3447124 SIN: AASB4092NL Munitie: 13 scherpe kogelpatronen Categorie III Bovengenoemde 13 scherpe kogelpatronen kaliber 9x19mm, merk S&B zijn munitie.
Volledig
Een proces-verbaal van verhoor van [F] op 22 januari 2025, inclusief bijlage, voor zover inhoudende: V: Wat is het telefoonnummer van de dealer bij wie jij drugs koopt? A: [telefoonnummer] . V: Wat koop jij bij de dealer? A: Wiet en hasj. 5 gram per week. V: Hoe lang koop je al bij de dealer A: Rond september of zo. Begin september V: Wat is de naam van de dealer? A: Ik noemde hem [bijnaam] . V: Hoe ziet de dealer er uit? A: Grote baard, ongeveer tot halverwege zijn nek. Lang, ongeveer 175 cm lang. Witte huidskleur, iets ouder dan 20 jaar. Bij tonen van de foto (SKN: 10447609). ( de rechtbank begrijpt; een foto van de verdachte) A: Ja. Ik herken hem aan zijn gezicht, de baardlengte en ook de kleur van zijn haar. V: Zou jij de dealer herkennen als ik jou een foto toon? (SKN: 10447738) ( de rechtbank begrijpt: een foto van medeverdachte [medeverdachte] ) A: Ja, die gezicht ken ik wel van keertje bezorgen. Een proces-verbaal, inhoudende een fotoblad: Foto 1 [foto van het gezicht van een persoon], Omschrijving: verdachte [verdachte] (SKN:10447609) Foto 2 [foto van het gezicht van een persoon], Omschrijving: verdachte [medeverdachte] (SKN: 10447738) Een proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek aan de telefoon, voor zover inhoudende: Op 3 december waren er meerdere verdachten aangehouden ter zake handel in soft- en harddrugs. Ik opende de telefoon van verdachte [B] . Ik opende contact " [bijnaam] " in WhatsApp en belde dit telefoonnummer. Ik zag dat één van de telefoons van verdachte [medeverdachte] overging. Verdachte [B] heeft in zijn telefoon, verdachte [medeverdachte] als contact opgeslagen als: " [bijnaam] "; Verdachte [medeverdachte] heeft in zijn telefoon, verdachte [B] als contact opgeslagen als: " [bijnaam] ." In de WhatsApp berichten trof ik een contact aan genaamd: " [bijnaam] .” Het laatste gesprek was op 3 december 2024. In deze gesprekken ging het constant over de handel in verdovende middelen. Uit de gesprekken maakte ik op dat [medeverdachte] de verdachte opdracht gaf om drugs te verhandelen. Hierbij kreeg de verdachte een bestelling, een locatie en een prijs. Meestal liet de verdachte weten of het gelukt was. 4 oktober 2024 [bijnaam] : laat me weten als het gelukt is hij is er Verdachte: is gelukt en ben terug [bijnaam] : Laat alles wat je moest geven bij [G] achter (..) van geld sleutels enzo zorg je laat alles achter (..) 20 oktober 2024 Verdachte: bestelling is gelukt man [bijnaam] : Isgoed bro hebben zo. Miss iemand voor 50g (..) 29 oktober 2024 [bijnaam] : locatie [bijnaam] : 1e locatie 2x5g haze deluxe ?70 2e locatie 2x5g ami haze ?50 3e locatie pof ophalen 4e locatie 4g mdma ?50. Uit de WhatsApp gesprekken blijkt duidelijk dat de verdachte actief was in de handel in verdovende middelen. Een proces-verbaal van bevindingen over het aantreffen van de sleutels, voor zover inhoudende: Op 3 december 2024 is [verdachte] aangehouden in het kader van dit onderzoek. Tijdens zijn aanhouding is een sleutelbos in beslaggenomen. De sleutels aan deze bos geven toegang tot het appartementencomplex waarin de [adres 2] in gevestigd is. Een proces-verbaal van doorzoeking op 3 december 2024, voor zover inhoudende: Op 3 december 2024 omstreeks 18:30 uur werd de woning, [adres 2] te [plaats] betreden. Het betreden van de woning gebeurde middels een huissleutel. De huissleutel zat aan een sleutelbos van verdachte [verdachte] . Bij binnenkomst in de woning bevindt zich rechts een kamer welke hierna 'ruimte 1' genoemd wordt. Voor ruimte 1 bevindt zich een deur. Bij binnenkomst in de woning stond deze deur open. Ruimte 1 In de kamer stond een stellingkast. In de stellingkast stonden meerdere plastic dozen netjes geordend. In de dozen zaten enkele kilo’s soft- en harddrugs. In de woonkamer stond een dressoirkast. Op deze kast stond een doorzichtige plastic doos met daarin gedroogde henneptoppen. In de kast zaten meerdere laden en deurtjes. Achter een van deze deurtjes lag op een plank een vuurwapen, bivakmuts en mes. De bivakmuts en het vuurwapen zijn veiliggesteld en inbeslaggenomen. Een proces-verbaal van testen en wegen aangetroffen hennep en hasj, voor zover inhoudende: Het onderzoek vond plaats naar aanleiding van de doorzoeking van perceel [adres 2] in [plaats] . Bij deze doorzoeking werden onder andere zes plastic bakken/dozen inbeslaggenomen waarin handelsvoorraden hennep en hasj zaten. De plastic bakken werden getest en gewogen. Ik herkende de inhoud van alle plastic bakken als hennep en hasj. Ik zag dat zowel de hennep als de hasj de kleur en de structuur hadden die overeenkwam met die van gedroogde hennep en hasj. Ik rook dat de geur, overeenkwam met de kenmerkende doordringende geur van hennep en hasj. Alle aangetroffen hennep en hasj werden door mij gewogen op een geijkte weegschaal. Het totale gewicht van de hasj bedraagt 1700 gram, het totale gewicht van de hennep bedraagt 1990 gram. Door mij werden van alle dozen van zowel de hennep als de hasj representatieve monsters genomen. Ik zag dat de alle testen een duidelijke positieve kleurreactie gaf, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hashish. Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende: Datum: 3 december 2024 Plaats: [adres 2] , [plaats] Omstandigheden: aangetroffen in stellingkast eerste kamer rechts Goednummer: 3447341 Bijzonderheden: zak xtc-pillen. Goednummer: 3447353 Bijzonderheden: zak met brokken mdma. Goednummer: 3447358 Bijzonderheden: bakje met daarin brokken vermoedelijk cocaïne. Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, voor zover inhoudende: Uniek Voorwerp Nummer: AASC4396NL Goednummer: 3447358 Object omschrijving: plastic bak met witte brokken Nettogewicht: 57,60 gram. Uniek Voorwerp Nummer: AASC4400NL Goednummer: 3447353 Object omschrijving: gripzak met beige brokken Nettogewicht: 121,7 gram. Uniek Voorwerp Nummer: AASC4397NL Goednummer: 3447341 Object omschrijving: gripzak met bruine tabletten Nettogewicht: 157,0 gram. Geschriften, te weten de rapporten van het NFI van 5 december 2024, voor zover inhoudende: Kenmerk: AASC4396NL Conclusie: bevat cocaïne. Kenmerk: AASC4397NL Conclusie: bevat MDMA. Kenmerk: AASC4400NL Conclusie: bevat MDMA. Een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning [adres 2] [plaats] , voor zover inhoudende: Op 3 december 2024 kwam ik voor forensisch onderzoek op de locatie [adres 2] , [plaats] . In de woonkamer zag ik een dressoir staan, aan de rechterzijde voorzien van een deurtje. Achter dit deurtje zag ik op het bovenste plankje verschillende goederen liggen, waaronder een bivakmuts, mes en een vuurwapen. Ik zag om de loop van het vuurwapen een zwarte sok. Ik heb deze goederen veiliggesteld. Sok: AASB4089NL Bivakmuts: AASB4090NL Mes: AASB4093NL Ik zag in het vuurwapen een patroonmagazijn. Bij het verwijderen van het patroonmagazijn zag ik dat deze was gevuld met in totaal 13 patronen. Het vuurwapen heb ik veiliggesteld en voorzien van SIN: AASB4091NL. De patronen in het patroonmagazijn zijn voorzien van de SIN: AASB4092NL. Een proces-verbaal van categorisering wapens en munitie, voor zover inhoudende: Goednummer: 3447123 SIN: AASB4091NL Categorie III sub I. Bovengenoemd voorwerp is een vuurwapen, pistool, merk Springfield Armory, model XDm Elite, kaliber 9x19mm. Goednummer: 3447124 SIN: AASB4092NL Munitie: 13 scherpe kogelpatronen Categorie III Bovengenoemde 13 scherpe kogelpatronen kaliber 9x19mm, merk S&B zijn munitie.
Volledig
Een geschrift, te weten een DNA-onderzoek van het NFI van 25 maart 2025, voor zover inhoudende: SIN: Omschrijving bemonstering AARM1655NL#01 patroonmagazijn aasb4091nl: onderzijde/zijkanten bodemplaat AARM1656NL#01* patroonmagazijn aasb4091nl: bovenzijde bodemplaat/huis in geheel/aanbrenger/binnenzijde patroonmagazijnlippen AARM1657NL#01 vuurwapen aasb4091nl: voorzijde + binnenzijde loop AARM1658NL#01* vuurwapen aasb4091nl: ruwe delen/trekker/trekkerbeugel AARM1659NL#01 vuurwapen aasb4091.nl: binnenzijde vuurwapen SIN DNA kan afkomstig zijn van: Bewijskracht AARM1656NL patroonmagazijn minimaal vier personen: een relatief grote hoeveelheid DNA: - verdachte [verdachte] een relatief kleine hoeveelheid DNA: - verdachte [medeverdachte] - minimaal twee onbekende personen - meer dan 1 miljard - meer dan 1 miljard AARM1657NL Vuurwapen, voorzijde + binnenzijde loop minimaal één persoon: - verdachte [verdachte] - ongeveer 25 miljoen AARM1658NL Vuurwapen, ruwe delen/trekker/trekkerbeugel een relatief grote hoeveelheid DNA: (afgeleid DNA-hoofdprofiel) - verdachte [verdachte] - meer dan 1 miljard. AARM1659NL Binnenzijde vuurwapen minimaal één persoon: - verdachte [verdachte] - meer dan 1 miljard Een proces-verbaal van bevindingen van doorzoeking woning van de verdachte, voor zover inhoudende: Op 4 december 2024 hebben wij ons begeven in de richting van de [adres 1] te [plaats] om een zoeking uit te voeren. In de slaapkamer van [verdachte] hebben wij om 10.50 uur aangetroffen: - 1 x (delen van) munitie - 1 x (delen van) munitie - 1 x een afgevuurd (en vervormd) patroon, gevonden onder de bank. - 1 x (delen van) munitie, gevonden in de kelderbox. Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende: Datum: 4 december 2024, 10:50 uur Plaats: Amersfoort, slaapkamer Beslagene: [verdachte] Goednummer: 3447263 Object: Munitie Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende: Datum: 4 december 2024, 10:50 uur Plaats: Amersfoort, slaapkamer Beslagene: [verdachte] Goednummer: 3447268 Object: munitie. Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende: Datum: 4 december 2024, 10:50 uur Plaats: kelder Beslagene: [verdachte] Goednummer: 3447270 Object: munitie. Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende: Datum: 4 december 2024, 10:50 uur Plaats: Amersfoort, slaapkamer Beslagene: [verdachte] Goednummer: 3447273 Object: munitie. Een proces-verbaal van categorisering van de in beslag genomen munitie, voor zover inhoudende: Goednummer: 3447270 Munitie: onderdelen munitie, patroonhuls. Categorie: III. patroonhuls, kaliber 7.65mmBr, merk S&B {Sellier & Bellot) is een onderdeel van munitie. Goednummer: 3447263 Onderdelen munitie, patroonhuls Categorie: III Patroonhulzen, kaliber 9mm, merk SsB (Sellier S Bellot) is een onderdeel van munitie, geschikt om nieuwe munitie van te maken. Goednummer: 3447268 Munitie: 1 scherpe patroon Categorie: III. scherp knalpatroon kaliber 9mm P.A.K, merk DMA (Umarex) zijnde munitie (losse flodders) bestemd of geschikt om door middel van dit vuurwapen en elk ander (vuur)wapen kaliber 9mm af te schieten. Goednummer: 3447273 Munitie: onderdelen munitie (projectiel) Categorie: III projectiel van origine 9mm, is een onderdeel van munitie, geschikt om nieuwe munitie van te maken. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024386116, doorgenummerd pagina 1 tot en met 504. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Alle opgenomen bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven. Pagina 12. Pagina 17. Pagina 20. Pagina 27. Pagina 131. Pagina 132. Pagina 133. Pagina 134. Pagina 135. Pagina 138. Pagina 139. Pagina 308. Pagina 309. Pagina 310. Pagina 311. Pagina 313. Pagina 426. Pagina 427. Pagina 428. Pagina 429. Pagina 260. Pagina 280. Pagina 281. Pagina 282. Pagina 283. Pagina 286. Pagina 287. Pagina 288. Pagina 290. Pagina 450. Pagina 451. Pagina 460. Pagina 461. Pagina 462. Pagina 464. Pagina 141. Pagina 142. Pagina 142. Pagina 29. Pagina 90. Pagina 91. Pagina 228. Pagina 206. Pagina 207. Pagina 161. Pagina 162. Pagina 163. Pagina 181. Pagina 182. Pagina 183. Pagina 468. Pagina 469. Pagina 488. Pagina 489. Digitale pagina 330. Pagina 331. Pagina 151. Pagina 1, overige KVI (losbladig) Pagina 2, overige KVI (losbladig) Pagina 3, overige KVI (losbladig) Pagina 4, overige KVI (losbladig). Pagina 495. Pagina 496. Pagina 497.
Volledig
Een geschrift, te weten een DNA-onderzoek van het NFI van 25 maart 2025, voor zover inhoudende: SIN: Omschrijving bemonstering AARM1655NL#01 patroonmagazijn aasb4091nl: onderzijde/zijkanten bodemplaat AARM1656NL#01* patroonmagazijn aasb4091nl: bovenzijde bodemplaat/huis in geheel/aanbrenger/binnenzijde patroonmagazijnlippen AARM1657NL#01 vuurwapen aasb4091nl: voorzijde + binnenzijde loop AARM1658NL#01* vuurwapen aasb4091nl: ruwe delen/trekker/trekkerbeugel AARM1659NL#01 vuurwapen aasb4091.nl: binnenzijde vuurwapen SIN DNA kan afkomstig zijn van: Bewijskracht AARM1656NL patroonmagazijn minimaal vier personen: een relatief grote hoeveelheid DNA: - verdachte [verdachte] een relatief kleine hoeveelheid DNA: - verdachte [medeverdachte]- minimaal twee onbekende personen - meer dan 1 miljard - meer dan 1 miljard AARM1657NL Vuurwapen, voorzijde + binnenzijde loop minimaal één persoon:- verdachte [verdachte] - ongeveer 25 miljoen AARM1658NL Vuurwapen, ruwe delen/trekker/trekkerbeugel een relatief grote hoeveelheid DNA: (afgeleid DNA-hoofdprofiel) - verdachte [verdachte] - meer dan 1 miljard. AARM1659NL Binnenzijde vuurwapen minimaal één persoon:- verdachte [verdachte] - meer dan 1 miljard Een proces-verbaal van bevindingen van doorzoeking woning van de verdachte, voor zover inhoudende: Op 4 december 2024 hebben wij ons begeven in de richting van de [adres 1] te [plaats] om een zoeking uit te voeren. In de slaapkamer van [verdachte] hebben wij om 10.50 uur aangetroffen: - 1 x (delen van) munitie - 1 x (delen van) munitie - 1 x een afgevuurd (en vervormd) patroon, gevonden onder de bank. - 1 x (delen van) munitie, gevonden in de kelderbox. Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende: Datum: 4 december 2024, 10:50 uur Plaats: Amersfoort, slaapkamer Beslagene: [verdachte] Goednummer: 3447263 Object: Munitie Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende: Datum: 4 december 2024, 10:50 uur Plaats: Amersfoort, slaapkamer Beslagene: [verdachte] Goednummer: 3447268 Object: munitie. Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende: Datum: 4 december 2024, 10:50 uur Plaats: kelder Beslagene: [verdachte] Goednummer: 3447270 Object: munitie. Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende: Datum: 4 december 2024, 10:50 uur Plaats: Amersfoort, slaapkamer Beslagene: [verdachte] Goednummer: 3447273 Object: munitie. Een proces-verbaal van categorisering van de in beslag genomen munitie, voor zover inhoudende: Goednummer: 3447270 Munitie: onderdelen munitie, patroonhuls. Categorie: III. patroonhuls, kaliber 7.65mmBr, merk S&B {Sellier & Bellot) is een onderdeel van munitie. Goednummer: 3447263 Onderdelen munitie, patroonhuls Categorie: III Patroonhulzen, kaliber 9mm, merk SsB (Sellier S Bellot) is een onderdeel van munitie, geschikt om nieuwe munitie van te maken. Goednummer: 3447268 Munitie: 1 scherpe patroon Categorie: III. scherp knalpatroon kaliber 9mm P.A.K, merk DMA (Umarex) zijnde munitie (losse flodders) bestemd of geschikt om door middel van dit vuurwapen en elk ander (vuur)wapen kaliber 9mm af te schieten. Goednummer: 3447273 Munitie: onderdelen munitie (projectiel) Categorie: III projectiel van origine 9mm, is een onderdeel van munitie, geschikt om nieuwe munitie van te maken. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024386116, doorgenummerd pagina 1 tot en met 504. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Alle opgenomen bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven. Pagina 12. Pagina 17. Pagina 20. Pagina 27. Pagina 131. Pagina 132. Pagina 133. Pagina 134. Pagina 135. Pagina 138. Pagina 139. Pagina 308. Pagina 309. Pagina 310. Pagina 311. Pagina 313. Pagina 426. Pagina 427. Pagina 428. Pagina 429. Pagina 260. Pagina 280. Pagina 281. Pagina 282. Pagina 283. Pagina 286. Pagina 287. Pagina 288. Pagina 290. Pagina 450. Pagina 451. Pagina 460. Pagina 461. Pagina 462. Pagina 464. Pagina 141. Pagina 142. Pagina 142. Pagina 29. Pagina 90. Pagina 91. Pagina 228. Pagina 206. Pagina 207. Pagina 161. Pagina 162. Pagina 163. Pagina 181. Pagina 182. Pagina 183. Pagina 468. Pagina 469. Pagina 488. Pagina 489. Digitale pagina 330. Pagina 331. Pagina 151. Pagina 1, overige KVI (losbladig) Pagina 2, overige KVI (losbladig) Pagina 3, overige KVI (losbladig) Pagina 4, overige KVI (losbladig). Pagina 495. Pagina 496. Pagina 497.