Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-04
ECLI:NL:RBMNE:2025:7910
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,242 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7910 text/xml public 2026-04-17T11:20:20 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-04 16/226303-25 e.v. Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7910 text/html public 2026-04-17T11:19:39 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7910 Rechtbank Midden-Nederland , 04-12-2025 / 16/226303-25 e.v. Oplegging voorwaardelijke ISD-maatregel. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats: Utrecht Parketnummers: 16-226303-25, 16-242875-25 (t.t.z. gevoegd), 16-248449-25 (t.t.z. gevoegd), 16-237085-22 (vord. tul), 21-003457-24 (vord. tul), 16-081727-25 (vord. tul). Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 4 december 2025 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] in [plaats] , uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats] , aan de [adres 2] in [plaats] , hierna: de verdachte. 1 Zitting De strafzaken van de verdachte zijn inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 november 2025. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi; de advocaat van de verdachte: mr. S.J.F. van Merm. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: in zaak 16-226303-25 (hierna ook te noemen: zaak 1) op 30 juli 2025 in Utrecht samen met een ander een elektrische fiets van [aangever 1] heeft gestolen door middel van braak; in zaak 16-242875-25 (hierna ook te noemen: zaak 2) op 13 augustus 2025 in Utrecht een koffer van [aangever 2] heeft gestolen. in zaak 16-248449-25 (hierna ook te noemen: zaak 3) op 21 september 2025 in Utrecht samen met een ander een elektrische fiets heeft gestolen door middel van braak. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de fietsendiefstal die ten laste is gelegd in zaak 3, omdat de verdachte in de veronderstelling was dat de medeverdachte eigenaar was van de fiets. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsmiddelen feiten zaak 1 en zaak 2 De verdachte bekent dat hij de fietsendiefstal in zaak 1 en de diefstal van de koffer in zaak 2 heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: - de verklaring van de verdachte op de zitting; - het proces-verbaal van de aangifte van [aangever 1] ; - het proces-verbaal van de aangifte namens [aangever 2] . Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. 3.3.2. Bewijsmiddelen feit zaak 3 De rechtbank oordeelt dat ook de fietsendiefstal in zaak 3 is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: De verklaring van de verdachte op de zitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [medeverdachte] vroeg mij om te helpen een fiets op te halen. We zijn er samen naartoe gegaan. [medeverdachte] heeft met de slijptol het kettingslot van de fiets doorgeslepen. We hebben de fiets daarna in de auto getild en zijn samen weggereden. Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik had [verdachte] gevraagd om te helpen om de fiets op te halen. Ik hield de ketting van de fiets vast en [verdachte] gebruikte de slijptol om het slot door te slijpen. Het proces-verbaal van de aangifte van [aangever 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik doe aangifte van diefstal van een elektrische damesfiets met framenummer [nummer] en beugelslot. De fiets is geheel mijn eigendom. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 21 september 2025 om 00:35 uur kregen wij de melding dat er op het Hooghiemstraplein in Utrecht door twee mannen een fiets werd opengeslepen met een slijptol. De melder had gezien dat de mannen de fiets in de kofferbak van een zwarte Audi hadden geplaatst. Ter plaatse werd een zwarte Audi aangetroffen en daarin zaten [verdachte] en [medeverdachte] . In de achterbak van de auto lag een elektrische damesfiets. Ik controleerde het framenummer [nummer] en zag dat de fiets als gestolen gesignaleerd stond. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 21 september 2025 om 00:35 uur was ik samen met collega [verbalisant] op het Hooghiemstraplein ter plaatse. In de achterbak van de Audi vond ik een doorgeslepen kettingslot, een doorgeslepen beugelslot en een slijptol. 3.3.3. Bewijsoverwegingen feit zaak 3 Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] het kettingslot van de fiets met een slijptol heeft doorgeslepen en de fiets heeft meegenomen, terwijl beiden geen rechtmatige eigenaar van de fiets waren. De verdachte voert aan dat van diefstal desondanks geen sprake is, omdat [medeverdachte] tegen hem had gezegd dat het zijn fiets was en dat [medeverdachte] zijn fietssleutel kwijt was en de verdachte op die mededeling vertrouwde. De rechtbank gaat daar niet in mee omdat zij het door de verdachte geschetste scenario niet aannemelijk vindt. [medeverdachte] vroeg de verdachte om net na middernacht een slot van een fiets met een slijptol open te maken. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij alleen het kettingslot en niet het beugelslot hadden doorgeslepen, omdat [medeverdachte] in zijn woning wel de beschikking had over de sleutel van het beugelslot. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat ook het beugelslot was doorgeslepen. Verder ziet de rechtbank inconsistenties in de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] , zo verklaren zij allebei dat het de ander was die de slijptol hanteerde. Ook blijkt uit het dossier dat de verdachte kort na aanhouding in het cellencomplex heeft geroepen: '' [medeverdachte] je moet wel zeggen dat jij het gedaan hebt hé, en verder beroepen op je zwijgrecht!'. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft feit heeft gepleegd. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: in zaak 1 (16-226303-25) op 30 juli 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, een elektrische fiets (Gazelle), die aan [aangever 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; in zaak 2 (16-242875-25) op 13 augustus 2025 te Utrecht, een koffer, die geheel of ten dele aan [aangever 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; in zaak 3 (16-248449-25) op 21 september 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander een elektrische fiets, die geheel aan een ander dan aan verdachte of zijn mededader toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: in zaak 1 (16-226303-25) en zaak 3 (16-248449-25) diefstal door twee personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; in zaak 2 (16-242875-25) diefstal. 4.2 Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Maatregel 5.1.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7910 text/xml public 2026-04-17T11:20:20 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-04 16/226303-25 e.v. Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7910 text/html public 2026-04-17T11:19:39 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7910 Rechtbank Midden-Nederland , 04-12-2025 / 16/226303-25 e.v. Oplegging voorwaardelijke ISD-maatregel. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats: Utrecht Parketnummers: 16-226303-25, 16-242875-25 (t.t.z. gevoegd), 16-248449-25 (t.t.z. gevoegd), 16-237085-22 (vord. tul), 21-003457-24 (vord. tul), 16-081727-25 (vord. tul). Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 4 december 2025 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] in [plaats] , uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats] , aan de [adres 2] in [plaats] , hierna: de verdachte. 1 Zitting De strafzaken van de verdachte zijn inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 november 2025. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi; de advocaat van de verdachte: mr. S.J.F. van Merm. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: in zaak 16-226303-25 (hierna ook te noemen: zaak 1) op 30 juli 2025 in Utrecht samen met een ander een elektrische fiets van [aangever 1] heeft gestolen door middel van braak; in zaak 16-242875-25 (hierna ook te noemen: zaak 2) op 13 augustus 2025 in Utrecht een koffer van [aangever 2] heeft gestolen. in zaak 16-248449-25 (hierna ook te noemen: zaak 3) op 21 september 2025 in Utrecht samen met een ander een elektrische fiets heeft gestolen door middel van braak. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de fietsendiefstal die ten laste is gelegd in zaak 3, omdat de verdachte in de veronderstelling was dat de medeverdachte eigenaar was van de fiets. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsmiddelen feiten zaak 1 en zaak 2 De verdachte bekent dat hij de fietsendiefstal in zaak 1 en de diefstal van de koffer in zaak 2 heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: - de verklaring van de verdachte op de zitting; - het proces-verbaal van de aangifte van [aangever 1] ; - het proces-verbaal van de aangifte namens [aangever 2] . Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. 3.3.2. Bewijsmiddelen feit zaak 3 De rechtbank oordeelt dat ook de fietsendiefstal in zaak 3 is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: De verklaring van de verdachte op de zitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [medeverdachte] vroeg mij om te helpen een fiets op te halen. We zijn er samen naartoe gegaan. [medeverdachte] heeft met de slijptol het kettingslot van de fiets doorgeslepen. We hebben de fiets daarna in de auto getild en zijn samen weggereden. Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik had [verdachte] gevraagd om te helpen om de fiets op te halen. Ik hield de ketting van de fiets vast en [verdachte] gebruikte de slijptol om het slot door te slijpen. Het proces-verbaal van de aangifte van [aangever 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik doe aangifte van diefstal van een elektrische damesfiets met framenummer [nummer] en beugelslot. De fiets is geheel mijn eigendom. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 21 september 2025 om 00:35 uur kregen wij de melding dat er op het Hooghiemstraplein in Utrecht door twee mannen een fiets werd opengeslepen met een slijptol. De melder had gezien dat de mannen de fiets in de kofferbak van een zwarte Audi hadden geplaatst. Ter plaatse werd een zwarte Audi aangetroffen en daarin zaten [verdachte] en [medeverdachte] . In de achterbak van de auto lag een elektrische damesfiets. Ik controleerde het framenummer [nummer] en zag dat de fiets als gestolen gesignaleerd stond. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 21 september 2025 om 00:35 uur was ik samen met collega [verbalisant] op het Hooghiemstraplein ter plaatse. In de achterbak van de Audi vond ik een doorgeslepen kettingslot, een doorgeslepen beugelslot en een slijptol. 3.3.3. Bewijsoverwegingen feit zaak 3 Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] het kettingslot van de fiets met een slijptol heeft doorgeslepen en de fiets heeft meegenomen, terwijl beiden geen rechtmatige eigenaar van de fiets waren. De verdachte voert aan dat van diefstal desondanks geen sprake is, omdat [medeverdachte] tegen hem had gezegd dat het zijn fiets was en dat [medeverdachte] zijn fietssleutel kwijt was en de verdachte op die mededeling vertrouwde. De rechtbank gaat daar niet in mee omdat zij het door de verdachte geschetste scenario niet aannemelijk vindt. [medeverdachte] vroeg de verdachte om net na middernacht een slot van een fiets met een slijptol open te maken. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij alleen het kettingslot en niet het beugelslot hadden doorgeslepen, omdat [medeverdachte] in zijn woning wel de beschikking had over de sleutel van het beugelslot. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat ook het beugelslot was doorgeslepen. Verder ziet de rechtbank inconsistenties in de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] , zo verklaren zij allebei dat het de ander was die de slijptol hanteerde. Ook blijkt uit het dossier dat de verdachte kort na aanhouding in het cellencomplex heeft geroepen: '' [medeverdachte] je moet wel zeggen dat jij het gedaan hebt hé, en verder beroepen op je zwijgrecht!'. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft feit heeft gepleegd. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: in zaak 1 (16-226303-25) op 30 juli 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, een elektrische fiets (Gazelle), die aan [aangever 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; in zaak 2 (16-242875-25) op 13 augustus 2025 te Utrecht, een koffer, die geheel of ten dele aan [aangever 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; in zaak 3 (16-248449-25) op 21 september 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander een elektrische fiets, die geheel aan een ander dan aan verdachte of zijn mededader toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: in zaak 1 (16-226303-25) en zaak 3 (16-248449-25) diefstal door twee personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; in zaak 2 (16-242875-25) diefstal. 4.2 Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Maatregel 5.1.
Volledig
Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat aan de verdachte de maatregel wordt opgelegd tot plaatsing in een inrichting voor stelstelmatige daders (hierna: ISD-maatregel), geheel voorwaardelijk, onder de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na uitspraak van het vonnis aanvangen (dadelijke uitvoerbaarheid). 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de eis van de officier van justitie te volgen. 5.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het passend en geboden is om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de justitiële documentatie van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft in juli 2025 met een ander een elektrische fiets gestolen. De verdachte heeft met een schaar het slot van de fiets geopend, waarna de medeverdachte op de fiets is weggereden. De verdachte heeft een deel van de opbrengst van de verkoop van de fiets gekregen. In augustus 2025 trof de verdachte op het trottoir voor een hotel hij een onbeheerde koffer aan, die er enige tijd later nog steeds stond. De verdachte heeft de koffer meegenomen en verderop in de straat de inhoud van de koffer bekeken. Toen daar voor de verdachte niets bruikbaars in bleek te zitten, heeft hij de koffer ergens anders op straat achtergelaten. Achteraf is gebleken dat de koffer eigendom was van vluchtelingen die de koffer per ongeluk voor het hotel hadden laten staan. Doordat de verdachte de koffer heeft meegenomen, is de voor hen waardevolle inhoud daarvan verloren gegaan. In september 2025 heeft de verdachte opnieuw met een ander een elektrische fiets gestolen. Kort na middernacht hebben zij de sloten van een elektrische fiets doorgeslepen, de fiets in een auto geladen en hebben de fiets meegenomen.. De rechtbank rekent de verdachte aan dat hij geen moment rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers, die hun eigendommen moeten missen. De verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht en heeft hen financiële schade berokkend. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Daarbij geldt dat de verdachte een gewaarschuwd mens was. Op de justitiële documentatie van de verdachte van 11 november 2025 staan een bijzonder groot aantal veroordelingen voor (fietsen)diefstallen. De verdachte had bovendien meerdere voorwaardelijke straffen boven zijn hoofd hangen maar heeft zich daar niet door laten weerhouden. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 13 november 2025. Daaruit volgt dat de reclassering zich grote zorgen maakt over de verdachte en het recidiverisico hoog inschat. Volgens de reclassering is aannemelijk dat verslavingsproblematiek en daaruit voortvloeiende financiële motieven hebben bijgedragen aan het strafbare gedrag. De verdachte is verslaafd aan (hard)drugs, heeft schulden en het ontbreekt aan dagbesteding en een betaalde baan. De verdachte zegt open te staan voor toezicht en behandeling van zijn verslaving en de reclassering wil hem een laatste kans bieden met duidelijke voorwaarden.. In dat kader stelt de reclassering een voorwaardelijke ISD-maatregel voor, met als bijzondere voorwaarden: - Meldplicht bij reclassering; - Meewerken aan ambulante behandeling (mogelijk met kortdurende klinische opname); - Begeleid wonen of maatschappelijke opvang; - Inspannen voor het vinden en behouden van dagbesteding; - Meewerken aan schuldhulpverlening; - Meewerken aan middelencontrole. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de brief van [instelling] . De verdachte heeft via deze organisatie sinds mei 2025 een woning en uit de brief volgt dat [instelling] tevreden is over de opstelling van de verdachte. [instelling] geeft aan dat het opleggen van een gevangenisstraf er waarschijnlijk toe zou leiden dat de verdachte zijn woning kwijtraakt en in dat geval na het uitzitten van een gevangenisstraf weer op straat moet leven. Op de zitting heeft de verdachte uitgelegd dat hij door zijn relatiebreuk terugviel in zijn drugsverslaving en delictgedrag. Hij heeft hier spijt van en vraagt de rechtbank om hem een laatste kans te bieden om te laten zien dat hij gemotiveerd is om zijn woning te behouden en verder te zoeken naar betaald werk. Ook de omgang met zijn kinderen is voor hem een belangrijke motivator. De verdachte vraagt de rechtbank om de voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd. Hij benadrukt dat hij zeer gemotiveerd is om mee te werken aan alle voorwaarden en de benodigde hulpverlening. Oplegging ISD-maatregel De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de (voorwaardelijke) ISD-maatregel. De verdachte heeft diefstallen gepleegd. Diefstal is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit de justitiële documentatie het blijkt dat de verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf. De in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Zoals hieruit blijkt en de reclasseringsrapportage moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van goederen het opleggen van deze maatregel, gelet op de ernst en het aantal door de verdachte begane soortgelijke feiten. Ook is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de (voorwaardelijke) ISD-maatregel uit de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers. De verdachte valt namelijk onder de definitie van een stelselmatige dader. Hij is immers een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. De vele tot nu aan de verdachte opgelegde straffen hebben er niet toe geleid dat hij zijn gedrag heeft veranderd. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging eens dat een voorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden is, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarmee krijgt de verdachte een laatste kans om te laten zien dat hij met toezicht en begeleiding in staat is om zich aan de afspraken te houden en dus geen misdrijven te plegen en geen drugs te gebruiken. Het is aan de verdachte om te laten zien dat hij bereid en in staat is om zich te houden aan de door de rechtbank op te leggen voorwaarden. Als dat niet lukt, zal de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nodig zijn om de maatschappij tegen de verdachte te beschermen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel. Daarnaast zal de rechtbank om dezelfde redenen bepalen dat de voorwaarden die aan de voorwaardelijke ISD-maatregel worden verbonden gelden gedurende een proeftijd van 2 jaren. Dadelijke tenuitvoerlegging De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren af, omdat er onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat de verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Voorlopige hechtenis Nu aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in parketnummer 16-226303-25 en 16-242875-25 worden opgeheven.
Volledig
Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat aan de verdachte de maatregel wordt opgelegd tot plaatsing in een inrichting voor stelstelmatige daders (hierna: ISD-maatregel), geheel voorwaardelijk, onder de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na uitspraak van het vonnis aanvangen (dadelijke uitvoerbaarheid). 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de eis van de officier van justitie te volgen. 5.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het passend en geboden is om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de justitiële documentatie van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft in juli 2025 met een ander een elektrische fiets gestolen. De verdachte heeft met een schaar het slot van de fiets geopend, waarna de medeverdachte op de fiets is weggereden. De verdachte heeft een deel van de opbrengst van de verkoop van de fiets gekregen. In augustus 2025 trof de verdachte op het trottoir voor een hotel hij een onbeheerde koffer aan, die er enige tijd later nog steeds stond. De verdachte heeft de koffer meegenomen en verderop in de straat de inhoud van de koffer bekeken. Toen daar voor de verdachte niets bruikbaars in bleek te zitten, heeft hij de koffer ergens anders op straat achtergelaten. Achteraf is gebleken dat de koffer eigendom was van vluchtelingen die de koffer per ongeluk voor het hotel hadden laten staan. Doordat de verdachte de koffer heeft meegenomen, is de voor hen waardevolle inhoud daarvan verloren gegaan. In september 2025 heeft de verdachte opnieuw met een ander een elektrische fiets gestolen. Kort na middernacht hebben zij de sloten van een elektrische fiets doorgeslepen, de fiets in een auto geladen en hebben de fiets meegenomen.. De rechtbank rekent de verdachte aan dat hij geen moment rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers, die hun eigendommen moeten missen. De verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht en heeft hen financiële schade berokkend. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Daarbij geldt dat de verdachte een gewaarschuwd mens was. Op de justitiële documentatie van de verdachte van 11 november 2025 staan een bijzonder groot aantal veroordelingen voor (fietsen)diefstallen. De verdachte had bovendien meerdere voorwaardelijke straffen boven zijn hoofd hangen maar heeft zich daar niet door laten weerhouden. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 13 november 2025. Daaruit volgt dat de reclassering zich grote zorgen maakt over de verdachte en het recidiverisico hoog inschat. Volgens de reclassering is aannemelijk dat verslavingsproblematiek en daaruit voortvloeiende financiële motieven hebben bijgedragen aan het strafbare gedrag. De verdachte is verslaafd aan (hard)drugs, heeft schulden en het ontbreekt aan dagbesteding en een betaalde baan. De verdachte zegt open te staan voor toezicht en behandeling van zijn verslaving en de reclassering wil hem een laatste kans bieden met duidelijke voorwaarden.. In dat kader stelt de reclassering een voorwaardelijke ISD-maatregel voor, met als bijzondere voorwaarden: - Meldplicht bij reclassering; - Meewerken aan ambulante behandeling (mogelijk met kortdurende klinische opname); - Begeleid wonen of maatschappelijke opvang; - Inspannen voor het vinden en behouden van dagbesteding; - Meewerken aan schuldhulpverlening; - Meewerken aan middelencontrole. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de brief van [instelling] . De verdachte heeft via deze organisatie sinds mei 2025 een woning en uit de brief volgt dat [instelling] tevreden is over de opstelling van de verdachte. [instelling] geeft aan dat het opleggen van een gevangenisstraf er waarschijnlijk toe zou leiden dat de verdachte zijn woning kwijtraakt en in dat geval na het uitzitten van een gevangenisstraf weer op straat moet leven. Op de zitting heeft de verdachte uitgelegd dat hij door zijn relatiebreuk terugviel in zijn drugsverslaving en delictgedrag. Hij heeft hier spijt van en vraagt de rechtbank om hem een laatste kans te bieden om te laten zien dat hij gemotiveerd is om zijn woning te behouden en verder te zoeken naar betaald werk. Ook de omgang met zijn kinderen is voor hem een belangrijke motivator. De verdachte vraagt de rechtbank om de voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd. Hij benadrukt dat hij zeer gemotiveerd is om mee te werken aan alle voorwaarden en de benodigde hulpverlening. Oplegging ISD-maatregel De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de (voorwaardelijke) ISD-maatregel. De verdachte heeft diefstallen gepleegd. Diefstal is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit de justitiële documentatie het blijkt dat de verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf. De in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Zoals hieruit blijkt en de reclasseringsrapportage moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van goederen het opleggen van deze maatregel, gelet op de ernst en het aantal door de verdachte begane soortgelijke feiten. Ook is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de (voorwaardelijke) ISD-maatregel uit de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers. De verdachte valt namelijk onder de definitie van een stelselmatige dader. Hij is immers een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. De vele tot nu aan de verdachte opgelegde straffen hebben er niet toe geleid dat hij zijn gedrag heeft veranderd. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging eens dat een voorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden is, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarmee krijgt de verdachte een laatste kans om te laten zien dat hij met toezicht en begeleiding in staat is om zich aan de afspraken te houden en dus geen misdrijven te plegen en geen drugs te gebruiken. Het is aan de verdachte om te laten zien dat hij bereid en in staat is om zich te houden aan de door de rechtbank op te leggen voorwaarden. Als dat niet lukt, zal de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nodig zijn om de maatschappij tegen de verdachte te beschermen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel. Daarnaast zal de rechtbank om dezelfde redenen bepalen dat de voorwaarden die aan de voorwaardelijke ISD-maatregel worden verbonden gelden gedurende een proeftijd van 2 jaren. Dadelijke tenuitvoerlegging De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren af, omdat er onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat de verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Voorlopige hechtenis Nu aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in parketnummer 16-226303-25 en 16-242875-25 worden opgeheven.
Volledig
6 Vordering benadeelde partij 6.1. Vordering van de benadeelde partij [aangever 1] heeft een vordering ingediend ter vergoeding van de schade die zij lijdt door de diefstal van haar elektrische fiets (zaak 1). Zij vordert € 3.631,47 aan materiële schade en onderbouwt dit met een factuur van 10 januari 2020, waaruit blijkt dat zij de fiets met kettingslot op dat moment voor dit bedrag heeft aangeschaft. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel kan worden toegewezen, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. 6.3. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte voert aan dat de schadevergoeding moet worden gematigd omdat de fiets in 2020 is gekocht en door tijdsverloop een deel van de waarde heeft verloren. Rekening houdende met een jaarlijkse afschrijving van 20 tot 30 procent komt de advocaat op een restwaarde van € 1.041,00. 6.4. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat [aangever 1] rechtstreeks schade heeft geleden doordat de verdachte haar fiets heeft gestolen en bepaalt dat zij recht heeft op vergoeding van die schade. De rechtbank begroot de schade op het bedrag van € 1.041,00 omdat de fiets ruim vijf jaar oud was en rekening wordt gehouden met waardevermindering door tijdsverloop. De vordering wordt voor het overige afgewezen. Ook heeft [aangever 1] recht op vergoeding van de wettelijke rente over het schadebedrag, gerekend vanaf de datum van de diefstal tot de dag van volledige betaling. De verdachte wordt daarnaast veroordeeld in de kosten die [aangever 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. De rechtbank legt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de rechtbank ten behoeve van [aangever 1] aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag dat zij aan hem is verschuldigd. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [aangever 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [aangever 1] . Als de verdachte niet betaalt, zal de betalingsverplichting worden aangevuld met 20 dagen gijzeling. 7. Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen 7.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt om de proeftijd van de voorwaardelijke straf die in de navolgende uitspraken aan de verdachte is opgelegd te verlengen. Het betreft: - Het vonnis van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 maart 2025 in de zaak met parketnummer 16-081727-25, waarin een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden is opgelegd met een proeftijd van twee jaar; - Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025 in de zaak met parketnummer 21-003457-24, waarin een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden is opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Aan de orde is ook een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 16-237085-22, maar de officier van justitie merkt op dat deze voorwaardelijke straf al ten uitvoer is gelegd en verzoekt de rechtbank daarom om het Openbaar Ministerie op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren. 7.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzet zich tegen verlenging van de proeftijd. 7.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf met parketnummer 16-237085-22 omdat die straf al ten uitvoer is gelegd. Voor wat betreft de parketnummers 16-081727-25 en 21-003457-24 wijst de rechtbank het verzoek tot verlenging van de proeftijd af. Met het opleggen van de voorwaardelijke ISD-maatregel heeft de verdachte de komende twee jaar een forse maatregel boven zijn hoofd hangen en de proeftijd van deze twee voorwaardelijke straffen loopt ook nog geruime tijd door. Gelet daarop vindt de rechtbank het niet opportuun om die proeftijden nog eens te verlengen. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde maatregel is gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - 36f, 38m, 38n, 38p, 57. 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte de feiten in de parketnummers 16-226303-25, 16-242875-25 en 16-248449-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; maatregel - legt de verdachte op d e maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee (2) jaren; - bepaalt dat die maatregel niet zal worden tenuitvoergelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd: - zich meldt en blijft melden bij de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; - zich ambulant laat behandeling door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal betrokkene zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. - verblijft in een woning van [instelling] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld. - zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of onbetaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. - meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. - meewerkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen.
Volledig
6 Vordering benadeelde partij 6.1. Vordering van de benadeelde partij [aangever 1] heeft een vordering ingediend ter vergoeding van de schade die zij lijdt door de diefstal van haar elektrische fiets (zaak 1). Zij vordert € 3.631,47 aan materiële schade en onderbouwt dit met een factuur van 10 januari 2020, waaruit blijkt dat zij de fiets met kettingslot op dat moment voor dit bedrag heeft aangeschaft. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel kan worden toegewezen, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. 6.3. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte voert aan dat de schadevergoeding moet worden gematigd omdat de fiets in 2020 is gekocht en door tijdsverloop een deel van de waarde heeft verloren. Rekening houdende met een jaarlijkse afschrijving van 20 tot 30 procent komt de advocaat op een restwaarde van € 1.041,00. 6.4. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat [aangever 1] rechtstreeks schade heeft geleden doordat de verdachte haar fiets heeft gestolen en bepaalt dat zij recht heeft op vergoeding van die schade. De rechtbank begroot de schade op het bedrag van € 1.041,00 omdat de fiets ruim vijf jaar oud was en rekening wordt gehouden met waardevermindering door tijdsverloop. De vordering wordt voor het overige afgewezen. Ook heeft [aangever 1] recht op vergoeding van de wettelijke rente over het schadebedrag, gerekend vanaf de datum van de diefstal tot de dag van volledige betaling. De verdachte wordt daarnaast veroordeeld in de kosten die [aangever 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. De rechtbank legt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de rechtbank ten behoeve van [aangever 1] aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag dat zij aan hem is verschuldigd. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [aangever 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [aangever 1] . Als de verdachte niet betaalt, zal de betalingsverplichting worden aangevuld met 20 dagen gijzeling. 7. Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen 7.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt om de proeftijd van de voorwaardelijke straf die in de navolgende uitspraken aan de verdachte is opgelegd te verlengen. Het betreft: - Het vonnis van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 maart 2025 in de zaak met parketnummer 16-081727-25, waarin een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden is opgelegd met een proeftijd van twee jaar; - Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025 in de zaak met parketnummer 21-003457-24, waarin een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden is opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Aan de orde is ook een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 16-237085-22, maar de officier van justitie merkt op dat deze voorwaardelijke straf al ten uitvoer is gelegd en verzoekt de rechtbank daarom om het Openbaar Ministerie op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren. 7.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzet zich tegen verlenging van de proeftijd. 7.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf met parketnummer 16-237085-22 omdat die straf al ten uitvoer is gelegd. Voor wat betreft de parketnummers 16-081727-25 en 21-003457-24 wijst de rechtbank het verzoek tot verlenging van de proeftijd af. Met het opleggen van de voorwaardelijke ISD-maatregel heeft de verdachte de komende twee jaar een forse maatregel boven zijn hoofd hangen en de proeftijd van deze twee voorwaardelijke straffen loopt ook nog geruime tijd door. Gelet daarop vindt de rechtbank het niet opportuun om die proeftijden nog eens te verlengen. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde maatregel is gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - 36f, 38m, 38n, 38p, 57. 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte de feiten in de parketnummers 16-226303-25, 16-242875-25 en 16-248449-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; maatregel - legt de verdachte op d e maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee (2) jaren; - bepaalt dat die maatregel niet zal worden tenuitvoergelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd: - zich meldt en blijft melden bij de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; - zich ambulant laat behandeling door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal betrokkene zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. - verblijft in een woning van [instelling] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld. - zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of onbetaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. - meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. - meewerkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen.