Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-04
ECLI:NL:RBMNE:2025:7908
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
19,608 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7908 text/xml public 2026-04-17T10:39:19 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-04 16/386711-24 e.v Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7908 text/html public 2026-04-17T10:39:02 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7908 Rechtbank Midden-Nederland , 04-12-2025 / 16/386711-24 e.v Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een mes te zwaaien/uit te halen richting het slachtoffer en hem meerdere keren te steken met het mes in zijn bovenbeen, terwijl de medeverdachte het slachtoffer op dat moment vasthield. Beroep op (putatief) noodweer(exces) verworpen. Strafoplegging: gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar. Taakstraf van 220 uur. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats: Utrecht Parketnummer: 16/386711-24; 16/153296-24 (vord. tul) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 4 december 2025 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] (Kenia), ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] , hierna: de verdachte. 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 november 2025. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. L.C. Cox; de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: primair: op 3 december 2024 in Utrecht samen met een ander heeft geprobeerd om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door [slachtoffer] vast te pakken en op zijn plek te houden, met een mes in de richting van zijn lichaam te zwaaien en/of uit te halen en met het mes in zijn been te steken; subsidiair: is dit tenlastegelegd als poging tot zware mishandeling. De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit (de poging tot doodslag) samen met een ander heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken onder paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte volledig vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Wat betreft de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit verzoekt zij om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van het onderdeel ‘medeplegen’ en refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank. De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank vindt niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit (medeplegen van poging tot doodslag) heeft gepleegd en zal de verdachte hiervan vrijspreken. Op grond van de bewijsmiddelen komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit (medeplegen van de poging tot zware mishandeling). De rechtbank zal na de bewijsmiddelen nader uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen. 3.3.1. Bewijsmiddelen Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] op 5 december 2024, voor zover inhoudende: Op 3 december 2024 liep ik weg bij [locatie] in Utrecht. Ik kwam een jongen tegen die vroeg aan mij of ik mee kon lopen. Toen ik dit weigerde kwam er een tweede jongen in de steeg met een mes naar mij toelopen. Ik werd belemmerd om het steken met het mes, door de jongen die als laatste kwam aanlopen, tegen te houden. Ik heb het steken met een mes twee keer kunnen ontwijken. Ik ben vervolgens twee keer met het mes gestoken aan de achterzijde van mijn linker bovenbeen. De jongen met het groene mondkapje had een mes in zijn handen toen hij kwam aanlopen en probeerde mij gelijk te steken met het mes. De jongen met de grijze muts deed bij de eerst steekbewegingen nog niks. Daarna pakte hij mij vast. Ik denk dat hij mij beet pakte, zodat de jongen met het groene mondkapje mij kon steken. Een geschrift, te weten een brief van de Spoedeisende Hulp van 3 december 2024, voor zover inhoudende: Patient: [slachtoffer] . Patiënt bezocht op 3-12-2024 de afdeling Spoedeisende hulp. Conclusie: weke delen laceratie na steekverwonding linker bovenbeen met arteriële blush uit een distale tak van de AFP. Twee wonden dorsale zijde bovenbeen links, resp. +/- 3 en 6cm. Een proces-verbaal van de tweede verklaring van getuige [getuige] op 3 december 2024, voor zover inhoudende: Ik zag [verdachte] ( de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ) en [medeverdachte] ( de rechtbank begrijpt: medeverdachte) staan in de Lauwersteeg. Daarna kwam het slachtoffer ( de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) aangelopen. [medeverdachte] pakte het slachtoffer bij zijn hand. [medeverdachte] hield het slachtoffer vast, waarop [verdachte] begon te steken met een mes richting het slachtoffer. Hij begon overal te steken. Het slachtoffer werd dus door [medeverdachte] tegen de muur aangeduwd. Daarna kwam [verdachte] richting het slachtoffer en begon toen op het slachtoffer in te steken. Hij stak op zijn benen in. De verklaring van de verdachte op de zitting van 20 november 2025, voor zover inhoudende: Het klopt dat ik op 3 december 2024 [slachtoffer] heb gestoken met een mes. Ik werd die dag gebeld door [medeverdachte] ( de rechtbank begrijpt: medeverdachte) die zei dat hij bij [locatie] in Utrecht was en dat de jongen die hem bedreigt daar ook was. Toen ben ik daar naartoe gegaan. [medeverdachte] had [slachtoffer] vast en [slachtoffer] had [medeverdachte] vast. Ik heb toen twee keer in het been van [slachtoffer] gestoken. Ik heb alleen richting zijn been gestoken. Ik heb met het mes staan zwaaien naar zijn been. 3.3.2. Bewijsoverwegingen Gebruik verklaringen slachtoffer en getuige [getuige] voor het bewijs De advocaat van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) en de eerste verklaring van de getuige [getuige] van het bewijs uitgesloten moeten worden, omdat deze onbetrouwbaar zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer voor zover het gaat om de verklaringen van het slachtoffer. Dat het slachtoffer geen aangifte heeft willen doen en/of geen volledige openheid van zaken heeft gegeven door bijvoorbeeld niets te verklaren over recente conflicten met de verdachte en medeverdachte en te verklaren dat hij de medeverdachte niet kent, betekent niet dat zijn verklaringen in het geheel en over de feitelijke gebeurtenissen onbetrouwbaar zijn. Het slachtoffer heeft op verschillende momenten een verklaring afgelegd en heeft in grote lijnen steeds consistent verklaard over wat er is gebeurd op 3 december 2024. Zo heeft hij steeds verklaard dat hij eerst door één persoon werd aangesproken die hem vroeg om mee te lopen in een steeg en waar hij door hem vastgehouden werd, waarna een tweede persoon met een mes in de steeg verscheen en hem onder meer twee keer in zijn been heeft gestoken. Aan de betrouwbaarheid draagt bovendien bij dat de verklaringen van het slachtoffer over wat er is gebeurd niet op zichzelf staan maar steun vinden in andere bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank wijst daarbij op de letselverklaring, de verklaring van de verdachte zelf maar ook de verklaringen van de getuige [getuige] . De rechtbank hecht met name waarde aan de verklaringen van deze getuige, omdat hij het gehele incident heeft gezien en niets met het conflict te maken had. Niet is gebleken dat deze getuige een belang of enig motief had om in strijd met de waarheid belastend te verklaren over de verdachte(n). Integendeel.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7908 text/xml public 2026-04-17T10:39:19 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-04 16/386711-24 e.v Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7908 text/html public 2026-04-17T10:39:02 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7908 Rechtbank Midden-Nederland , 04-12-2025 / 16/386711-24 e.v Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een mes te zwaaien/uit te halen richting het slachtoffer en hem meerdere keren te steken met het mes in zijn bovenbeen, terwijl de medeverdachte het slachtoffer op dat moment vasthield. Beroep op (putatief) noodweer(exces) verworpen. Strafoplegging: gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar. Taakstraf van 220 uur. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats: Utrecht Parketnummer: 16/386711-24; 16/153296-24 (vord. tul) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 4 december 2025 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] (Kenia), ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] , hierna: de verdachte. 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 november 2025. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. L.C. Cox; de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: primair: op 3 december 2024 in Utrecht samen met een ander heeft geprobeerd om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door [slachtoffer] vast te pakken en op zijn plek te houden, met een mes in de richting van zijn lichaam te zwaaien en/of uit te halen en met het mes in zijn been te steken; subsidiair: is dit tenlastegelegd als poging tot zware mishandeling. De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit (de poging tot doodslag) samen met een ander heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken onder paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte volledig vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Wat betreft de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit verzoekt zij om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van het onderdeel ‘medeplegen’ en refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank. De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank vindt niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit (medeplegen van poging tot doodslag) heeft gepleegd en zal de verdachte hiervan vrijspreken. Op grond van de bewijsmiddelen komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit (medeplegen van de poging tot zware mishandeling). De rechtbank zal na de bewijsmiddelen nader uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen. 3.3.1. Bewijsmiddelen Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] op 5 december 2024, voor zover inhoudende: Op 3 december 2024 liep ik weg bij [locatie] in Utrecht. Ik kwam een jongen tegen die vroeg aan mij of ik mee kon lopen. Toen ik dit weigerde kwam er een tweede jongen in de steeg met een mes naar mij toelopen. Ik werd belemmerd om het steken met het mes, door de jongen die als laatste kwam aanlopen, tegen te houden. Ik heb het steken met een mes twee keer kunnen ontwijken. Ik ben vervolgens twee keer met het mes gestoken aan de achterzijde van mijn linker bovenbeen. De jongen met het groene mondkapje had een mes in zijn handen toen hij kwam aanlopen en probeerde mij gelijk te steken met het mes. De jongen met de grijze muts deed bij de eerst steekbewegingen nog niks. Daarna pakte hij mij vast. Ik denk dat hij mij beet pakte, zodat de jongen met het groene mondkapje mij kon steken. Een geschrift, te weten een brief van de Spoedeisende Hulp van 3 december 2024, voor zover inhoudende: Patient: [slachtoffer] . Patiënt bezocht op 3-12-2024 de afdeling Spoedeisende hulp. Conclusie: weke delen laceratie na steekverwonding linker bovenbeen met arteriële blush uit een distale tak van de AFP. Twee wonden dorsale zijde bovenbeen links, resp. +/- 3 en 6cm. Een proces-verbaal van de tweede verklaring van getuige [getuige] op 3 december 2024, voor zover inhoudende: Ik zag [verdachte] ( de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ) en [medeverdachte] ( de rechtbank begrijpt: medeverdachte) staan in de Lauwersteeg. Daarna kwam het slachtoffer ( de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) aangelopen. [medeverdachte] pakte het slachtoffer bij zijn hand. [medeverdachte] hield het slachtoffer vast, waarop [verdachte] begon te steken met een mes richting het slachtoffer. Hij begon overal te steken. Het slachtoffer werd dus door [medeverdachte] tegen de muur aangeduwd. Daarna kwam [verdachte] richting het slachtoffer en begon toen op het slachtoffer in te steken. Hij stak op zijn benen in. De verklaring van de verdachte op de zitting van 20 november 2025, voor zover inhoudende: Het klopt dat ik op 3 december 2024 [slachtoffer] heb gestoken met een mes. Ik werd die dag gebeld door [medeverdachte] ( de rechtbank begrijpt: medeverdachte) die zei dat hij bij [locatie] in Utrecht was en dat de jongen die hem bedreigt daar ook was. Toen ben ik daar naartoe gegaan. [medeverdachte] had [slachtoffer] vast en [slachtoffer] had [medeverdachte] vast. Ik heb toen twee keer in het been van [slachtoffer] gestoken. Ik heb alleen richting zijn been gestoken. Ik heb met het mes staan zwaaien naar zijn been. 3.3.2. Bewijsoverwegingen Gebruik verklaringen slachtoffer en getuige [getuige] voor het bewijs De advocaat van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) en de eerste verklaring van de getuige [getuige] van het bewijs uitgesloten moeten worden, omdat deze onbetrouwbaar zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer voor zover het gaat om de verklaringen van het slachtoffer. Dat het slachtoffer geen aangifte heeft willen doen en/of geen volledige openheid van zaken heeft gegeven door bijvoorbeeld niets te verklaren over recente conflicten met de verdachte en medeverdachte en te verklaren dat hij de medeverdachte niet kent, betekent niet dat zijn verklaringen in het geheel en over de feitelijke gebeurtenissen onbetrouwbaar zijn. Het slachtoffer heeft op verschillende momenten een verklaring afgelegd en heeft in grote lijnen steeds consistent verklaard over wat er is gebeurd op 3 december 2024. Zo heeft hij steeds verklaard dat hij eerst door één persoon werd aangesproken die hem vroeg om mee te lopen in een steeg en waar hij door hem vastgehouden werd, waarna een tweede persoon met een mes in de steeg verscheen en hem onder meer twee keer in zijn been heeft gestoken. Aan de betrouwbaarheid draagt bovendien bij dat de verklaringen van het slachtoffer over wat er is gebeurd niet op zichzelf staan maar steun vinden in andere bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank wijst daarbij op de letselverklaring, de verklaring van de verdachte zelf maar ook de verklaringen van de getuige [getuige] . De rechtbank hecht met name waarde aan de verklaringen van deze getuige, omdat hij het gehele incident heeft gezien en niets met het conflict te maken had. Niet is gebleken dat deze getuige een belang of enig motief had om in strijd met de waarheid belastend te verklaren over de verdachte(n). Integendeel.
Volledig
Hij verklaart dat hij de verdachte en de medeverdachte kende, dat het zijn vrienden waren en dat hij bang was voor represailles omdat hij met de politie heeft gesproken over het incident. Ook bij de rechter-commissaris, geruime tijd na het incident, verklaart de getuige nog (steeds) bang te zijn. De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan de inhoud van de verklaringen te twijfelen. Met de advocaat van de verdachte ziet de rechtbank wel aanleiding om de eerste verklaring van de getuige [getuige] buiten beschouwing te laten, omdat deze eerste verklaring in het Arabisch is afgelegd tegenover een verbalisant zonder tussenkomst van een tolk. De verbalisant sprak Tunesisch-Arabisch en de getuige Marokkaans-Arabisch. Bij de rechter-commissaris heeft de getuige aangegeven dat hij tijdens dit verhoor de verbalisant slechts voor 50 á 60 procent kon begrijpen. De rechtbank kan daarom niet zonder meer uitgaan van de inhoud van deze verklaring. De rechtbank gaat daarom uit van de tweede verklaring van de getuige en de verklaring bij de rechter-commissaris, omdat hij toen wel een verklaring heeft afgelegd met behulp van een Arabische of Italiaanse tolk en niet is gebleken dat zij elkaar niet begrepen. Poging doodslag of poging zware mishandeling? Op basis van de genoemde bewijsmiddelen onder paragraaf 3.3.1 stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 3 december 2024 in Utrecht zwaaiende/uithalende bewegingen met een mes heeft gemaakt richting het slachtoffer en twee keer met een mes heeft gestoken in zijn bovenbeen, terwijl de medeverdachte het slachtoffer vasthield. Het slachtoffer heeft hierdoor twee steekverwondingen opgelopen in zijn bovenbeen. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden hoe het handelen van de verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden. De advocaat van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in ieder geval vrijgesproken moet worden van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Vrijspraak poging tot doodslag Om te kunnen spreken van een poging tot doodslag moet vast komen te staan dat de verdachte opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer. De rechtbank ziet geen aanwijzingen die er op duiden dat de verdachte de intentie heeft gehad om het slachtoffer te doden. ‘Vol opzet’ kan dan ook niet worden bewezen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank ook van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer de verdachte door zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg (de dood) zal intreden. Of dit het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank stelt vast dat bij het slachtoffer sprake was van letsel aan zijn bovenbeen, namelijk twee steekwonden van respectievelijk 6 en 3 centimeter. Anders dan de officier van justitie betrekt de rechtbank bij het letsel niet de oppervlakkige kleine prikverwonding op de borstkas, omdat niet kan worden vastgesteld dat deze prikverwonding door het mes van de verdachte is veroorzaakt. Het slachtoffer en de getuige hebben allebei niet verklaard dat het mes de borstkas heeft geraakt. Het door de verdachte toegebrachte letsel bevindt zich dus uitsluitend in het bovenbeen. Het dossier bevat echter maar zeer beperkte informatie over de precieze feitelijke toedracht en de wijze waarop de verdachte dit letsel heeft toegebracht. Zo is onder andere onduidelijk met welke kracht de verdachte de zwaaiende/uithalende bewegingen richting het slachtoffer heeft gemaakt en heeft gestoken in het been. Ook is er maar beperkte informatie over het steekwapen (het mes), aangezien deze niet is aangetroffen. Dit zijn allemaal factoren die van belang zijn om te beoordelen of in dit specifieke geval sprake was van een gedraging die een aanmerkelijke kans op de dood in het leven heeft geroepen en of de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Hoewel het een feit van algemene bekendheid is dat het bovenbeen onder andere belangrijke (slag)aderen bevat, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval de enkele vaststelling van twee steekwonden in het bovenbeen, zonder nadere informatie over de richting, kracht en intensiteit van het steken, onvoldoende is om te concluderen dat een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan en dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling Wel kan het handelen van de verdachte worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling. In het bovenbeen zitten kwetsbare pezen en spieren. De kans op zwaar lichamelijk letsel is bij het steken met een mes in het bovenbeen dan ook aanmerkelijk. Het zwaaien/uithalen met een mes en het meerdere keren steken met een mes in het been van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer werd vastgehouden door de medeverdachte en daarmee extra kwetsbaar was, kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Er zijn geen contra-indicaties gebleken die aan dit oordeel kunnen afdoen. De rechtbank vindt daarmee het subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) wettig en overtuigend bewezen. Medeplegen Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer door de medeverdachte werd aangesproken en vastgehouden en dat de verdachte vervolgens met het mes richting het slachtoffer heeft gezwaaid/uitgehaald en twee keer in zijn been heeft gestoken. Na de geweldshandelingen zijn de verdachte en medeverdachte gezamenlijk weggevlucht. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze omstandigheden en de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering van het delict. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging op dit onderdeel. Conclusie De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag en hem veroordelen voor de subsidiair ten laste gelegde medeplegen poging zware mishandeling. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: subsidiair op 3 december 2024 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - die [slachtoffer] heeft vastgepakt en op zijn plek heeft gehouden, - meermalen met een mes, in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gezwaaid en/of heeft uitgehaald en - meermalen met een mes, in het been van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: subsidiair : medeplegen van een poging tot zware mishandeling. 4.2 Strafbaarheid feit en de verdachte 4.2.1 Beroep op (putatief)noodweer(exces) De advocaat van de verdachte voert aan dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer(exces) toekomt. De verdachte werd in paniek gebeld door de medeverdachte die aangaf dat hij bij [locatie] was en dat het slachtoffer, die hem bedreigde, daar ook aanwezig was.
Volledig
Hij verklaart dat hij de verdachte en de medeverdachte kende, dat het zijn vrienden waren en dat hij bang was voor represailles omdat hij met de politie heeft gesproken over het incident. Ook bij de rechter-commissaris, geruime tijd na het incident, verklaart de getuige nog (steeds) bang te zijn. De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan de inhoud van de verklaringen te twijfelen. Met de advocaat van de verdachte ziet de rechtbank wel aanleiding om de eerste verklaring van de getuige [getuige] buiten beschouwing te laten, omdat deze eerste verklaring in het Arabisch is afgelegd tegenover een verbalisant zonder tussenkomst van een tolk. De verbalisant sprak Tunesisch-Arabisch en de getuige Marokkaans-Arabisch. Bij de rechter-commissaris heeft de getuige aangegeven dat hij tijdens dit verhoor de verbalisant slechts voor 50 á 60 procent kon begrijpen. De rechtbank kan daarom niet zonder meer uitgaan van de inhoud van deze verklaring. De rechtbank gaat daarom uit van de tweede verklaring van de getuige en de verklaring bij de rechter-commissaris, omdat hij toen wel een verklaring heeft afgelegd met behulp van een Arabische of Italiaanse tolk en niet is gebleken dat zij elkaar niet begrepen. Poging doodslag of poging zware mishandeling? Op basis van de genoemde bewijsmiddelen onder paragraaf 3.3.1 stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 3 december 2024 in Utrecht zwaaiende/uithalende bewegingen met een mes heeft gemaakt richting het slachtoffer en twee keer met een mes heeft gestoken in zijn bovenbeen, terwijl de medeverdachte het slachtoffer vasthield. Het slachtoffer heeft hierdoor twee steekverwondingen opgelopen in zijn bovenbeen. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden hoe het handelen van de verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden. De advocaat van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in ieder geval vrijgesproken moet worden van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Vrijspraak poging tot doodslag Om te kunnen spreken van een poging tot doodslag moet vast komen te staan dat de verdachte opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer. De rechtbank ziet geen aanwijzingen die er op duiden dat de verdachte de intentie heeft gehad om het slachtoffer te doden. ‘Vol opzet’ kan dan ook niet worden bewezen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank ook van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer de verdachte door zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg (de dood) zal intreden. Of dit het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank stelt vast dat bij het slachtoffer sprake was van letsel aan zijn bovenbeen, namelijk twee steekwonden van respectievelijk 6 en 3 centimeter. Anders dan de officier van justitie betrekt de rechtbank bij het letsel niet de oppervlakkige kleine prikverwonding op de borstkas, omdat niet kan worden vastgesteld dat deze prikverwonding door het mes van de verdachte is veroorzaakt. Het slachtoffer en de getuige hebben allebei niet verklaard dat het mes de borstkas heeft geraakt. Het door de verdachte toegebrachte letsel bevindt zich dus uitsluitend in het bovenbeen. Het dossier bevat echter maar zeer beperkte informatie over de precieze feitelijke toedracht en de wijze waarop de verdachte dit letsel heeft toegebracht. Zo is onder andere onduidelijk met welke kracht de verdachte de zwaaiende/uithalende bewegingen richting het slachtoffer heeft gemaakt en heeft gestoken in het been. Ook is er maar beperkte informatie over het steekwapen (het mes), aangezien deze niet is aangetroffen. Dit zijn allemaal factoren die van belang zijn om te beoordelen of in dit specifieke geval sprake was van een gedraging die een aanmerkelijke kans op de dood in het leven heeft geroepen en of de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Hoewel het een feit van algemene bekendheid is dat het bovenbeen onder andere belangrijke (slag)aderen bevat, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval de enkele vaststelling van twee steekwonden in het bovenbeen, zonder nadere informatie over de richting, kracht en intensiteit van het steken, onvoldoende is om te concluderen dat een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan en dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling Wel kan het handelen van de verdachte worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling. In het bovenbeen zitten kwetsbare pezen en spieren. De kans op zwaar lichamelijk letsel is bij het steken met een mes in het bovenbeen dan ook aanmerkelijk. Het zwaaien/uithalen met een mes en het meerdere keren steken met een mes in het been van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer werd vastgehouden door de medeverdachte en daarmee extra kwetsbaar was, kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Er zijn geen contra-indicaties gebleken die aan dit oordeel kunnen afdoen. De rechtbank vindt daarmee het subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) wettig en overtuigend bewezen. Medeplegen Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer door de medeverdachte werd aangesproken en vastgehouden en dat de verdachte vervolgens met het mes richting het slachtoffer heeft gezwaaid/uitgehaald en twee keer in zijn been heeft gestoken. Na de geweldshandelingen zijn de verdachte en medeverdachte gezamenlijk weggevlucht. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze omstandigheden en de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering van het delict. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging op dit onderdeel. Conclusie De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag en hem veroordelen voor de subsidiair ten laste gelegde medeplegen poging zware mishandeling. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: subsidiair op 3 december 2024 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - die [slachtoffer] heeft vastgepakt en op zijn plek heeft gehouden, - meermalen met een mes, in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gezwaaid en/of heeft uitgehaald en - meermalen met een mes, in het been van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: subsidiair : medeplegen van een poging tot zware mishandeling. 4.2 Strafbaarheid feit en de verdachte 4.2.1 Beroep op (putatief)noodweer(exces) De advocaat van de verdachte voert aan dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer(exces) toekomt. De verdachte werd in paniek gebeld door de medeverdachte die aangaf dat hij bij [locatie] was en dat het slachtoffer, die hem bedreigde, daar ook aanwezig was.
Volledig
Toen de verdachte aankwam zag hij de medeverdachte in gevecht met het slachtoffer. De verdachte zag het slachtoffer grijpen naar zijn tasje en dacht dat hij een mes zou trekken en heeft het slachtoffer toen gestoken omdat hij vreesde voor het leven van de medeverdachte. 4.2.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake was van een noodweersituatie en daarom ook niet van (putatief) noodweer(exces). Zowel de verdachte als de medeverdachte hebben actief het conflict opgezocht. 4.2.3 Oordeel van de rechtbank Noodweer(exces) Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is allereerst vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die was gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard wanneer de gedragingen van de verdachte op grond van zijn bedoelingen of op grond van de uiterlijke verschijningsvorm naar de kern bezien als aanvallend moeten worden beschouwd. Uit het dossier volgt dat de verdachte werd gebeld door de medeverdachte die vertelde dat hij het slachtoffer in zijn buurt zag. Op dat moment was geen sprake van een onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding (een acute aanval) waartegen de verdachte of de medeverdachte zichzelf of een ander mocht verdedigen. Beide verdachten waren op dat moment in een situatie waarin zij zich aan een confrontatie hadden kunnen onttrekken door bijvoorbeeld weg te gaan of de politie te bellen. In plaats daarvan is de verdachte met een mes op zak naar de medeverdachte toe gegaan en heeft hij, nadat de medeverdachte het slachtoffer eerst had aangesproken en vervolgens vastgehouden, het slachtoffer met een mes gestoken. Daarmee hebben zij zelf het initiatief genomen tot de geweldshandelingen en de confrontatie actief opgezocht. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de daaropvolgende handelingen van de verdachte dan ook niet worden beschouwd als verdedigingshandelingen. De verdachte en de medeverdachte hebben zichzelf in deze situatie gebracht ( culpa in causa). Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank dat de verdediging niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie, wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen. Putatief noodweer(exces) Een beroep op putatief noodweer slaagt als de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. Voor de beoordeling van putatief noodweer is een “enigszins geobjectiveerde waarneming” van belang. De verdachte (en medeverdachte) hebben verklaard dat zij dachten te zien dat het slachtoffer naar zijn tasje greep en mogelijk een mes zou pakken. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat het slachtoffer een mes bij zich had. Geen van de aanwezige personen heeft een mes gezien en in de tas van het slachtoffer dat is onderzocht is ook geen mes (of ander wapen) aangetroffen. Daarnaast kan het beroep op putatief noodweer(exces) in dit geval ook niet slagen gelet op de voorgaande conclusie dat de gedragingen van de verdachte - naar de kern bezien - als aanvallend moeten worden beschouwd. Als het slachtoffer al had gegrepen naar zijn tasje, zou dit handelen voortkomen uit een door de verdachte en medeverdachte zelf veroorzaakte confrontatie. Het al dan niet grijpen naar zijn tasje door het slachtoffer moet in dat geval worden gezien als een reactie op de aanval van de verdachte en medeverdachte. Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt daarom ook verworpen. Conclusie De rechtbank verwerpt het beroep op (putatief) noodweer(exces). Niet is gebleken dat er een rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond bestond. Dit betekent dat de feiten strafbaar zijn en dat de verdachte strafbaar is. 5 Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van 32 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 26 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering; - een taakstraf van 220 uur, te vervangen door 110 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan en dat het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een geheel voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daartoe voert zij onder andere aan dat de periode in detentie zwaar is geweest voor de verdachte en dat hij in een korte tijd alles waarvoor hij had gewerkt (opleiding, werk en sociale relaties) zag wegvallen. De schorsingsperiode heeft de verdachte echter aangegrepen om aan zichzelf te werken. Zo heeft hij onder andere zijn werk en opleiding weer opgepakt en heeft hij ook zijn schulden aangepakt. Hij is intrinsiek gemotiveerd om zijn leven op orde te houden en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve ontwikkeling afbreken. De advocaat van de verdachte voert verder aan dat rekening gehouden moet worden met de psychosociale kwetsbaarheid van de verdachte en het advies van de reclassering. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst van het feit en omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een mes te zwaaien/uit te halen richting het slachtoffer en hem meerdere keren te steken met het mes in zijn bovenbeen, terwijl de medeverdachte het slachtoffer op dat moment vasthield. Het slachtoffer heeft daardoor twee steekwonden opgelopen in zijn bovenbeen. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het steekincident speelde zich bovendien op klaarlichte dag af in het centrum van Utrecht, waardoor dit feit – naast de impact op het slachtoffer - bijdraagt aan de gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank heeft ook oog voor het conflict wat kennelijk op de achtergrond speelde, waarbij ook uit politiemutaties is gebleken dat zowel de verdachte als de medeverdachte zijn bedreigd. Dat de verdachte en medeverdachte op eerdere momenten zijn bedreigd doet echter niets af aan het aanvallende karakter van hun gedragingen op 3 december 2024. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Uit het strafblad van de verdachte van 21 oktober 2025 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, namelijk openlijke geweldpleging. De verdachte liep ten tijde van het bewezenverklaarde feit bovendien in de proeftijd van deze straf. Deze eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. In het reclasseringsadvies van 29 oktober 2025, opgesteld door reclasseringswerker [A] , staat dat de reclassering het sociaal netwerk, het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte als delictgerelateerde factoren zien. De verdachte lijkt in probleemsituaties terecht te zijn gekomen door zijn sociale netwerk waarbij hij gevoelig en vatbaar is voor sociale druk. Het lijkt de verdachte te ontbreken aan (probleemoplossende) vaardigheden om in sociale situaties risicovolle omstandigheden en contacten te vermijden. Daarbij lijkt er sprake van een agressieprobleem omdat de verdachte herhaaldelijk vanwege geweldszaken in beeld komt.
Volledig
Toen de verdachte aankwam zag hij de medeverdachte in gevecht met het slachtoffer. De verdachte zag het slachtoffer grijpen naar zijn tasje en dacht dat hij een mes zou trekken en heeft het slachtoffer toen gestoken omdat hij vreesde voor het leven van de medeverdachte. 4.2.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake was van een noodweersituatie en daarom ook niet van (putatief) noodweer(exces). Zowel de verdachte als de medeverdachte hebben actief het conflict opgezocht. 4.2.3 Oordeel van de rechtbank Noodweer(exces) Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is allereerst vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die was gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard wanneer de gedragingen van de verdachte op grond van zijn bedoelingen of op grond van de uiterlijke verschijningsvorm naar de kern bezien als aanvallend moeten worden beschouwd. Uit het dossier volgt dat de verdachte werd gebeld door de medeverdachte die vertelde dat hij het slachtoffer in zijn buurt zag. Op dat moment was geen sprake van een onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding (een acute aanval) waartegen de verdachte of de medeverdachte zichzelf of een ander mocht verdedigen. Beide verdachten waren op dat moment in een situatie waarin zij zich aan een confrontatie hadden kunnen onttrekken door bijvoorbeeld weg te gaan of de politie te bellen. In plaats daarvan is de verdachte met een mes op zak naar de medeverdachte toe gegaan en heeft hij, nadat de medeverdachte het slachtoffer eerst had aangesproken en vervolgens vastgehouden, het slachtoffer met een mes gestoken. Daarmee hebben zij zelf het initiatief genomen tot de geweldshandelingen en de confrontatie actief opgezocht. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de daaropvolgende handelingen van de verdachte dan ook niet worden beschouwd als verdedigingshandelingen. De verdachte en de medeverdachte hebben zichzelf in deze situatie gebracht ( culpa in causa). Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank dat de verdediging niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie, wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen. Putatief noodweer(exces) Een beroep op putatief noodweer slaagt als de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. Voor de beoordeling van putatief noodweer is een “enigszins geobjectiveerde waarneming” van belang. De verdachte (en medeverdachte) hebben verklaard dat zij dachten te zien dat het slachtoffer naar zijn tasje greep en mogelijk een mes zou pakken. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat het slachtoffer een mes bij zich had. Geen van de aanwezige personen heeft een mes gezien en in de tas van het slachtoffer dat is onderzocht is ook geen mes (of ander wapen) aangetroffen. Daarnaast kan het beroep op putatief noodweer(exces) in dit geval ook niet slagen gelet op de voorgaande conclusie dat de gedragingen van de verdachte - naar de kern bezien - als aanvallend moeten worden beschouwd. Als het slachtoffer al had gegrepen naar zijn tasje, zou dit handelen voortkomen uit een door de verdachte en medeverdachte zelf veroorzaakte confrontatie. Het al dan niet grijpen naar zijn tasje door het slachtoffer moet in dat geval worden gezien als een reactie op de aanval van de verdachte en medeverdachte. Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt daarom ook verworpen. Conclusie De rechtbank verwerpt het beroep op (putatief) noodweer(exces). Niet is gebleken dat er een rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond bestond. Dit betekent dat de feiten strafbaar zijn en dat de verdachte strafbaar is. 5 Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van 32 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 26 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering; - een taakstraf van 220 uur, te vervangen door 110 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan en dat het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een geheel voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daartoe voert zij onder andere aan dat de periode in detentie zwaar is geweest voor de verdachte en dat hij in een korte tijd alles waarvoor hij had gewerkt (opleiding, werk en sociale relaties) zag wegvallen. De schorsingsperiode heeft de verdachte echter aangegrepen om aan zichzelf te werken. Zo heeft hij onder andere zijn werk en opleiding weer opgepakt en heeft hij ook zijn schulden aangepakt. Hij is intrinsiek gemotiveerd om zijn leven op orde te houden en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve ontwikkeling afbreken. De advocaat van de verdachte voert verder aan dat rekening gehouden moet worden met de psychosociale kwetsbaarheid van de verdachte en het advies van de reclassering. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst van het feit en omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een mes te zwaaien/uit te halen richting het slachtoffer en hem meerdere keren te steken met het mes in zijn bovenbeen, terwijl de medeverdachte het slachtoffer op dat moment vasthield. Het slachtoffer heeft daardoor twee steekwonden opgelopen in zijn bovenbeen. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het steekincident speelde zich bovendien op klaarlichte dag af in het centrum van Utrecht, waardoor dit feit – naast de impact op het slachtoffer - bijdraagt aan de gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank heeft ook oog voor het conflict wat kennelijk op de achtergrond speelde, waarbij ook uit politiemutaties is gebleken dat zowel de verdachte als de medeverdachte zijn bedreigd. Dat de verdachte en medeverdachte op eerdere momenten zijn bedreigd doet echter niets af aan het aanvallende karakter van hun gedragingen op 3 december 2024. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Uit het strafblad van de verdachte van 21 oktober 2025 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, namelijk openlijke geweldpleging. De verdachte liep ten tijde van het bewezenverklaarde feit bovendien in de proeftijd van deze straf. Deze eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. In het reclasseringsadvies van 29 oktober 2025, opgesteld door reclasseringswerker [A] , staat dat de reclassering het sociaal netwerk, het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte als delictgerelateerde factoren zien. De verdachte lijkt in probleemsituaties terecht te zijn gekomen door zijn sociale netwerk waarbij hij gevoelig en vatbaar is voor sociale druk. Het lijkt de verdachte te ontbreken aan (probleemoplossende) vaardigheden om in sociale situaties risicovolle omstandigheden en contacten te vermijden. Daarbij lijkt er sprake van een agressieprobleem omdat de verdachte herhaaldelijk vanwege geweldszaken in beeld komt.
Volledig
Om deze reden is de verdachte tijdens zijn schorsingstoezicht gestart met de gedragsinterventie I-respect. Volgens de toezichthouder is de verdachte intrinsiek gemotiveerd om zijn leven te herpakken. Zo is hij na detentie weer begonnen met werken in de ouderenzorg en kan hij dit jaar zijn diploma behalen. De verdachte komt gemotiveerd over om met zichzelf aan de slag te gaan, de leefgebieden te stabiliseren en delictgedrag te voorkomen. De verdachte moet wel worden geholpen bij het verkrijgen van meer zelfinzicht in zijn eigen denken en handelen, waarbij hij leert om soortgelijke situaties op een adequate manier op te lossen. Nader onderzoek middels een delictanalyse en verdiepingsdiagnostiek is wenselijk. De reclassering schat het risico op herhaling in als gemiddeld. Vanuit het perspectief van recidivevermindering voor nu maar ook in de toekomst, vindt de reclassering oplegging van een (langdurige)gevangenisstraf minder wenselijk. De detentieperiode heeft laten zien dat de verdachte ook in detentie vatbaar lijkt te zijn voor sociale druk en beïnvloedbaarheid. Daarnaast heeft de verdachte bij een (langdurige) gevangenisstraf veel te verliezen, zoals zijn werk en opleiding. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie agressiebeheersing, meewerken aan verdiepingsdiagnostiek, een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachte en meewerken aan dagbesteding. Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Volgens de oriëntatiepunten voor meerderjarigen wordt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden genomen. Bij een poging gaat er in beginsel een derde af van de uiteindelijke straf. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte de geweldshandelingen samen met de medeverdachte heeft begaan en dat hij al eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, waarbij hij bovendien in de proeftijd liep van deze veroordeling. De aard en de ernst van het feit maakt dat de rechtbank in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van langere duur passend vindt. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank echter wel van oordeel dat het niet passend en wenselijk is om de verdachte terug te sturen naar de gevangenis en ziet aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank let daarbij in het bijzonder op de persoon van de verdachte en het reclasseringsadvies. De verdachte heeft al een paar maanden in voorlopige hechtenis gezeten en hij heeft de schorsing met beide handen aangegrepen om zijn leven in positieve zin op te pakken. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve ontwikkeling doorkruisen. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. De precieze invulling van deze bijzondere voorwaarden staat in de beslissing onder punt 9 van dit vonnis. Met het voorwaardelijke strafdeel heeft de verdachte een stok achter de deur om de huidige positieve lijn voort te zetten en op het rechte pad te blijven. Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook op dit moment nog moet voelen dat zijn gedrag onacceptabel is. Daarom zal de rechtbank naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf opleggen voor de duur van 220 uur. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat zij de verdachte vrijspreekt van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Dadelijke uitvoerbaarheid . De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, namelijk een poging tot zware mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die aan de verdachte worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn. De voorlopige hechtenis De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 6 In beslag genomen voorwerpen 6.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen drugs moet worden onttrokken aan het verkeer. 6.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag. 6.3. Oordeel van de rechtbank Onttrekking aan het verkeer De rechtbank zal de in beslag genomen drugs (te weten verdovende middelen met goednummers 3447563 en 3447564) onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten aangetroffen. 7. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf De politierechter van deze rechtbank heeft op 13 augustus 2024 aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/153296-24 voor openlijke geweldpleging een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. 7.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst en dat de gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf voor de duur van 60 uur, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. 7.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. 7.3. Oordeel van de rechtbank De verdachte heeft zich, gelet op de bewezenverklaring, binnen de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit schuldig gemaakt en daarmee de algemene voorwaarde bij zijn voorwaardelijke veroordeling overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging in beginsel volledig worden toegewezen. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank al uitgelegd waarom zij het niet passend vindt als de verdachte naar de gevangenis wordt gestuurd. De rechtbank is echter wel van oordeel dat de verdachte een stevige consequentie moet ondervinden van het feit dat hij, ondanks een lopende proeftijd, opnieuw in de fout is gegaan. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom toewijzen, maar zal de gevangenisstraf omzetten naar een taakstraf voor de duur van 60 uur. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13a Opiumwet.
Volledig
Om deze reden is de verdachte tijdens zijn schorsingstoezicht gestart met de gedragsinterventie I-respect. Volgens de toezichthouder is de verdachte intrinsiek gemotiveerd om zijn leven te herpakken. Zo is hij na detentie weer begonnen met werken in de ouderenzorg en kan hij dit jaar zijn diploma behalen. De verdachte komt gemotiveerd over om met zichzelf aan de slag te gaan, de leefgebieden te stabiliseren en delictgedrag te voorkomen. De verdachte moet wel worden geholpen bij het verkrijgen van meer zelfinzicht in zijn eigen denken en handelen, waarbij hij leert om soortgelijke situaties op een adequate manier op te lossen. Nader onderzoek middels een delictanalyse en verdiepingsdiagnostiek is wenselijk. De reclassering schat het risico op herhaling in als gemiddeld. Vanuit het perspectief van recidivevermindering voor nu maar ook in de toekomst, vindt de reclassering oplegging van een (langdurige)gevangenisstraf minder wenselijk. De detentieperiode heeft laten zien dat de verdachte ook in detentie vatbaar lijkt te zijn voor sociale druk en beïnvloedbaarheid. Daarnaast heeft de verdachte bij een (langdurige) gevangenisstraf veel te verliezen, zoals zijn werk en opleiding. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie agressiebeheersing, meewerken aan verdiepingsdiagnostiek, een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachte en meewerken aan dagbesteding. Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Volgens de oriëntatiepunten voor meerderjarigen wordt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden genomen. Bij een poging gaat er in beginsel een derde af van de uiteindelijke straf. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte de geweldshandelingen samen met de medeverdachte heeft begaan en dat hij al eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, waarbij hij bovendien in de proeftijd liep van deze veroordeling. De aard en de ernst van het feit maakt dat de rechtbank in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van langere duur passend vindt. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank echter wel van oordeel dat het niet passend en wenselijk is om de verdachte terug te sturen naar de gevangenis en ziet aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank let daarbij in het bijzonder op de persoon van de verdachte en het reclasseringsadvies. De verdachte heeft al een paar maanden in voorlopige hechtenis gezeten en hij heeft de schorsing met beide handen aangegrepen om zijn leven in positieve zin op te pakken. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve ontwikkeling doorkruisen. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. De precieze invulling van deze bijzondere voorwaarden staat in de beslissing onder punt 9 van dit vonnis. Met het voorwaardelijke strafdeel heeft de verdachte een stok achter de deur om de huidige positieve lijn voort te zetten en op het rechte pad te blijven. Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook op dit moment nog moet voelen dat zijn gedrag onacceptabel is. Daarom zal de rechtbank naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf opleggen voor de duur van 220 uur. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat zij de verdachte vrijspreekt van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Dadelijke uitvoerbaarheid . De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, namelijk een poging tot zware mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die aan de verdachte worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn. De voorlopige hechtenis De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 6 In beslag genomen voorwerpen 6.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen drugs moet worden onttrokken aan het verkeer. 6.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag. 6.3. Oordeel van de rechtbank Onttrekking aan het verkeer De rechtbank zal de in beslag genomen drugs (te weten verdovende middelen met goednummers 3447563 en 3447564) onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten aangetroffen. 7. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf De politierechter van deze rechtbank heeft op 13 augustus 2024 aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/153296-24 voor openlijke geweldpleging een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. 7.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst en dat de gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf voor de duur van 60 uur, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. 7.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. 7.3. Oordeel van de rechtbank De verdachte heeft zich, gelet op de bewezenverklaring, binnen de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit schuldig gemaakt en daarmee de algemene voorwaarde bij zijn voorwaardelijke veroordeling overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging in beginsel volledig worden toegewezen. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank al uitgelegd waarom zij het niet passend vindt als de verdachte naar de gevangenis wordt gestuurd. De rechtbank is echter wel van oordeel dat de verdachte een stevige consequentie moet ondervinden van het feit dat hij, ondanks een lopende proeftijd, opnieuw in de fout is gegaan. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom toewijzen, maar zal de gevangenisstraf omzetten naar een taakstraf voor de duur van 60 uur. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13a Opiumwet.
Volledig
9 De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij; bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast; - als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte: zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; actief deelneemt aan de gedragsinterventie I-respect of een andere gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing en/of cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider; meewerkt aan het opstellen van een delictanalyse en verdiepingsdiagnostiek. Afhankelijk van de uitkomst wordt de verdachte aangemeld voor een gedragsinterventie zoals de CoVa of indien meer nodig is, ambulante behandeling. De verdachte laat zich indien nodig geacht door de behandelaar en/of toezichthouder, behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De gedragsinterventie of behandeling start na aanmelding door de toezichthouder. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt met - de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 en - het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2001, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 220 uur ; - beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 110 dagen hechtenis; - beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn; beslag - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer: 5 stuks XTC (G3447563); 2 stuks XTC (G3447564); vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16/153296-24 - wijst de vordering toe; - gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 13 augustus 2024 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf van één maand; - gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf voor de duur van 60 uur; - beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door één (1) maand hechtenis; voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. J.A. Koorevaar en mr. S.T. Könning, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025. Mr. J.A. Koorevaar is niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 3 december 2024 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, - die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of op zijn plek heeft gehouden, - een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft gezwaaid en/of heeft uitgehaald en/of - een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of het been en/of het onderlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 3 december 2024 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of op zijn plek heeft gehouden, - een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft gezwaaid en/of heeft uitgehaald en/of - een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of het been en/of het onderlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met documentcode 241204.0930.17555, doorgenummerd pagina 1 tot en met 236. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Alle opgenomen bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven. Pagina 46. Pagina 47. Pagina 49. Pagina 50. Pagina 211. Pagina 25.
Volledig
9 De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij; bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast; - als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte: zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; actief deelneemt aan de gedragsinterventie I-respect of een andere gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing en/of cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider; meewerkt aan het opstellen van een delictanalyse en verdiepingsdiagnostiek. Afhankelijk van de uitkomst wordt de verdachte aangemeld voor een gedragsinterventie zoals de CoVa of indien meer nodig is, ambulante behandeling. De verdachte laat zich indien nodig geacht door de behandelaar en/of toezichthouder, behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De gedragsinterventie of behandeling start na aanmelding door de toezichthouder. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt met - de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 en - het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2001, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 220 uur ; - beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 110 dagen hechtenis; - beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn; beslag - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer: 5 stuks XTC (G3447563); 2 stuks XTC (G3447564); vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16/153296-24 - wijst de vordering toe; - gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 13 augustus 2024 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf van één maand; - gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf voor de duur van 60 uur; - beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door één (1) maand hechtenis; voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. J.A. Koorevaar en mr. S.T. Könning, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025. Mr. J.A. Koorevaar is niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 3 december 2024 te Utrecht, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf om[slachtoffer]opzettelijkvan het leven te beroven,- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of op zijn plek heeft gehouden,- een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in derichting van en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft gezwaaid en/of heeftuitgehaald en/of- een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in dezij en/of het been en/of het onderlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden: hij op of omstreeks 3 december 2024 te Utrecht, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of op zijn plek heeft gehouden,- een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in derichting van en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft gezwaaid en/of heeftuitgehaald en/of- een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in dezij en/of het been en/of het onderlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met documentcode 241204.0930.17555, doorgenummerd pagina 1 tot en met 236. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Alle opgenomen bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven. Pagina 46. Pagina 47. Pagina 49. Pagina 50. Pagina 211. Pagina 25.