Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-31
ECLI:NL:RBMNE:2025:7874
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/1316 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college, (gemachtigde: mr. C. Ligthart). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of eiser recht heeft op een parkeervergunning. 1.1. Eiser woont aan de [adres] in [plaats] . Eiser en zijn partner hebben de beschikking over een gezamenlijke parkeervoorziening op eigen terrein. 1.2. Op 1 juli 2022 is betaald parkeren ingevoerd in de buurt waar eiser woont, parkeerrayon [locatie] . Daarbij is het adres waar hij woont geplaatst op een lijst waarvoor geen parkeervergunning kan worden uitgegeven (de uitsluitingslijst B1). Dit omdat voor het adres een parkeervoorziening is gerealiseerd op eigen terrein, waar op grond van de Nota Parkeernormen voldoende ruimte is voor het parkeren van eerste of volgende auto’s. In de periode van 17 mei 2022 tot 1 juli 2022 was de overgangsregeling van toepassing op grond waarvan – in afwijking van de Nadere Regel – toch een parkeervergunning aangevraagd kon worden. 1.2. Eiser heeft op 4 september 2024 een parkeervergunning aangevraagd bij zijn woning voor een tweede auto. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 september 2024 afgewezen, omdat eiser op zijn adres niet in aanmerking komt voor een parkeervergunning. Eiser is daartegen in bezwaar gegaan, maar het college is met het besluit van 7 januari 2025 (het bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de gronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen recht heeft op een parkeervergunning en verklaart het beroep dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Heeft eiser op basis van de regelgeving recht op een parkeervergunning? 3. Eiser voert aan dat hij op basis van de regelgeving wel recht heeft op een parkeervergunning. In het parkeerrayon [locatie] Zone B1 hebben de bewoners namelijk recht op twee parkeervergunningen. Dit wordt in het bestreden besluit ook door het college erkend. Ook bij de invoering van het beleid is dit door het college erkend en gaf het college parkeervergunningen uit voor een tweede plek. Dit blijkt uit het feit dat de directe buren op de [straat] wel beschikken over een parkeervergunning voor een tweede auto. Bovendien hebben de buren aan de [straat] de afwijzing van hun aanvraag succesvol aangevochten en beschikken zij inmiddels alsnog over een parkeervergunning voor een tweede auto. Het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel om aan eiser een parkeervergunning te onthouden. Eiser vindt dat het college hem niet kan tegenwerpen dat hij in de overgangsperiode een vergunning voor een tweede parkeerplek (een eerste parkeervergunning) had moeten aanvragen. Eiser had destijds namelijk geen tweede auto en het hebben van een tweede auto is vereist om een parkeervergunning aan te kunnen vragen. 4. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser niet slaagt. De rechtbank stelt voorop dat het college regels mag stellen voor het aanvragen en verlenen van parkeervergunningen. Het beleid van het college is vastgelegd in de Nadere Regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen gemeente Utrecht (hierna: de Nadere Regel). Uit deze regelgeving blijkt, anders dan eiser stelt, niet dat eiser recht heeft op twee parkeerplekken. Uit artikel 9, zevende lid, van de Nadere Regel volgt slechts in zijn algemeenheid dat in de zone waar eiser woont maximaal twee parkeervergunningen per bewoner kunnen worden uitgegeven. Volgens eiser is het niet redelijk dat situatie a onder het beleid valt, en is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van bewoners die vallen onder situatie b. Ook vindt eiser het niet redelijk dat wanneer je voor die eigen parkeervoorziening hebt betaald (zoals eiser heeft gedaan) je door deze regeling wordt gestraft. Mensen die niet in een eigen parkeervoorziening op eigen terrein hebben geïnvesteerd, hebben namelijk wel recht op een parkeervergunning. Ook op dit punt is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. 8. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit luidt: De adressen zijn uitgesloten van een 1e en/of volgende parkeervergunning als: bij een adres een gezamenlijke parkeervoorziening is gerealiseerd op eigen terrein, waar op grond van de Nota Parkeernormen voldoende ruimte is voor het parkeren van een auto of waar is afgeweken van de parkeernorm op grond van hoofdstuk 5.1 of 5.2. (situatie a) ij een adres een gezamenlijke parkeervoorziening is gerealiseerd op eigen terrein, waar op grond van de Nota Parkeernormen voldoende ruimte is voor het parkeren van meerdere voertuigen of waar is afgeweken van de parkeernorm op grond van hoofdstuk 5.1 of 5.2. (situatie b) 8.1. De rechtbank is van oordeel dat de Nadere Regel op dit punt niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. Op grond van de ‘Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en verlening van vergunning voor het parkeren 2014’ is het aan het college om beleid te maken over het verlenen van parkeervergunningen. Uit de Nadere Regel volgt dat het college zowel situatie a als situatie b (dus elk adres met een eigen parkeervoorziening) op grond van artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit kan uitzonderen van het recht op een parkeervergunning. Dit kan het college doen, ongeacht de vraag of op het betreffende adres gelet op bijvoorbeeld de gezinssamenstelling afdoende parkeerplekken aanwezig zijn. Het beleid is er op gericht om parkeerproblemen in de openbare ruimte als gevolg van nieuwbouw te voorkomen en dus ten behoeve van een zo redelijk mogelijke verdeling van de schaarse openbare plekken. Dat er geen onbeperkte mogelijkheden bestaan voor parkeerplekken is inherent aan het wonen in de stad. Verder overweegt de rechtbank dat anders dan eiser stelt, ook in situatie b mogelijk niet voldoende plekken zijn voor de bewoners op dat adres, en dat ook in situatie a het mogelijk is dat er wel voldoende plekken zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beleid van het college niet onredelijk is. 8.2. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat zowel situatie a als situatie b zijn uitgesloten van een eerste en of volgende parkeervergunning, volgt de rechtbank eiser daarin niet. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die op ongelijke wijze worden behandeld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van twee gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Situatie a is niet geheel gelijk aan situatie b en bovendien kunnen aanvragers zowel in situatie a als in situatie b op gelijke wijze geen parkeervergunning krijgen. Ook is er geen sprake van een ongelijke behandeling ten aanzien van de situatie van bewoners die in het geheel geen eigen parkeervoorziening hebben, maar wel recht hebben op een parkeervergunning. Ook in dat geval is geen sprake van een gelijke situatie. Geven de omstandigheden van eiser aanleiding om een uitzondering te maken? 9. Eiser voert aan dat het college op grond van bijzondere omstandigheden hem op grond van de hardheidsclausule een parkeervergunning had moeten verlenen. Eiser is [functie] en moet in korte tijd vanuit huis op zijn werk kunnen zijn als hij een oproep krijgt om te opereren, ook als zijn partner weg is met de auto. Om medisch verantwoorde zorg te kunnen leveren is het daarom noodzakelijk dat eiser over