Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:7867
RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/575679 / HL ZA 24-145 Vonnis van 3 december 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DUTCH EMERGENCY SUPPLIES INTERNATIONAL B.V. , te Dronten , eisende partij, advocaat: mr. M.W. Rijsdijk, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 1. [gedaagde sub 1] B.V. , te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde sub 2] , te [woonplaats] , gedaagde partijen, advocaat: mr. G.A.C. van den Hout. Eisende partij wordt hierna DESI genoemd en gedaagde partijen zullen samen worden aangeduid als [gedaagde sub 1] c.s. en afzonderlijk als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . 1 De procedure 1.1 De rechtbank beschikt over de volgende processtukken: het vonnis in incident van 4 september 2024 en de daarin genoemde stukken; de conclusie van antwoord van 16 oktober 2024 met producties 12 t/m 31; de akte van DESI van 22 januari 2025 met een eiswijziging en producties 29 t/m 33; de akte van DESI van 5 september 2025 met een eiswijziging en producties 34 t/m 41; de akte van DESI van 15 september 2025 met productie 42; de akte van 15 september 2025 van [gedaagde sub 1] c.s. met producties 32 t/m 33; de akte van DESI van 16 september 2025 met productie 43; de akte van [gedaagde sub 1] c.s. van 16 september 2025 met productie 34; de akte van DESI van 18 september 2025 met producties 44 t/m 45; de akte van DESI van 22 september 2025 met producties 46 t/m 47. 1.2 De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2025 plaatsgevonden op de locatie van deze rechtbank in Utrecht. Aan de kant van DESI waren de heer [A] (hierna: [A] ), [.] van DESI , en de heer [B] (hierna: [B] ), [..] van [A] , aanwezig. DESI werd bijgestaan door mr. Rijsdijk en mr. [C] . Aan de kant van [gedaagde sub 1] c.s. zijn de heer [gedaagde sub 2] (hierna: [gedaagde sub 2] ), middellijk directeur van [gedaagde sub 1] , en de heer [D] (hierna: [D] ), verschenen, bijgestaan door mr. Van den Hout. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken. Daarna is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak DESI en [gedaagde sub 1] c.s. hadden een samenwerking met betrekking tot de ontwikkeling en exploitatie van pop-up zorg-/woonunits. De ontwikkeling heeft geleid tot een bouwsysteem op basis waarvan een demo-woonunit is gebouwd. DESI vindt dat [gedaagde sub 1] c.s. deze demo-woonunit en de digitale bestanden waarin het bouwsysteem is vastgelegd (hierna: de Digitale Bestanden) aan haar moet verstrekken. Verder is er volgens DESI sprake van onrechtmatig wapperen omdat [gedaagde sub 1] c.s. niet alleen tegen DESI , maar ook tegenover derden verkondigt dat zij intellectuele eigendomsrechten heeft op het bouwsysteem van de zorg-/woonunits, de demo-woonunit en de Digitale Bestanden. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde sub 1] c.s. de Digitale Bestanden niet aan DESI hoeft te verstrekken. De demo-woonunit behoort toe aan DESI en [gedaagde sub 1] c.s. gezamenlijk, waarbij de rechtbank de unit toebedeelt aan [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] zal daarom € 4.000,- aan DESI moet betalen. Tot slot oordeelt de rechtbank dat van (onrechtmatig) wapperen geen sprake is, waardoor de vorderingen die hierop betrekking hebben worden afgewezen. 3 De achtergrond van het geschil De hoedanigheid van partijen 3.1 DESI is een dochtervennootschap van Dutch Emergency Supplies B.V. ( DES ). DES is op haar beurt weer een dochtervennootschap van Invento B.V. ( Invento ). Invento is houdster van een Nederlands octrooi NL 2018293B1 dat ziet op een onderdeel van een lichtgewicht stalen frame, namelijk de knooppunten. Dit frame wordt met Expanded Polystyrene (EPS) wanden afgebouwd tot woonunit. Dit wordt het ‘ Invento -systeem’ genoemd. [A] is [...] van Invento . 3.2 [gedaagde sub 1] ontwikkelt bouwoplossingen (conceptontwikkeling) en exploiteert deze met behulp van partners, zoals DMT Modular Construction B.V. (hierna: DMT ). Bij d een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig tegenover DESI heeft gehandeld door openbare, en/of aan derden en/of aan DESI gerichte mededelingen die inhouden: o dat zij aanspraak maakt op enige intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem, en/of o dat DESI door het gebruik van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem inbreuk op enige intellectuele eigendomsrechten zou maken of zou dreigen te maken; II. een verklaring voor recht dat geen intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem rusten; III. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] afzonderlijk en gezamenlijk te bevelen dat zij niet langer op enige wijze enig vermeend intellectueel eigendomsrecht onrechtmatig handhaven, daarmee dreigen of anderzijds daarover uitlatingen doen, meer specifiek dat zij zich onthouden van iedere mededeling richting DESI en/of aan derden die inhoudt dat: i. enige intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem rusten, ii. [gedaagde sub 1] c.s. aanspraak maakt op enige intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem, en/of iii. DESI door het gebruik van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem inbreuk op enige intellectuele eigendomsrechten zou maken of zou dreigen te maken, en/of [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] afzonderlijk en gezamenlijk te bevelen onmiddellijk ieder onrechtmatig handelen te staken en gestaakt te houden; IV. Primair: [gedaagde sub 1] te bevelen om de verplichtingen uit de overeenkomst na te komen door de Demo-woonunit af te geven dan wel fysiek aan DESI ter beschikking te stellen en om de Digitale Bestanden aan DESI te leveren door DESI een toegangslink te sturen waarmee DESI toegang heeft tot de digitale omgeving waar de Digitale Bestanden door DESI kunnen worden gedownload; Subsidiair: [gedaagde sub 1] te bevelen om de onrechtmatige daad (het onrechtmatig handhaven van intellectuele eigendomsrechten en het daarmee in stand houden van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming) ongedaan te maken door de Demo-woonunit af te geven dan wel fysiek aan DESI ter beschikking te stellen en om de Digitale Bestanden aan DESI te leveren door DESI een toegangslink te sturen waarmee DESI toegang heeft tot de digitale omgeving waar de Digitale Bestanden door DESI kunnen worden gedownload; Meer subsidiair: de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden tot zover deze strekt tot de vervaardiging van bouwtekeningen en het beschikbaar stellen van de Digitale Bestanden door [gedaagde sub 1] enerzijds en de geldelijke investeringen van DESI daartoe anderzijds; V. in geval van de meer subsidiair gedeeltelijke ontbinding: een verklaring voor recht dat DESI aan haar ongedaanmakingsverplichting heeft voldaan en een bevel voor [gedaagde sub 1] om de ongedaanmakingsverplichting (teruggave van € 29.150,25 of € 27.818,25) aan DESI te voldoen; VI. een veroordeling van [gedaagde sub 1] tot ongedaanmaking van de onverschuldigde betaling (teruggave van € 6.000,-) aan DESI , en ook, voor het geval geoordeeld wordt dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom van de Demo-woonunit, een veroordeling tot (terug)betaling van € 16.434,72 aan DESI wegens onverschuldigde betaling en mee-financiering, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag; VII. een veroordeling van [gedaagde sub 1] tot vergoeding aan DESI van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het schenden van haar zorgplicht ten aanzien van de Demo-woonunit, begroot op minimaal €15.000,-, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente, het meerdere nader op te maken bij staat; VIII. een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de onrechtmatige handelingen, en een hoofdelijke veroordeling van [g Volgens DESI heeft [gedaagde sub 1] meerdere keren tegenover haar geclaimd de intellectuele eigendomsrechten te hebben op het Bouwsysteem en heeft [gedaagde sub 1] aangegeven dit ook zo naar buiten te blijven communiceren. Voor zover hierbij sprake is van wapperen, vindt de rechtbank dit niet onrechtmatig in de zin dat [gedaagde sub 1] in strijd met de geldende zorgvuldigheidsnormen handelde of de mededelingen in nodeloos tendentieuze of agressieve vorm is gedaan. Hierbij wijst de rechtbank op het volgende: o Het gaat om mededelingen aan DESI zelf, niet aan afnemers van DESI ; o In de mededelingen van [gedaagde sub 1] stelt zij zich tegenover DESI op het standpunt dat zij intellectuele eigendomsrechten heeft op PUC dat volgens [gedaagde sub 1] is gebruikt voor de ontwikkeling van het Bouwsysteem. Later heeft [gedaagde sub 1] c.s. dit verduidelijkt door aan te geven dat zij geen intellectuele eigendomsrechten claimt op PUC, maar dat zij stelt de ontwerper van PUC te zijn. o Het betreft geen dreiging met handhaving in de zin dat [gedaagde sub 1] c.s. DESI waarschuwt dat zij inbreuk zou maken op een intellectueel eigendomsrecht van [gedaagde sub 1] ; o Niet kan worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] op het moment van deze mededelingen wist of zich moest beseffen dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat geoordeeld zou worden dat zij geen intellectuele eigendomsrechten op PUC (of de volgens haar daarop gebaseerde Digitale Bestanden waarin het Bouwsysteem is vastgelegd) zou hebben. Daar was toen onvoldoende duidelijkheid over, in ieder geval wat betreft de vraag of sprake kon zijn van auteursrechtelijke bescherming. Volgens DESI heeft [gedaagde sub 1] tijdens een kort geding (hierna: het Kort Geding) dat DESI tegen [gedaagde sub 1] c.s. had aangespannen een beroep gedaan op intellectuele eigendomsrechten en gesteld dat DESI daarop inbreuk dreigde te maken. Van de zitting in deze procedure is verslag gedaan in het regionale dagblad De Stentor. Dit is voor de gemeente Almere (subsidieverstrekker bij bouwprojecten) reden geweest om nadere vragen aan DESI te stellen, aldus DESI , en zij stelt dat hierdoor vertraging in de projectfinanciering is ontstaan, waardoor zij projecten niet heeft kunnen op- of voortzetten. DESI wijst hierbij op de pleitaantekeningen van [gedaagde sub 1] c.s. in het Kort Geding waarin staat vermeld: ‘ Toen het ons duidelijk was geworden dat de heren inbreuk wilde maken op ons intellectuele eigendom hebben we ze logischerwijs de toegang tot de map (met daarin de Digitale Bestanden, rechtbank) ontzegd ’. Ook wijst DESI op het proces-verbaal van het Kort Geding, waarin [gedaagde sub 1] c.s. op vragen van de voorzieningenrechter antwoordt: ‘ 3. In de e-mail van 9 oktober 2023 werd inderdaad geen beroep op IE-rechten gedaan. Maar er werden door DESI pogingen gedaan om de IE-eigendom van [gedaagde sub 1] af te nemen en er werden onwaarheden verspreid. Dat vond [gedaagde sub 1] niet terecht. 4. [gedaagde sub 1] sluit niet uit dat zij IE-rechten (zal) hebben: zij is daarmee bezig. [gedaagde sub 1] weet nog niet of dat haalbaar is, maar [gedaagde sub 1] is zeker weten de bedenker van PUC. ’ Over de mededelingen van [gedaagde sub 1] c.s. dat DESI inbreuk wilde maken op haar intellectuele eigendomsrechten en dat door DESI pogingen waren gedaan om de IE-eigendom van [gedaagde sub 1] af te nemen heeft [gedaagde sub 1] c.s. nog aangevoerd dat zij hier niet mee bedoelde dat zij intellectuele eigendomsrechten pretendeerde te hebben, maar hiermee (alleen) wilde voorkomen dat DESI er met haar creatie (PUC) vandoor zou gaan. Voor zover hierbij sprake is van wapperen vindt de rechtbank deze uitingen ook niet onrechtmatig in de zin dat [gedaagde sub 1] in strijd met de geldende zorgvuldigheidsnormen handelde of de mededelingen in nodeloos tendentieuze of agressieve vorm is gedaan. Hierbij is het volgende van belang: o [gedaagde sub 1] c.s. mocht zich op het moment van het Kort Geding op het standpunt stellen dat De vordering onder III en de daarvoor gevorderde dwangsom onder IX worden afgewezen: geen reële dreiging van onrechtmatig wapperen 4.5 Ook de vordering onder III zal worden afgewezen. Kort gezegd vordert DESI hiermee een bevel voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] om in de toekomst geen mededelingen aan DESI en/of derden te doen over het bestaan van intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem, hier geen aanspraak op te maken en/of zich niet op het standpunt te stellen dat DESI hierop inbreuk zou maken of zou dreigen te maken. Voor de toewijsbaarheid van een dergelijk op de toekomst gericht bevel is noodzakelijk dat er een concreet belang bestaat, in die zin dat er een reële dreiging is dat de handelingen waarop het door DESI gevorderde bevel zien, zullen worden verricht. Deze dreiging is volgens de rechtbank niet aanwezig, omdat [gedaagde sub 1] c.s. in het verleden niet onrechtmatig heeft gewapperd (zie 4.3), en zij zich in deze procedure op het standpunt stelt dat er (ook) wat haar betreft geen intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, het Bouwsysteem en de Demo-woonunit rusten en dat ze daar ook geen beroep op doet. Gelet hierop zal ook de gevorderde dwangsom onder IX voor zover deze ziet op de vordering onder III worden afgewezen. [gedaagde sub 1] hoeft Demo-woonunit en Digitale Bestanden niet aan DESI af te geven De vordering onder IV en XI wordt afgewezen: geen verplichting om Digitale Bestanden af te geven na beëindiging van de samenwerking 4.6 Primair vordert DESI onder IV om [gedaagde sub 1] te bevelen om de Demo-woonunit af te geven aan DESI en de Digitale Bestanden aan DESI te leveren. Volgens DESI zijn dit verplichtingen van [gedaagde sub 1] die voortvloeien uit de samenwerkingsovereenkomst. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. bracht de samenwerking tussen DESI en [gedaagde sub 1] alleen met zich mee dat [gedaagde sub 1] bepaalde werkzaamheden zou verrichten voor derden, zoals [zorgboerderij] , en kwalificeert de overeenkomst tussen partijen als een overeenkomt van opdracht. Hieruit vloeit geen verplichting voort voor [gedaagde sub 1] om de Digitale Bestanden af te geven ondanks dat zij dit eerder onverplicht had gedaan, aldus [gedaagde sub 1] . Wat betreft de Demo-woonunit is volgens [gedaagde sub 1] sprake van mede-eigendom. 4.7 DESI en [gedaagde sub 1] hebben hun samenwerking niet schriftelijk vastgelegd. Er gelden dus mondelinge afspraken. Wat partijen zijn overeengekomen moet daarom worden vastgesteld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit hun verklaringen en gedragingen over en weer hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden. 4.8 Met betrekking tot de Digitale Bestanden was de insteek van [A] en [gedaagde sub 2] dat ze eerst, in de woorden van DESI , ‘verkering zouden aangaan, voordat ze in het huwelijksbootje zouden stappen’. Daarmee werd bedoeld: ze zouden eerst enkele projecten samen doen en als dat goed zou bevallen zouden ze in de toekomst samenwerkingspartners worden. [gedaagde sub 2] , [A] , [B] en [D] zouden dan ieder 25% van de aandelen in DESI krijgen en de (statutaire) naam van DESI zou in [handelsnaam] worden omgezet. Ten tijde van het project [zorgboerderij] was het nog niet zover, en uiteindelijk is deze toekomstige samenwerking er ook niet gekomen. 4.9 [zorgboerderij] gaf in november 2021 DESI de opdracht vier zorg-/woonunits te ontwikkelen. Het project [zorgboerderij] hebben [A] en [gedaagde sub 2] uitgevoerd vanuit DESI , onder de handelsnaam ‘ [handelsnaam] ’. Partijen hebben afgesproken dat die units gebouwd zouden worden bij [gedaagde sub 1] . Dat hebben ze vormgegeven als een opdracht van DESI aan [gedaagde sub 1] . Volgens DESI heeft zij hiervoor input geleverd waarop binnen de samenwerking is voortgeborduurd. Ze wijst daarbij op de door haar (in EP32) overgelegde e-mail van [B] van 8 december 2020 aan onder meer [gedaagde sub 2] . Maar het enige wat in deze e-mail Ook uit de onbenoemde overeenkomst tussen DESI en [gedaagde sub 1] tot gezamenlijke vervaardiging van de Demo-bouwunit vloeit geen verplichting voor [gedaagde sub 1] voort tot afgifte van de Demo-woonunit aan DESI (zie 4.13). In die zin is van onrechtmatigheid aan de kant van [gedaagde sub 1] geen sprake en zal de rechtbank het subsidiair onder IV gevorderde afwijzen. Geen gedeeltelijke ontbinding: van een tekortkoming is geen sprake 4.14 Meer subsidiair onder IV vordert DESI de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst tot zover deze strekt tot de vervaardiging van bouwtekeningen en het beschikbaar stellen van de Digitale Bestanden door [gedaagde sub 1] enerzijds en de geldelijke investeringen van DESI daartoe anderzijds. Ook dit onderdeel van de vordering onder IV zal de rechtbank afwijzen. Van de door DESI gestelde tekortkoming van [gedaagde sub 1] , het niet (meer) leveren van de Digitale Bestanden door het ontnemen van de toegang daartoe, is namelijk geen sprake. Zoals hierboven in 4.10 is geoordeeld, was het ter beschikking stellen van de Digitale Bestanden door [gedaagde sub 1] immers van tijdelijke aard, namelijk voor de duur van het inmiddels geëindigde project [zorgboerderij] . 4.15 Omdat de rechtbank het meer subsidiair onder IV gevorderde zal afwijzen, betekent dit dat ook de vordering onder V (waarin DESI in geval van de meer subsidiair gevorderde gedeeltelijke ontbinding, een verklaring voor recht vordert dat DESI haar ongedaanmakingsverplichting al heeft voldaan en een bevel voor [gedaagde sub 1] om de ongedaanmakingsverplichting aan DESI te voldoen) zal worden afgewezen. 4.16 Gelet op het bovenstaande, zal ook de gevorderde dwangsom onder IX voor zover deze ziet op de vordering onder IV worden afgewezen. De vordering onder VI wordt deels toegewezen, de overige vorderingen worden afgewezen Geen sprake van onverschuldigde betaling, wel gemeenschappelijk eigendom Demo-woonunit 4.17 Onder VI vordert DESI een veroordeling van [gedaagde sub 1] tot ongedaanmaking van een onverschuldigde betaling (teruggave van € 6.000,-) aan DESI . Voor het geval geoordeeld wordt dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom van de Demo-woonunit, vordert DESI ook een veroordeling tot (terug)betaling van € 16.434,72 aan haar wegens onverschuldigde betaling en mee-financiering. 4.18 De rechtbank gaat eerst in op de vordering tot veroordeling van [gedaagde sub 1] tot ongedaanmaking van de door DESI gestelde onverschuldigde betaling door middel van teruggave van € 6.000,-. Dit bedrag betreft een door DESI betaalde factuur van 20 augustus 2021 met omschrijving ‘Product Development, management & prototyping’ die volgens DESI ziet op door [gedaagde sub 1] gefactureerde werkuren in het kader van vervaardiging en ontwikkeling van de Demo-woonunit. Volgens DESI zijn deze werkzaamheden nooit door [gedaagde sub 1] uitgevoerd omdat de Demo-woonunit nog altijd zonder wanden bij [gedaagde sub 1] staat. De factuur van 20 augustus 2021 is volgens haar daarom onverschuldigd betaald (in de zin van artikel 6:203 BW). 4.19 In artikel 6:203 lid 1 BW is gedefinieerd wat onder onverschuldigde betaling wordt verstaan: ‘ Degene die een ander zonder rechtsgrond (onderstreping, rechtbank) een goed heeft gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen ’. Uit artikel 6:203 lid 1 BW vloeit dus voort dat als een rechtsgrond voor de betaling aanwezig is, er geen sprake kan zijn van onverschuldigde betaling. Dit is hier het geval: de rechtsgrond voor de betaling van DESI van € 6.000,- aan [gedaagde sub 1] was namelijk de onbenoemde overeenkomst tot gezamenlijke vervaardiging van de Demo-bouwunit (zie 4.12). Daarom is geen sprake van onverschuldigde betaling, zodat de vordering van DESI tot terugbetaling van het bedrag van € 6.000,- op deze rechtsgrond niet toewijsbaar is. 4.20 Ten aanzien van de Demo-woonunit, is door de rechtbank vastgesteld dat sprake is van een onbenoemde overeenkomst tussen DESI en [gedaagde sub 1] tot ge op 13 maart 2024 aan DESI heeft gedaan (EP16a) en gelet op het feit dat inmiddels alweer 1,5 jaar is verstreken en [gedaagde sub 1] c.s. op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij de Demo-woonunit kan gebruiken bij een ander project, schat de rechtbank de reële waarde van de Demo-woonunit op € 4.000,-. 4.25 Concreet betekent dit dat de rechtbank de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vaststelt, zodanig dat de Demo-woonunit wordt toebedeeld aan [gedaagde sub 1] , onder de verplichting van [gedaagde sub 1] om de reële waarde aan DESI te vergoeden. Dit maakt dat de rechtbank de vordering onder VI zal toewijzen in de zin dat [gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld tot betaling van € 4.000,- aan DESI . De vordering onder VII wordt afgewezen: geen schending zorgplicht door [gedaagde sub 1] ten aanzien van Demo-woonunit 4.26 Onder VII vordert DESI een veroordeling van [gedaagde sub 1] tot vergoeding aan DESI van de schade die zij heeft geleden omdat [gedaagde sub 1] haar zorgplicht ten aanzien van de Demo-woonunit zou hebben geschonden. DESI grondt deze vordering op artikel 6:27 BW. Deze wetsbepaling luidt: ‘ Hij die een individueel bepaalde zaak moet afleveren, is verplicht tot de aflevering voor deze zaak zorg te dragen op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou doen ’. Met aflevering wordt het verschaffen van bezit of houderschap bedoeld. Volgens DESI heeft [gedaagde sub 1] zich niet als een goed huisvader gedragen doordat zij de Demo-woonunit buiten heeft laten staan en niet heeft voorkomen dat deze is gaan lekken en vervolgens is gaan roesten. Ook heeft [gedaagde sub 1] niets gedaan om te voorkomen dat het plafond van de Demo-woonunit naar beneden kwam, aldus DESI . 4.27 Deze vordering zal de rechtbank afwijzen. Uit de onbenoemde overeenkomst tussen DESI en [gedaagde sub 1] tot gezamenlijke vervaardiging van de Demo-bouwunit vloeit geen verplichting voor [gedaagde sub 1] voort tot afgifte van de Demo-woonunit (zie 4.12), artikel 6:27 BW is daarom niet van toepassing. De vordering onder VIII wordt afgewezen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn geen schadevergoeding aan DESI verschuldigd 4.28 Onder VIII vordert DESI een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van onrechtmatige handelingen, en een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot vergoeding aan DESI van de schade, begroot op minimaal €15.000,-, het meerdere op te maken bij staat. De schade bestaat volgens DESI onder andere uit reputatieschade door het onrechtmatig wapperen, die zij schat op minimaal € 5.000,-, en omzetderving, die zij schat op minimaal € 10.000,-. 4.29 Ook deze vordering zal de rechtbank afwijzen. De vordering onder VIII ziet onder andere op reputatieschade door vermeend onrechtmatig wapperen met vermeende intellectuele eigendomsrechten. Van onrechtmatig wapperen is echter geen sprake (zie 4.3). Verder stelt DESI vertragingsschade te lijden door een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door [gedaagde sub 1] , namelijk het uitblijven van levering van de Digitale Bestanden en de afgifte van de Demo-woonunit, waardoor DESI het Bouwsysteem niet (verder) kan ontwikkelen, op- of voortzetten. Hierboven in 4.10 en 4.12 heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor [gedaagde sub 1] geen verplichting hiertoe gold. Van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door [gedaagde sub 1] (en daardoor ontstane vertragingsschade bij DESI ) is dus geen sprake. 5 De proceskosten worden gecompenseerd 5.1 Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 6 De rechtbank gaat voorbij aan de conclusie van [gedaagde sub 1] c.s. om DESI te veroordelen om de door haar gelegde conservatoire beslagen op te heffen 6.1 In haar conclusie van antwoord concludeert [gedaagde sub 1] c.s. tot veroord