Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-11-26
ECLI:NL:RBMNE:2025:7858
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,058 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7858 text/xml public 2026-04-17T10:37:51 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-11-26 C/16/589880 / HL ZA 25-59 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7858 text/html public 2026-04-17T10:37:22 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7858 Rechtbank Midden-Nederland , 26-11-2025 / C/16/589880 / HL ZA 25-59 recht van erfdienstbaarheid, buurweg, noodweg, verjaring RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/589880 / HL ZA 25-59 Vonnis van 26 november 2025 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. E. Douma, tegen [gedaagde] B.V. , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. A.C. Johansen. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de op 27 februari 2025 betekende dagvaarding met 12 producties, - de conclusie van antwoord met 10 producties, - de akte met aanvullende producties 13 t/m 15 van de zijde van [eiser] , - de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] heeft een perceel grond op een recreatie-eiland. Zij wil via de grond van [gedaagde] toegang krijgen tot haar perceel. Zij meent daar om verschillende redenen recht op te hebben. [gedaagde] heeft de toegang naar het recreatie-eiland via haar grond al meer dan twintig jaar afgesloten. Voor zover dat al onrechtmatig zou zijn, heeft [eiser] niet op tijd bezwaar gemaakt tegen die afsluiting. Het recht van [eiser] om toegang via de grond van [gedaagde] af te dwingen, is verjaard. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen 3 De beoordeling Waar deze zaak over gaat 3.1 [eiser] heeft haar stukje grond op het recreatie-eiland geërfd van haar in 2022 overleden tante. Het recreatie-eiland is verdeeld in meerdere percelen. Het eiland is door een draaibrug verbonden met het perceel van [gedaagde] en op die manier, dus via het terrein van [gedaagde] , per voet bereikbaar. Hieronder staat een foto van de situatie: Links onderin ligt het recreatie-eiland met het perceel van [eiser] . Rechts het terrein van [gedaagde] . Rood omcirkeld de draaibrug. (bron: Google Maps) 3.2 Volgens [eiser] gaan de eigenaren van de stukjes grond op het recreatie-eiland, meer in het bijzonder haar tante, al sinds jaar en dag over het terrein van [gedaagde] via de draaibrug naar het eiland. [eiser] meent zij een recht van erfdienstbaarheid heeft. Dat recht zou in dit geval inhouden dat de eigenaar van het dienende erf (het terrein dat nu van [gedaagde] is) verplicht is om toegang te geven aan de eigenaar van het heersende erf (het perceel grond van [eiser] op het recreatie-eiland). Dat recht van erfdienstbaarheid bestaat volgens [eiser] doordat het is ontstaan door (verkrijgende of bevrijdende ) verjaring. In eerste instantie heeft [eiser] zich ook nog beroepen op vestiging van het recht op een erfdienstbaarheid in een notariële akte , maar dat standpunt heeft zij ter zitting laten gaan. Voor vestiging kon zij in de beschikbare aktes onvoldoende bevestiging vinden. Mocht er geen recht van erfdienstbaarheid zijn ontstaan door verjaring, dan is er volgens [eiser] nog sprake van een buurweg of een noodweg en moet [gedaagde] haar op die basis toegang verlenen. [gedaagde] heeft geen toegang tot haar terrein verleend aan de tante van [eiser] 3.3 [gedaagde] heeft haar terrein in 1999 in eigendom gekregen en is het vanaf 2000 gaan ontwikkelen tot het recreatiepark dat het nu is. Onderdeel van de ontwikkeling is dat zij in 2000, uiterlijk in 2003 de toegang naar haar terrein heeft afgesloten met een hek en een poort. Toegangspasjes voor de poort heeft zij gegeven aan haar eigen gasten op het park en aan enkele eigenaren van percelen op het recreatie-eiland. Dat betrof enkele eigenaren die op dat moment nog via het terrein van [gedaagde] van en naar hun perceel op het eiland gingen. Volgens [gedaagde] ging het daarbij om een door haar verleend persoonlijk recht op toegang tot haar terrein. Zij bracht daarvoor aan die eigenaren jaarlijks een vergoeding in rekening. [gedaagde] hield en houdt een administratie bij van de door haar ontvangen vergoedingen voor toegang tot haar terrein. Vanwege de groei van haar eigen recreatiepark en de toename van het aantal gasten, wilde [gedaagde] alleen nog toegangspasjes verstrekken aan haar eigen gasten en het gebruik van pasjes door anderen geleidelijk afbouwen naar nul. Om die reden geeft [gedaagde] geen pasjes uit aan nieuwe eigenaren van percelen op het eiland. Op dit moment zijn er volgens [gedaagde] nog vier eigenaren van een stuk grond op het recreatie-eiland die de beschikking hebben over een pasje en daarmee een persoonlijk recht hebben op toegang tot het terrein van [gedaagde] . 3.4 Vaststaat dat [eiser] uit de nalatenschap van haar tante geen pasje voor de poort heeft ontvangen. Niettemin beschikte haar tante volgens [eiser] over een pasje voor de poort. Zij heeft deze stelling onderbouwd met de door haar in het geding gebrachte verklaringen. Maar deze verklaringen overtuigen niet. Voor zover er in de verklaringen al wordt gesproken over een pasje dat de tante zou hebben gehad, blijkt niet dat dit op basis van eigen wetenschap wordt verklaard. En zelfs als dat wel het geval zou zijn, blijkt nergens uit dat dit een door [gedaagde] aan de tante verstrekt pasje is. De tante van [eiser] heeft volgens [gedaagde] van haar nooit een pasje gekregen. Zij heeft ook nooit een vergoeding betaald. Zij komt in ieder geval in de administratie van [gedaagde] over de afgelopen twaalf jaar niet voor, aldus [gedaagde] . Dat [gedaagde] een vergoeding voor het pasje in rekening bracht, wordt ondersteund door een door [eiser] zelf in het geding gebrachte verklaring. De stelling wordt verder ondersteund door het vonnis van 25 september 2003 dat door [gedaagde] in het geding is gebracht. Ter zitting is van de zijde van [eiser] verklaard dat de tante waarschijnlijk nooit een vergoeding heeft betaald aan [gedaagde] . Dat wijst erop dat de tante geen pasje van [gedaagde] heeft gekregen en dat [gedaagde] haar geen toegang tot haar terrein heeft willen verschaffen. Als dat anders was geweest en het afgegeven pasje bijvoorbeeld kwijt was geraakt, had het recht op toegang eenvoudig onderbouwd kunnen worden door overlegging van bankafschriften waaruit betaling van de jaarlijkse vergoeding zou blijken. Dat is niet gebeurd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] bij de afsluiting van haar terrein geen pasje en daarmee geen toegang tot haar terrein heeft verstrekt aan de tante van [eiser] . Er is geen recht van erfdienstbaarheid (meer) 3.5 Als de stelling van [eiser] dat door verjaring een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan wordt gevolgd, dan is dat recht inmiddels ook weer teniet gegaan. Door de afsluiting van het terrein in uiterlijk 2003 heeft [gedaagde] vanaf dat moment inbreuk gemaakt op het gestelde recht van erfdienstbaarheid van [eiser] (althans haar tante). Door de afsluiting belemmert [gedaagde] immers de bereikbaarheid van het recreatie-eiland via haar terrein. Uit de stellingen en overgelegde verklaringen is niet op te maken dat [eiser] of haar tante in de twintig jaar die op de afsluiting volgden, hebben geklaagd over die inbreuk, laat staan dat de onmiddellijke beëindiging van die inbreuk is geëist. Dat betekent dat er inmiddels zoveel tijd is verstreken dat [eiser] de beëindiging van een inbreuk op haar gestelde recht van erfdienstbaarheid niet meer kan vorderen. Daardoor is het recht van erfdienstbaarheid, voor zover dat al door verjaring was ontstaan, teniet gegaan . Er is geen buurweg 3.6 Datzelfde geldt ook voor zover het recht op toegang tot het terrein van [gedaagde] erop is gebaseerd dat de route over het terrein van [gedaagde] zou kwalificeren als buurweg. Als de route al als zodanig was aan te merken, kan daar door het verloop van de tijd nu geen aanspraak meer op worden gemaakt.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7858 text/xml public 2026-04-17T10:37:51 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-11-26 C/16/589880 / HL ZA 25-59 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7858 text/html public 2026-04-17T10:37:22 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7858 Rechtbank Midden-Nederland , 26-11-2025 / C/16/589880 / HL ZA 25-59 recht van erfdienstbaarheid, buurweg, noodweg, verjaring RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/589880 / HL ZA 25-59 Vonnis van 26 november 2025 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. E. Douma, tegen [gedaagde] B.V. , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. A.C. Johansen. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de op 27 februari 2025 betekende dagvaarding met 12 producties,- de conclusie van antwoord met 10 producties,- de akte met aanvullende producties 13 t/m 15 van de zijde van [eiser] , - de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] heeft een perceel grond op een recreatie-eiland. Zij wil via de grond van [gedaagde] toegang krijgen tot haar perceel. Zij meent daar om verschillende redenen recht op te hebben. [gedaagde] heeft de toegang naar het recreatie-eiland via haar grond al meer dan twintig jaar afgesloten. Voor zover dat al onrechtmatig zou zijn, heeft [eiser] niet op tijd bezwaar gemaakt tegen die afsluiting. Het recht van [eiser] om toegang via de grond van [gedaagde] af te dwingen, is verjaard. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen 3 De beoordeling Waar deze zaak over gaat 3.1 [eiser] heeft haar stukje grond op het recreatie-eiland geërfd van haar in 2022 overleden tante. Het recreatie-eiland is verdeeld in meerdere percelen. Het eiland is door een draaibrug verbonden met het perceel van [gedaagde] en op die manier, dus via het terrein van [gedaagde] , per voet bereikbaar. Hieronder staat een foto van de situatie: Links onderin ligt het recreatie-eiland met het perceel van [eiser] . Rechts het terrein van [gedaagde] . Rood omcirkeld de draaibrug. (bron: Google Maps) 3.2 Volgens [eiser] gaan de eigenaren van de stukjes grond op het recreatie-eiland, meer in het bijzonder haar tante, al sinds jaar en dag over het terrein van [gedaagde] via de draaibrug naar het eiland. [eiser] meent zij een recht van erfdienstbaarheid heeft. Dat recht zou in dit geval inhouden dat de eigenaar van het dienende erf (het terrein dat nu van [gedaagde] is) verplicht is om toegang te geven aan de eigenaar van het heersende erf (het perceel grond van [eiser] op het recreatie-eiland). Dat recht van erfdienstbaarheid bestaat volgens [eiser] doordat het is ontstaan door (verkrijgende of bevrijdende ) verjaring. In eerste instantie heeft [eiser] zich ook nog beroepen op vestiging van het recht op een erfdienstbaarheid in een notariële akte , maar dat standpunt heeft zij ter zitting laten gaan. Voor vestiging kon zij in de beschikbare aktes onvoldoende bevestiging vinden. Mocht er geen recht van erfdienstbaarheid zijn ontstaan door verjaring, dan is er volgens [eiser] nog sprake van een buurweg of een noodweg en moet [gedaagde] haar op die basis toegang verlenen. [gedaagde] heeft geen toegang tot haar terrein verleend aan de tante van [eiser] 3.3 [gedaagde] heeft haar terrein in 1999 in eigendom gekregen en is het vanaf 2000 gaan ontwikkelen tot het recreatiepark dat het nu is. Onderdeel van de ontwikkeling is dat zij in 2000, uiterlijk in 2003 de toegang naar haar terrein heeft afgesloten met een hek en een poort. Toegangspasjes voor de poort heeft zij gegeven aan haar eigen gasten op het park en aan enkele eigenaren van percelen op het recreatie-eiland. Dat betrof enkele eigenaren die op dat moment nog via het terrein van [gedaagde] van en naar hun perceel op het eiland gingen. Volgens [gedaagde] ging het daarbij om een door haar verleend persoonlijk recht op toegang tot haar terrein. Zij bracht daarvoor aan die eigenaren jaarlijks een vergoeding in rekening. [gedaagde] hield en houdt een administratie bij van de door haar ontvangen vergoedingen voor toegang tot haar terrein. Vanwege de groei van haar eigen recreatiepark en de toename van het aantal gasten, wilde [gedaagde] alleen nog toegangspasjes verstrekken aan haar eigen gasten en het gebruik van pasjes door anderen geleidelijk afbouwen naar nul. Om die reden geeft [gedaagde] geen pasjes uit aan nieuwe eigenaren van percelen op het eiland. Op dit moment zijn er volgens [gedaagde] nog vier eigenaren van een stuk grond op het recreatie-eiland die de beschikking hebben over een pasje en daarmee een persoonlijk recht hebben op toegang tot het terrein van [gedaagde] . 3.4 Vaststaat dat [eiser] uit de nalatenschap van haar tante geen pasje voor de poort heeft ontvangen. Niettemin beschikte haar tante volgens [eiser] over een pasje voor de poort. Zij heeft deze stelling onderbouwd met de door haar in het geding gebrachte verklaringen. Maar deze verklaringen overtuigen niet. Voor zover er in de verklaringen al wordt gesproken over een pasje dat de tante zou hebben gehad, blijkt niet dat dit op basis van eigen wetenschap wordt verklaard. En zelfs als dat wel het geval zou zijn, blijkt nergens uit dat dit een door [gedaagde] aan de tante verstrekt pasje is. De tante van [eiser] heeft volgens [gedaagde] van haar nooit een pasje gekregen. Zij heeft ook nooit een vergoeding betaald. Zij komt in ieder geval in de administratie van [gedaagde] over de afgelopen twaalf jaar niet voor, aldus [gedaagde] . Dat [gedaagde] een vergoeding voor het pasje in rekening bracht, wordt ondersteund door een door [eiser] zelf in het geding gebrachte verklaring. De stelling wordt verder ondersteund door het vonnis van 25 september 2003 dat door [gedaagde] in het geding is gebracht. Ter zitting is van de zijde van [eiser] verklaard dat de tante waarschijnlijk nooit een vergoeding heeft betaald aan [gedaagde] . Dat wijst erop dat de tante geen pasje van [gedaagde] heeft gekregen en dat [gedaagde] haar geen toegang tot haar terrein heeft willen verschaffen. Als dat anders was geweest en het afgegeven pasje bijvoorbeeld kwijt was geraakt, had het recht op toegang eenvoudig onderbouwd kunnen worden door overlegging van bankafschriften waaruit betaling van de jaarlijkse vergoeding zou blijken. Dat is niet gebeurd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] bij de afsluiting van haar terrein geen pasje en daarmee geen toegang tot haar terrein heeft verstrekt aan de tante van [eiser] . Er is geen recht van erfdienstbaarheid (meer) 3.5 Als de stelling van [eiser] dat door verjaring een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan wordt gevolgd, dan is dat recht inmiddels ook weer teniet gegaan. Door de afsluiting van het terrein in uiterlijk 2003 heeft [gedaagde] vanaf dat moment inbreuk gemaakt op het gestelde recht van erfdienstbaarheid van [eiser] (althans haar tante). Door de afsluiting belemmert [gedaagde] immers de bereikbaarheid van het recreatie-eiland via haar terrein. Uit de stellingen en overgelegde verklaringen is niet op te maken dat [eiser] of haar tante in de twintig jaar die op de afsluiting volgden, hebben geklaagd over die inbreuk, laat staan dat de onmiddellijke beëindiging van die inbreuk is geëist. Dat betekent dat er inmiddels zoveel tijd is verstreken dat [eiser] de beëindiging van een inbreuk op haar gestelde recht van erfdienstbaarheid niet meer kan vorderen. Daardoor is het recht van erfdienstbaarheid, voor zover dat al door verjaring was ontstaan, teniet gegaan . Er is geen buurweg 3.6 Datzelfde geldt ook voor zover het recht op toegang tot het terrein van [gedaagde] erop is gebaseerd dat de route over het terrein van [gedaagde] zou kwalificeren als buurweg. Als de route al als zodanig was aan te merken, kan daar door het verloop van de tijd nu geen aanspraak meer op worden gemaakt.