Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:7856
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,154 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7856 text/xml public 2026-04-17T11:37:49 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-03 11708935 UC EXPL 25-4442 LvdH/1470 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7856 text/html public 2026-04-17T11:37:13 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7856 Rechtbank Midden-Nederland , 03-12-2025 / 11708935 UC EXPL 25-4442 LvdH/1470 Recht op loondoorbetaling tijdens ziekte, omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 11708935 UC EXPL 25-4442 LvdH/1470 Vonnis van 3 december 2025 in de zaak van [beschermingsbewindvoerder] B.V. in haar hoedanigheid als bewindvoerder over het vermogen van [eiser] , wonend in [woonplaats 1] , verder ook te noemen [eiser] , eisende partij, gemachtigde: mr. M. den Hertog, tegen: [gedaagde] , mede handelend onder de naam [handelsnaam] , wonend in [woonplaats 2] , verder ook te noemen [gedaagde] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. J. Cortet. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 23; - de conclusie van antwoord met producties 1, 2, 3 en 5. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 september 2025. Daarbij is namens [eiser] verschenen de heer [bewindvoerder] , bewindvoerder van [eiser] . Hij werd bijgestaan door de gemachtigde. Namens [gedaagde] was aanwezig mevrouw [A] , werkzaam als assistent van [gedaagde] . Zij werd bijgestaan door de gemachtigde. Zowel [eiser] als [gedaagde] waren zelf niet aanwezig. 1.3 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter [gedaagde] de gelegenheid gegeven de loonstroken over de maanden mei en juni 2024 alsnog te overleggen. Dat heeft [gedaagde] gedaan bij akte van 8 oktober 2025 door overlegging van producties 6, 7 en 8. Bij deze akte is volledigheidshalve nog de ontbrekende eerdere productie 4 gevoegd. Bij akte van 22 oktober 2025 heeft [eiser] hierop gereageerd met overlegging van producties 23 tot en met 25. 1.4 Vervolgens heeft kantonrechter bepaald dat er vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak [eiser] heeft vanaf 1 november 2022 voor [gedaagde] gewerkt als autospuiter. De derde en laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd liep tot 30 april 2024. [eiser] stelt dat hij ook na 1 mei 2024 voor [gedaagde] is blijven werken en dat inmiddels sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [eiser] vordert in deze procedure betaling van zijn loon, ook over de periode nadat hij zich op 3 juli 2024 ziek heeft gemeld. Volgens [gedaagde] is er aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2024 een einde gekomen, omdat [eiser] zijn arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd met ingang van 1 mei 2024. De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 1 mei 2024 is voortgezet en is van oordeel dat [eiser] nog recht heeft op een nader bepaald bedrag aan loon. 3 De beoordeling Ook ná 1 mei 2024 is er sprake van een dienstverband tussen [eiser] en [gedaagde] 3.1 Partijen zijn het erover eens dat [eiser] vanaf 1 november 2022 in dienst is geweest bij [gedaagde] in de functie van autospuiter op basis van drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten voor telkens zes maanden, waarbij de laatste arbeidsovereenkomst liep tot en met 30 april 2024. Over de situatie ná 1 mei 2024 verschillen partijen van mening. 3.2 [eiser] stelt dat hij ook ná 1 mei 2024 is blijven werken voor [gedaagde] . Dit volgt volgens hem uit het feit dat hij zowel over mei als juni 2024 loon heeft ontvangen van [gedaagde] . Ook blijkt uit een overzicht van de Whatsapp-gesprekken tussen [eiser] en [gedaagde] dat zij na 1 mei 2024 contact hebben over het werk, te weten kleurcodes voor verf, vertraging met het openbaar vervoer, betaling van het loon en wanneer en of [eiser] komt werken. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] ook een afschrift overgelegd van zijn ov-chipkaart historie, waaruit zou volgen dat [eiser] in de periode van 1 april tot en met 1 juli 2024 met het openbaar vervoer reist tussen zijn woonplaats [woonplaats 1] en de bushalte in de nabijheid van het bedrijf van [gedaagde] . 3.3 Volgens [gedaagde] is er ná 1 mei 2024 geen sprake meer geweest van een dienstverband tussen hen. [gedaagde] voert hiervoor aan dat [eiser] met zijn e-mail van 4 april 2024 zelf zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en dit heeft [eiser] met de e-mail van 13 april 2024 nog eens bevestigd. Uit de Whatsapp-gesprekken kan volgens [gedaagde] niet worden afgeleid dat er nog sprake was van een dienstverband tussen [eiser] en [gedaagde] . Ook de reisbewegingen met het openbaar vervoer die [eiser] in mei en juni 2024 heeft gemaakt tonen dat niet aan. Met betrekking tot de betalingen in mei en juni 2024 die [gedaagde] aan [eiser] heeft gedaan, wordt aangevoerd dat dit berust op een vergissing. Het was de bedoeling van [gedaagde] om in mei 2024 de eindafrekening op te maken, maar de boekhouder heeft per ongeluk het loon over mei 2024 betaald. Of en wat er over juni 2024 is betaald, is [gedaagde] onbekend, maar hiervan zijn in ieder geval loonstroken beschikbaar, aldus namens [gedaagde] . 3.4 Bij akte van 8 oktober 2025 heeft [gedaagde] de loonstrook over de maand mei 2024 overgelegd. De loonstrook over de maand juni 2024 ontbreekt. Uit de toelichting van [gedaagde] volgt dat de betaling die in mei 2024 is gedaan aan [eiser] zag op een nabetaling van het salaris over de maand maart 2024. Ten onrechte had [gedaagde] het loon over de maand maart 2024 betaald aan schuldeisers van [eiser] en dit is met de betaling van mei 2024 gecorrigeerd en alsnog betaald aan [eiser] . Uit de verklaring van de boekhouder, die ook is overgelegd, volgt dat er over de maand juni 2024 geen loonstrook is opgemaakt, omdat [eiser] uit dienst was en er een eindafrekening moest worden opgemaakt. Deze kon nog niet worden opgemaakt omdat niet duidelijk was welk bedrag er verrekend moest worden in verband met de door [gedaagde] voor [eiser] betaalde schulden aan derden. Het bedrag dat in juni 2024 is overgemaakt aan [eiser] is het bedrag van de afrekening, zonder dat de verrekening is toegepast. Deze betaling is niet correct geweest, zo blijkt uit de verklaring van de boekhouder. Uit deze verklaring volgt ook dat zodra de bedragen bekend zijn die verrekend moeten worden, de eindafrekening alsnog wordt opgesteld door de boekhouder. 3.5 De kantonrechter is van oordeel dat de bedragen die [gedaagde] in mei en juni 2024 heeft betaald aan [eiser] loonbetalingen zijn geweest voor uren die [eiser] voor [gedaagde] heeft gewerkt in die maanden. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 3.6 Dat de betaling over mei 2024 een correctie zou zijn geweest voor de betaling die in maart 2024 niet zou zijn gedaan, acht de kantonrechter niet logisch. Uit productie 24 van [eiser] volgt dat [eiser] op 25 april 2024 een overzicht stuurt aan [gedaagde] van de betalingen waarop [eiser] nog recht zou hebben. Uit die berekening volgt dat het daarbij gaat om een bedrag van € 1.382,46. Dit bedrag is inclusief het loon over maart 2024 waarop [eiser] nog recht zou hebben. Dit exacte bedrag wordt vervolgens op 30 april 2024 betaald door [gedaagde] aan [eiser] met de omschrijving “ loon april + verrekening zorgverzekering ”. Op 4 juni 2024 vraagt [eiser] per Whatsapp aan [gedaagde] wanneer het salaris wordt overgemaakt. [gedaagde] vraagt hierop aan [eiser] zijn rekeningnummer te sturen. [eiser] doet dat vrijwel direct en [gedaagde] reageert hierop een uur later dat het bedrag is overgemaakt (productie 9 bij de dagvaarding). Dat het bedrag diezelfde dag, 4 juni 2024, ook is ontvangen door [eiser] blijkt uit een overzicht van zijn banktransacties (productie 3 bij dagvaarding) waarbij de omschrijving “loon mei” is vermeld. De verklaring van [gedaagde] dat het bedrag dat op 4 juni 2024 aan [eiser] is betaald zou zien op een correctie op het loon over de maand maart 2024 is gelet op deze omstandigheden moeilijk voorstelbaar.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7856 text/xml public 2026-04-17T11:37:49 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-03 11708935 UC EXPL 25-4442 LvdH/1470 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7856 text/html public 2026-04-17T11:37:13 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7856 Rechtbank Midden-Nederland , 03-12-2025 / 11708935 UC EXPL 25-4442 LvdH/1470 Recht op loondoorbetaling tijdens ziekte, omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 11708935 UC EXPL 25-4442 LvdH/1470 Vonnis van 3 december 2025 in de zaak van [beschermingsbewindvoerder] B.V. in haar hoedanigheid als bewindvoerder over het vermogen van [eiser] , wonend in [woonplaats 1] , verder ook te noemen [eiser] , eisende partij, gemachtigde: mr. M. den Hertog, tegen: [gedaagde] , mede handelend onder de naam [handelsnaam] , wonend in [woonplaats 2] , verder ook te noemen [gedaagde] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. J. Cortet. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 23; - de conclusie van antwoord met producties 1, 2, 3 en 5. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 september 2025. Daarbij is namens [eiser] verschenen de heer [bewindvoerder] , bewindvoerder van [eiser] . Hij werd bijgestaan door de gemachtigde. Namens [gedaagde] was aanwezig mevrouw [A] , werkzaam als assistent van [gedaagde] . Zij werd bijgestaan door de gemachtigde. Zowel [eiser] als [gedaagde] waren zelf niet aanwezig. 1.3 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter [gedaagde] de gelegenheid gegeven de loonstroken over de maanden mei en juni 2024 alsnog te overleggen. Dat heeft [gedaagde] gedaan bij akte van 8 oktober 2025 door overlegging van producties 6, 7 en 8. Bij deze akte is volledigheidshalve nog de ontbrekende eerdere productie 4 gevoegd. Bij akte van 22 oktober 2025 heeft [eiser] hierop gereageerd met overlegging van producties 23 tot en met 25. 1.4 Vervolgens heeft kantonrechter bepaald dat er vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak [eiser] heeft vanaf 1 november 2022 voor [gedaagde] gewerkt als autospuiter. De derde en laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd liep tot 30 april 2024. [eiser] stelt dat hij ook na 1 mei 2024 voor [gedaagde] is blijven werken en dat inmiddels sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [eiser] vordert in deze procedure betaling van zijn loon, ook over de periode nadat hij zich op 3 juli 2024 ziek heeft gemeld. Volgens [gedaagde] is er aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2024 een einde gekomen, omdat [eiser] zijn arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd met ingang van 1 mei 2024. De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 1 mei 2024 is voortgezet en is van oordeel dat [eiser] nog recht heeft op een nader bepaald bedrag aan loon. 3 De beoordeling Ook ná 1 mei 2024 is er sprake van een dienstverband tussen [eiser] en [gedaagde] 3.1 Partijen zijn het erover eens dat [eiser] vanaf 1 november 2022 in dienst is geweest bij [gedaagde] in de functie van autospuiter op basis van drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten voor telkens zes maanden, waarbij de laatste arbeidsovereenkomst liep tot en met 30 april 2024. Over de situatie ná 1 mei 2024 verschillen partijen van mening. 3.2 [eiser] stelt dat hij ook ná 1 mei 2024 is blijven werken voor [gedaagde] . Dit volgt volgens hem uit het feit dat hij zowel over mei als juni 2024 loon heeft ontvangen van [gedaagde] . Ook blijkt uit een overzicht van de Whatsapp-gesprekken tussen [eiser] en [gedaagde] dat zij na 1 mei 2024 contact hebben over het werk, te weten kleurcodes voor verf, vertraging met het openbaar vervoer, betaling van het loon en wanneer en of [eiser] komt werken. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] ook een afschrift overgelegd van zijn ov-chipkaart historie, waaruit zou volgen dat [eiser] in de periode van 1 april tot en met 1 juli 2024 met het openbaar vervoer reist tussen zijn woonplaats [woonplaats 1] en de bushalte in de nabijheid van het bedrijf van [gedaagde] . 3.3 Volgens [gedaagde] is er ná 1 mei 2024 geen sprake meer geweest van een dienstverband tussen hen. [gedaagde] voert hiervoor aan dat [eiser] met zijn e-mail van 4 april 2024 zelf zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en dit heeft [eiser] met de e-mail van 13 april 2024 nog eens bevestigd. Uit de Whatsapp-gesprekken kan volgens [gedaagde] niet worden afgeleid dat er nog sprake was van een dienstverband tussen [eiser] en [gedaagde] . Ook de reisbewegingen met het openbaar vervoer die [eiser] in mei en juni 2024 heeft gemaakt tonen dat niet aan. Met betrekking tot de betalingen in mei en juni 2024 die [gedaagde] aan [eiser] heeft gedaan, wordt aangevoerd dat dit berust op een vergissing. Het was de bedoeling van [gedaagde] om in mei 2024 de eindafrekening op te maken, maar de boekhouder heeft per ongeluk het loon over mei 2024 betaald. Of en wat er over juni 2024 is betaald, is [gedaagde] onbekend, maar hiervan zijn in ieder geval loonstroken beschikbaar, aldus namens [gedaagde] . 3.4 Bij akte van 8 oktober 2025 heeft [gedaagde] de loonstrook over de maand mei 2024 overgelegd. De loonstrook over de maand juni 2024 ontbreekt. Uit de toelichting van [gedaagde] volgt dat de betaling die in mei 2024 is gedaan aan [eiser] zag op een nabetaling van het salaris over de maand maart 2024. Ten onrechte had [gedaagde] het loon over de maand maart 2024 betaald aan schuldeisers van [eiser] en dit is met de betaling van mei 2024 gecorrigeerd en alsnog betaald aan [eiser] . Uit de verklaring van de boekhouder, die ook is overgelegd, volgt dat er over de maand juni 2024 geen loonstrook is opgemaakt, omdat [eiser] uit dienst was en er een eindafrekening moest worden opgemaakt. Deze kon nog niet worden opgemaakt omdat niet duidelijk was welk bedrag er verrekend moest worden in verband met de door [gedaagde] voor [eiser] betaalde schulden aan derden. Het bedrag dat in juni 2024 is overgemaakt aan [eiser] is het bedrag van de afrekening, zonder dat de verrekening is toegepast. Deze betaling is niet correct geweest, zo blijkt uit de verklaring van de boekhouder. Uit deze verklaring volgt ook dat zodra de bedragen bekend zijn die verrekend moeten worden, de eindafrekening alsnog wordt opgesteld door de boekhouder. 3.5 De kantonrechter is van oordeel dat de bedragen die [gedaagde] in mei en juni 2024 heeft betaald aan [eiser] loonbetalingen zijn geweest voor uren die [eiser] voor [gedaagde] heeft gewerkt in die maanden. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 3.6 Dat de betaling over mei 2024 een correctie zou zijn geweest voor de betaling die in maart 2024 niet zou zijn gedaan, acht de kantonrechter niet logisch. Uit productie 24 van [eiser] volgt dat [eiser] op 25 april 2024 een overzicht stuurt aan [gedaagde] van de betalingen waarop [eiser] nog recht zou hebben. Uit die berekening volgt dat het daarbij gaat om een bedrag van € 1.382,46. Dit bedrag is inclusief het loon over maart 2024 waarop [eiser] nog recht zou hebben. Dit exacte bedrag wordt vervolgens op 30 april 2024 betaald door [gedaagde] aan [eiser] met de omschrijving “ loon april + verrekening zorgverzekering ”. Op 4 juni 2024 vraagt [eiser] per Whatsapp aan [gedaagde] wanneer het salaris wordt overgemaakt. [gedaagde] vraagt hierop aan [eiser] zijn rekeningnummer te sturen. [eiser] doet dat vrijwel direct en [gedaagde] reageert hierop een uur later dat het bedrag is overgemaakt (productie 9 bij de dagvaarding). Dat het bedrag diezelfde dag, 4 juni 2024, ook is ontvangen door [eiser] blijkt uit een overzicht van zijn banktransacties (productie 3 bij dagvaarding) waarbij de omschrijving “loon mei” is vermeld. De verklaring van [gedaagde] dat het bedrag dat op 4 juni 2024 aan [eiser] is betaald zou zien op een correctie op het loon over de maand maart 2024 is gelet op deze omstandigheden moeilijk voorstelbaar.
Volledig
Daar komt bij dat dit standpunt ook pas bij het nemen van de aanvullende akte is ingenomen en de verklaring die op dat moment voor de betaling van 4 juni 2024 wordt gegeven niet goed verenigbaar is met wat hierover eerder door [gedaagde] is geschreven in de conclusie van antwoord. Op grond van het voorgaande stelt de kantonrechter vast dat [gedaagde] op 4 juni 2024 het loon over de maand mei 2024 aan [eiser] heeft voldaan. 3.7 Over het bedrag dat op 28 juni 2024 aan [eiser] is betaald met de omschrijving “ loon juni” , overweegt de kantonrechter het volgende. De verklaring van de boekhouder hierover acht de kantonrechter moeilijk voorstelbaar. Over de maand juni 2024 zou volgens de boekhouder het bedrag van de eindafrekening zijn overgemaakt zonder dat te verrekenen bedragen in mindering zijn gebracht. Waarom dan bij de omschrijving van de betaling “loon juni” is vermeld en niet “eindafrekening” is niet duidelijk geworden. Datzelfde geldt voor het feit dat er nu nog steeds geen correcte eindafrekening is opgemaakt, terwijl er bijna anderhalf jaar is verstreken en er inmiddels wel duidelijkheid had kunnen zijn over welke bedragen verrekend hadden moeten worden. Hier komt nog bij dat het bedrag dat over juni 2024 is betaald ongeveer overeenkomt met de bedragen die [eiser] in daaraan voorafgaande maanden aan nettoloon heeft ontvangen. 3.8 Verder volgt uit de overgelegde Whatsapp-gesprekken dat [eiser] zich ziekmeldt bij [gedaagde] en hem informeert over vertragingen in het openbaar vervoer. Ook is het [gedaagde] die per Whatsapp aan [eiser] vraagt wanneer hij komt werken. Dit, in combinatie met de loonbetalingen over de maanden mei en juni 2024, maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat [eiser] ook ná 1 mei 2024 werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht op grond waarvan [eiser] recht had op loon. Van een einde van het dienstverband per 1 mei 2024 is daarmee dan ook geen sprake. 3.9 Dat [eiser] in april 2024 twee e-mails heeft verstuurd aan [gedaagde] waaruit blijkt dat hij aanstuurt op een beëindiging van het dienstverband per 1 mei 2024 is niet meer relevant, omdat uit het voorgaande volgt dat [eiser] na 1 mei 2024 is doorgegaan met het verrichten van arbeid tegen betaling van loon. Hierdoor moet er vanuit worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst na 1 mei 2024 is voortgezet. 3.10 De periode na 1 mei 2024 waarin [eiser] voor [gedaagde] heeft gewerkt volgt op drie opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Op grond van artikel 7:668a lid 1 sub b BW geldt de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 1 mei 2024 als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [eiser] heeft recht op doorbetaling van zijn loon na 1 juli 2024 3.11 Op 20 mei 2024 heeft [eiser] zich ziekgemeld. [eiser] heeft op 19 mei 2024 een hartinfarct gekregen waarvoor hij met spoed is opgenomen in het UMC Utrecht. Per Whatsapp heeft [eiser] [gedaagde] hierover geïnformeerd en heeft hij [gedaagde] ingelicht over de medische behandelingen die hij nog moest ondergaan in juni en juli 2024. Volgens [eiser] heeft hij zijn werkzaamheden bij [gedaagde] op 11 juni 2024 weer hervat. Op 3 juli 2024 heeft [eiser] zich opnieuw ziekgemeld. Op 15 juli 2024 schrijft [eiser] per e-mail aan zowel [gedaagde] als aan zijn bewindvoerder dat hij nog te ziek is om te komen werken. Zodra hij weer beter is, komt hij werken, zo schrijft [eiser] . Na 1 juli 2024 heeft [eiser] geen loon meer ontvangen. 3.12 [eiser] vordert in deze procedure doorbetaling van zijn loon op grond van artikel 7:629 lid 1 BW. In dat artikel is bepaald dat een werknemer recht heeft op doorbetaling van loon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was. 3.13 Door [gedaagde] is na de ziekmelding van [eiser] geen bedrijfsarts ingeschakeld om de arbeidsongeschiktheid van [eiser] vast te stellen. Dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, omdat hij er – naar nu blijkt ten onrechte – vanuit ging dat er geen dienstverband meer bestond tussen partijen, komt voor rekening en risico van [gedaagde] . Uit de stukken die namens [eiser] zijn overgelegd, waaronder informatie van het ziekenhuis en een overzicht met afspraken met de behandelend artsen in het ziekenhuis, leidt de kantonrechter af dat [eiser] wegens ziekte als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW ongeschikt was om zijn werk te kunnen doen. [eiser] heeft dan ook recht op doorbetaling van zijn loon vanaf het moment dat hij zich (opnieuw) heeft ziekgemeld, te weten vanaf 3 juli 2024. 3.14 Namens [eiser] is aangevoerd dat op de arbeidsovereenkomst tussen hem en [gedaagde] de Cao Metaal en Techniek van toepassing is. Door [gedaagde] is dat niet betwist, zodat de kantonrechter er vanuit gaat dat deze stelling juist. Volgens artikel 67 van de Cao Metaal en Techniek heeft een zieke werknemer de eerste zes maanden recht op 100% doorbetaling van zijn loon en de volgende achttien maanden op 90%. Voor [eiser] geldt daarom dat hij vanaf 3 juli 2024 recht heeft op 100% doorbetaling van zijn loon voor de eerste zes maanden. In het geval van [eiser] gaat het daarbij om een bedrag van € 1.180,97 netto per maand. 3.15 Nu de arbeidsovereenkomst na 1 mei 2024 is voortgezet, heeft [eiser] ook over 1 en 2 juli 2024 recht op doorbetaling van zijn loon. [eiser] heeft tot 18 november 2024 recht op doorbetaling van zijn loon 3.16 Hoe het na juli 2024 met de medische gesteldheid van [eiser] is gegaan is onduidelijk. [eiser] heeft in die periode, zo lijkt het op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden, geen contact met [gedaagde] , afgezien van twee e-mails in augustus 2024. Uit die e-mails blijkt niet hoe het is met [eiser] en of hij in staat en bereid is om te werken. Op 18 november 2024 schrijft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] voor het eerst aan. In die brief vraagt de gemachtigde [gedaagde] te bevestigen dat het dienstverband onverminderd voortduurt en maakt hij aanspraak op het loon over de maanden juli, augustus, september, oktober en november 2024. Ook uit deze brief blijkt niets over hoe het met [eiser] is of hij weer in staat is om te werken. Ook blijkt uit deze brief niet dat er bij [eiser] bereidheid bestaat om de werkzaamheden weer te hervatten. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen of er op 18 november 2024 nog steeds sprake is van een situatie die is beschreven in artikel 7:629 lid 1 BW, namelijk dat [eiser] wegens ziekte ongeschikt is om zijn werk te kunnen doen. Nu ook niet is gebleken dat [eiser] op 18 november 2024 bereid was zijn werkzaamheden te hervatten op dat moment of enig ander moment, is de kantonrechter van oordeel dat de loondoorbetalingsverplichting van [gedaagde] per die datum is geëindigd. Het had namelijk op de weg van [eiser] , althans zijn gemachtigde, gelegen daarover op dat moment meer duidelijkheid te verschaffen. 3.17 Dit betekent dat [eiser] over de periode van 1 juli 2024 tot 18 november 2024 recht heeft op 100% doorbetaling van zijn loon, te weten een bedrag ter hoogte van het bruto equivalent van € 1.180,87 netto per maand. Ook de gevorderde rente over het achterstallige loon wordt toegewezen. Wettelijke verhoging 3.18 [gedaagde] heeft vanaf 1 juli 2024 helemaal geen loon meer aan [eiser] betaald, terwijl hij daar wel recht op had. Dat betekent dat [eiser] aanspraak heeft op een verhoging wegens de vertraging (artikel 7:625 lid 1 BW). Die beperkt de kantonrechter tot 25%, omdat dat percentage gelet op de omstandigheden billijk voorkomt. Hierbij speelt een rol dat [eiser] ziek was en er door [gedaagde] geen bedrijfsarts is ingeschakeld, maar aan de andere kant ook niet kan worden vastgesteld dat [eiser] nog wilde werken bij [gedaagde] . Ook de gevorderde rente over de verhoging wordt toegewezen. Proceskosten 3.19 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 847,50 (2,5 punten x tarief € 339,00) - nakosten € 135,00 Totaal € 1.216,97 3.20 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Volledig
Daar komt bij dat dit standpunt ook pas bij het nemen van de aanvullende akte is ingenomen en de verklaring die op dat moment voor de betaling van 4 juni 2024 wordt gegeven niet goed verenigbaar is met wat hierover eerder door [gedaagde] is geschreven in de conclusie van antwoord. Op grond van het voorgaande stelt de kantonrechter vast dat [gedaagde] op 4 juni 2024 het loon over de maand mei 2024 aan [eiser] heeft voldaan. 3.7 Over het bedrag dat op 28 juni 2024 aan [eiser] is betaald met de omschrijving “ loon juni” , overweegt de kantonrechter het volgende. De verklaring van de boekhouder hierover acht de kantonrechter moeilijk voorstelbaar. Over de maand juni 2024 zou volgens de boekhouder het bedrag van de eindafrekening zijn overgemaakt zonder dat te verrekenen bedragen in mindering zijn gebracht. Waarom dan bij de omschrijving van de betaling “loon juni” is vermeld en niet “eindafrekening” is niet duidelijk geworden. Datzelfde geldt voor het feit dat er nu nog steeds geen correcte eindafrekening is opgemaakt, terwijl er bijna anderhalf jaar is verstreken en er inmiddels wel duidelijkheid had kunnen zijn over welke bedragen verrekend hadden moeten worden. Hier komt nog bij dat het bedrag dat over juni 2024 is betaald ongeveer overeenkomt met de bedragen die [eiser] in daaraan voorafgaande maanden aan nettoloon heeft ontvangen. 3.8 Verder volgt uit de overgelegde Whatsapp-gesprekken dat [eiser] zich ziekmeldt bij [gedaagde] en hem informeert over vertragingen in het openbaar vervoer. Ook is het [gedaagde] die per Whatsapp aan [eiser] vraagt wanneer hij komt werken. Dit, in combinatie met de loonbetalingen over de maanden mei en juni 2024, maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat [eiser] ook ná 1 mei 2024 werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht op grond waarvan [eiser] recht had op loon. Van een einde van het dienstverband per 1 mei 2024 is daarmee dan ook geen sprake. 3.9 Dat [eiser] in april 2024 twee e-mails heeft verstuurd aan [gedaagde] waaruit blijkt dat hij aanstuurt op een beëindiging van het dienstverband per 1 mei 2024 is niet meer relevant, omdat uit het voorgaande volgt dat [eiser] na 1 mei 2024 is doorgegaan met het verrichten van arbeid tegen betaling van loon. Hierdoor moet er vanuit worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst na 1 mei 2024 is voortgezet. 3.10 De periode na 1 mei 2024 waarin [eiser] voor [gedaagde] heeft gewerkt volgt op drie opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Op grond van artikel 7:668a lid 1 sub b BW geldt de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 1 mei 2024 als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [eiser] heeft recht op doorbetaling van zijn loon na 1 juli 2024 3.11 Op 20 mei 2024 heeft [eiser] zich ziekgemeld. [eiser] heeft op 19 mei 2024 een hartinfarct gekregen waarvoor hij met spoed is opgenomen in het UMC Utrecht. Per Whatsapp heeft [eiser] [gedaagde] hierover geïnformeerd en heeft hij [gedaagde] ingelicht over de medische behandelingen die hij nog moest ondergaan in juni en juli 2024. Volgens [eiser] heeft hij zijn werkzaamheden bij [gedaagde] op 11 juni 2024 weer hervat. Op 3 juli 2024 heeft [eiser] zich opnieuw ziekgemeld. Op 15 juli 2024 schrijft [eiser] per e-mail aan zowel [gedaagde] als aan zijn bewindvoerder dat hij nog te ziek is om te komen werken. Zodra hij weer beter is, komt hij werken, zo schrijft [eiser] . Na 1 juli 2024 heeft [eiser] geen loon meer ontvangen. 3.12 [eiser] vordert in deze procedure doorbetaling van zijn loon op grond van artikel 7:629 lid 1 BW. In dat artikel is bepaald dat een werknemer recht heeft op doorbetaling van loon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was. 3.13 Door [gedaagde] is na de ziekmelding van [eiser] geen bedrijfsarts ingeschakeld om de arbeidsongeschiktheid van [eiser] vast te stellen. Dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, omdat hij er – naar nu blijkt ten onrechte – vanuit ging dat er geen dienstverband meer bestond tussen partijen, komt voor rekening en risico van [gedaagde] . Uit de stukken die namens [eiser] zijn overgelegd, waaronder informatie van het ziekenhuis en een overzicht met afspraken met de behandelend artsen in het ziekenhuis, leidt de kantonrechter af dat [eiser] wegens ziekte als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW ongeschikt was om zijn werk te kunnen doen. [eiser] heeft dan ook recht op doorbetaling van zijn loon vanaf het moment dat hij zich (opnieuw) heeft ziekgemeld, te weten vanaf 3 juli 2024. 3.14 Namens [eiser] is aangevoerd dat op de arbeidsovereenkomst tussen hem en [gedaagde] de Cao Metaal en Techniek van toepassing is. Door [gedaagde] is dat niet betwist, zodat de kantonrechter er vanuit gaat dat deze stelling juist. Volgens artikel 67 van de Cao Metaal en Techniek heeft een zieke werknemer de eerste zes maanden recht op 100% doorbetaling van zijn loon en de volgende achttien maanden op 90%. Voor [eiser] geldt daarom dat hij vanaf 3 juli 2024 recht heeft op 100% doorbetaling van zijn loon voor de eerste zes maanden. In het geval van [eiser] gaat het daarbij om een bedrag van € 1.180,97 netto per maand. 3.15 Nu de arbeidsovereenkomst na 1 mei 2024 is voortgezet, heeft [eiser] ook over 1 en 2 juli 2024 recht op doorbetaling van zijn loon. [eiser] heeft tot 18 november 2024 recht op doorbetaling van zijn loon 3.16 Hoe het na juli 2024 met de medische gesteldheid van [eiser] is gegaan is onduidelijk. [eiser] heeft in die periode, zo lijkt het op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden, geen contact met [gedaagde] , afgezien van twee e-mails in augustus 2024. Uit die e-mails blijkt niet hoe het is met [eiser] en of hij in staat en bereid is om te werken. Op 18 november 2024 schrijft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] voor het eerst aan. In die brief vraagt de gemachtigde [gedaagde] te bevestigen dat het dienstverband onverminderd voortduurt en maakt hij aanspraak op het loon over de maanden juli, augustus, september, oktober en november 2024. Ook uit deze brief blijkt niets over hoe het met [eiser] is of hij weer in staat is om te werken. Ook blijkt uit deze brief niet dat er bij [eiser] bereidheid bestaat om de werkzaamheden weer te hervatten. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen of er op 18 november 2024 nog steeds sprake is van een situatie die is beschreven in artikel 7:629 lid 1 BW, namelijk dat [eiser] wegens ziekte ongeschikt is om zijn werk te kunnen doen. Nu ook niet is gebleken dat [eiser] op 18 november 2024 bereid was zijn werkzaamheden te hervatten op dat moment of enig ander moment, is de kantonrechter van oordeel dat de loondoorbetalingsverplichting van [gedaagde] per die datum is geëindigd. Het had namelijk op de weg van [eiser] , althans zijn gemachtigde, gelegen daarover op dat moment meer duidelijkheid te verschaffen. 3.17 Dit betekent dat [eiser] over de periode van 1 juli 2024 tot 18 november 2024 recht heeft op 100% doorbetaling van zijn loon, te weten een bedrag ter hoogte van het bruto equivalent van € 1.180,87 netto per maand. Ook de gevorderde rente over het achterstallige loon wordt toegewezen. Wettelijke verhoging 3.18 [gedaagde] heeft vanaf 1 juli 2024 helemaal geen loon meer aan [eiser] betaald, terwijl hij daar wel recht op had. Dat betekent dat [eiser] aanspraak heeft op een verhoging wegens de vertraging (artikel 7:625 lid 1 BW). Die beperkt de kantonrechter tot 25%, omdat dat percentage gelet op de omstandigheden billijk voorkomt. Hierbij speelt een rol dat [eiser] ziek was en er door [gedaagde] geen bedrijfsarts is ingeschakeld, maar aan de andere kant ook niet kan worden vastgesteld dat [eiser] nog wilde werken bij [gedaagde] . Ook de gevorderde rente over de verhoging wordt toegewezen. Proceskosten 3.19 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 847,50 (2,5 punten x tarief € 339,00) - nakosten € 135,00 Totaal € 1.216,97 3.20 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.