Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-10
ECLI:NL:RBMNE:2025:7845
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,117 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7845 text/xml public 2026-04-17T11:30:20 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-10 C/16/548936 / HA ZA 22-628 (hoofdzaak) en 564572 HA ZA 23-664 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7845 text/html public 2026-04-17T11:28:00 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7845 Rechtbank Midden-Nederland , 10-12-2025 / C/16/548936 / HA ZA 22-628 (hoofdzaak) en 564572 HA ZA 23-664 Tussenvonnis. De rechtbank is van plan om een deskundige te benoemen voor de beantwoording van vragen over de oorzaak van storingen aan de door eiseres gehuurde torenkraan. Partijen mogen zich hierover uitlaten bij akte. RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummers: C/16/548936 / HA ZA 22-628 (hoofdzaak) en 564572 HA ZA 23-664 (vrijwaring) Vonnis van 10 december 2025 in de hoofdzaak van [eiseres] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats 1] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. W.H.C. Bulthuis, tegen [verweerster] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats 2] , verweerster in conventie, eiseres in reconventie, hierna te noemen: [verweerster] , advocaat: [onttrokken], en in de vrijwaringszaak van [verweerster] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats 2] , eiseres in conventie, verweerster in de voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen: [verweerster] , advocaat: [onttrokken], tegen de vennootschap naar buitenlands recht [gedaagde] LTD , gevestigd in [vestigingsplaats 3] (Verenigd Koninkrijk), gedaagde in conventie, eiseres in de voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaten: mrs. S. Zuidam en T.E. Hovius. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit: - het vonnis in het vrijwaringsincident van 8 maart 2023, - de conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord in reconventie met producties 38 tot en met 42, - de akte overlegging producties, met daarin een wijziging van eis, aan de zijde van [eiseres] , - de akte overlegging producties 11 tot en met 13 aan de zijde van [verweerster] , - de mondelinge behandeling van 11 juli 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2 Het verloop van de procedure in de vrijwaring blijkt uit: - het vonnis in het bevoegdheidsincident van 3 april 2024, - de conclusie van antwoord, tevens houdende een voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 4 tot en met 29, - de conclusie van antwoord in de voorwaardelijke reconventie, - de akte overlegging producties 30 tot en met 38 aan de zijde van [gedaagde] , - de akte overlegging producties 22 en 23 aan de zijde van [verweerster] , - de mondelinge behandeling van 11 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.3 Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat op 27 augustus 2025 een vonnis zou worden uitgesproken in beide procedures. Wegens omstandigheden – vooral de overname van de zaak door een nieuwe behandelend gerechtsjurist vanwege een nieuwe baan bij de gerechtsjurist die ter zitting aanwezig was – is deze datum verschoven naar vandaag. 2 De kern van beide zaken 2.1 [eiseres] heeft een torenkraan van [verweerster] gehuurd om een melkfabriek te bouwen. Tijdens de bouw van de melkfabriek heeft [eiseres] te maken gekregen met storingen aan de torenkraan, waardoor haar werkzaamheden telkens stil kwamen te liggen. In deze procedure vordert [eiseres] vergoeding van verschillende schadeposten door [verweerster] , die volgens [eiseres] het gevolg zijn van de storingen aan de torenkraan. [verweerster] vindt dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] . Volgens [verweerster] is namelijk niet duidelijk wat de oorzaak van de storingen is geweest. Daarnaast voert [verweerster] aan dat de torenkraan (door haar dochtervennootschap) weer gehuurd is van [gedaagde] , en dat [gedaagde] daarom de schade van [eiseres] moet vergoeden. Hierom heeft [verweerster] [gedaagde] in vrijwaring opgeroepen. 3 De beoordeling 3.1 In de hoofdzaak is de rechtbank van plan om een deskundige te benoemen die onderzoek gaat doen naar de storingen aan de torenkraan. Iedere verdere beslissing in beide zaken wordt aangehouden in afwachting van dit onderzoek. In de vrijwaringszaak overweegt de rechtbank wel alvast dat zij de vorderingen van [verweerster] zal afwijzen in het eindvonnis. Hieronder legt de rechtbank uit waarom zij zo beslist. in de hoofdzaak in conventie en reconventie 3.2 Naast de vorderingen van [eiseres] in conventie, vordert [verweerster] in reconventie dat [eiseres] openstaande huurfacturen betaalt en gehuurd materiaal teruggeeft aan [verweerster] . Of deze reconventionele vorderingen slagen, hangt af van de vraag of [eiseres] in conventie een vordering heeft op [verweerster] . Vanwege deze samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden die gezamenlijk behandeld. [eiseres] en [verweerster] hebben op 23 september 2021 een overeenkomst gesloten 3.3 Partijen zijn het allereerst oneens over welke afspraken zij met elkaar hebben gemaakt bij de (ver)huur van de torenkraan. [verweerster] vindt dat haar opdrachtbevestiging van 23 september 2021 aan [eiseres] als overeenkomst tussen partijen geldt. Maar daar is [eiseres] het om meerdere redenen niet mee eens. 3.4 Een afspraak – of: overeenkomst – ontstaat door een aanbod en de aanvaarding daarvan. De vraag hier is dus wat [verweerster] heeft aangeboden en wat [eiseres] heeft aanvaard. Met andere woorden: wat was [verweerster] van plan te gaan doen en waarmee heeft [verweerster] ingestemd. Die instemming hoeft niet altijd een duidelijke ‘ja’ of ‘akkoord’ te zijn, maar kan ook blijken uit wat iemand verder zegt of doet; ook dat staat in de wet. 3.5 In de wet staat daarnaast dat iemand die niet instemt, maar wel dingen zegt of doet waardoor het lijkt alsof hij/zij wél akkoord is, soms toch aan afspraken gehouden kan worden. Dat is zo wanneer de andere partij er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat iemand akkoord ging. Dit betekent dat [eiseres] aan de afspraken is gebonden als zij de indruk heeft gewekt dat zij akkoord was door wat zij heeft gezegd of gedaan én [verweerster] daarop mocht vertrouwen. 3.6 In dit geval is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] met de opdrachtbevestiging van 23 september 2021 heeft ingestemd, of dat [verweerster] er in ieder geval op mocht vertrouwen dat [eiseres] daarmee akkoord ging. 3.7 [eiseres] is vanaf maart 2021 in gesprek gegaan met [verweerster] om te kijken of zij van [verweerster] een torenkraan en een personen- en goederenlift kon huren. Na meerdere gesprekken heeft [verweerster] uiteindelijk op 23 september 2021 de opdrachtbevestiging naar [eiseres] gestuurd. Hierin stond onder meer dat [verweerster] voor 37 weken een torenkraan van het type ‘Potain MDT 269 J12’ kon verhuren tegen een prijs van € 125.000,-. Bij het versturen van de opdrachtbevestiging heeft [verweerster] daarnaast gevraagd om deze ondertekend te retourneren als bevestiging. Weliswaar heeft [eiseres] dit uiteindelijk nooit gedaan. Maar vaststaat dat [verweerster] na de toezending van de opdrachtbevestiging verder is gegaan met de voorbereidingen voor de levering en installatie van de torenkraan. Ook ontkent [eiseres] niet dat partijen na 23 september 2021 regelmatig contact hebben gehad over de levering en installatie van de torenkraan. Hierbij heeft [eiseres] op geen enkel moment laten weten niet akkoord te zijn met de opdrachtbevestiging, terwijl dit wel van haar verwacht mocht worden als zij het niet eens was met deze afspraken over de opdracht aan [verweerster] . 3.8 Tegen deze omstandigheden heeft [eiseres] onvoldoende ingebracht. Volgens [eiseres] geldt de opdrachtbevestiging onder meer niet omdat [verweerster] zonder overleg een ander type torenkraan (Jaso 300 L) heeft geleverd. Maar de rechtbank vindt dit niet geloofwaardig.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7845 text/xml public 2026-04-17T11:30:20 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-10 C/16/548936 / HA ZA 22-628 (hoofdzaak) en 564572 HA ZA 23-664 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7845 text/html public 2026-04-17T11:28:00 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7845 Rechtbank Midden-Nederland , 10-12-2025 / C/16/548936 / HA ZA 22-628 (hoofdzaak) en 564572 HA ZA 23-664 Tussenvonnis. De rechtbank is van plan om een deskundige te benoemen voor de beantwoording van vragen over de oorzaak van storingen aan de door eiseres gehuurde torenkraan. Partijen mogen zich hierover uitlaten bij akte. RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummers: C/16/548936 / HA ZA 22-628 (hoofdzaak) en 564572 HA ZA 23-664 (vrijwaring) Vonnis van 10 december 2025 in de hoofdzaak van [eiseres] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats 1] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. W.H.C. Bulthuis, tegen [verweerster] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats 2] , verweerster in conventie, eiseres in reconventie, hierna te noemen: [verweerster] , advocaat: [onttrokken], en in de vrijwaringszaak van [verweerster] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats 2] , eiseres in conventie, verweerster in de voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen: [verweerster] , advocaat: [onttrokken], tegen de vennootschap naar buitenlands recht [gedaagde] LTD , gevestigd in [vestigingsplaats 3] (Verenigd Koninkrijk), gedaagde in conventie, eiseres in de voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaten: mrs. S. Zuidam en T.E. Hovius. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit: - het vonnis in het vrijwaringsincident van 8 maart 2023, - de conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord in reconventie met producties 38 tot en met 42, - de akte overlegging producties, met daarin een wijziging van eis, aan de zijde van [eiseres] , - de akte overlegging producties 11 tot en met 13 aan de zijde van [verweerster] , - de mondelinge behandeling van 11 juli 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2 Het verloop van de procedure in de vrijwaring blijkt uit: - het vonnis in het bevoegdheidsincident van 3 april 2024, - de conclusie van antwoord, tevens houdende een voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 4 tot en met 29, - de conclusie van antwoord in de voorwaardelijke reconventie, - de akte overlegging producties 30 tot en met 38 aan de zijde van [gedaagde] , - de akte overlegging producties 22 en 23 aan de zijde van [verweerster] , - de mondelinge behandeling van 11 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.3 Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat op 27 augustus 2025 een vonnis zou worden uitgesproken in beide procedures. Wegens omstandigheden – vooral de overname van de zaak door een nieuwe behandelend gerechtsjurist vanwege een nieuwe baan bij de gerechtsjurist die ter zitting aanwezig was – is deze datum verschoven naar vandaag. 2 De kern van beide zaken 2.1 [eiseres] heeft een torenkraan van [verweerster] gehuurd om een melkfabriek te bouwen. Tijdens de bouw van de melkfabriek heeft [eiseres] te maken gekregen met storingen aan de torenkraan, waardoor haar werkzaamheden telkens stil kwamen te liggen. In deze procedure vordert [eiseres] vergoeding van verschillende schadeposten door [verweerster] , die volgens [eiseres] het gevolg zijn van de storingen aan de torenkraan. [verweerster] vindt dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] . Volgens [verweerster] is namelijk niet duidelijk wat de oorzaak van de storingen is geweest. Daarnaast voert [verweerster] aan dat de torenkraan (door haar dochtervennootschap) weer gehuurd is van [gedaagde] , en dat [gedaagde] daarom de schade van [eiseres] moet vergoeden. Hierom heeft [verweerster] [gedaagde] in vrijwaring opgeroepen. 3 De beoordeling 3.1 In de hoofdzaak is de rechtbank van plan om een deskundige te benoemen die onderzoek gaat doen naar de storingen aan de torenkraan. Iedere verdere beslissing in beide zaken wordt aangehouden in afwachting van dit onderzoek. In de vrijwaringszaak overweegt de rechtbank wel alvast dat zij de vorderingen van [verweerster] zal afwijzen in het eindvonnis. Hieronder legt de rechtbank uit waarom zij zo beslist. in de hoofdzaak in conventie en reconventie 3.2 Naast de vorderingen van [eiseres] in conventie, vordert [verweerster] in reconventie dat [eiseres] openstaande huurfacturen betaalt en gehuurd materiaal teruggeeft aan [verweerster] . Of deze reconventionele vorderingen slagen, hangt af van de vraag of [eiseres] in conventie een vordering heeft op [verweerster] . Vanwege deze samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden die gezamenlijk behandeld. [eiseres] en [verweerster] hebben op 23 september 2021 een overeenkomst gesloten 3.3 Partijen zijn het allereerst oneens over welke afspraken zij met elkaar hebben gemaakt bij de (ver)huur van de torenkraan. [verweerster] vindt dat haar opdrachtbevestiging van 23 september 2021 aan [eiseres] als overeenkomst tussen partijen geldt. Maar daar is [eiseres] het om meerdere redenen niet mee eens. 3.4 Een afspraak – of: overeenkomst – ontstaat door een aanbod en de aanvaarding daarvan. De vraag hier is dus wat [verweerster] heeft aangeboden en wat [eiseres] heeft aanvaard. Met andere woorden: wat was [verweerster] van plan te gaan doen en waarmee heeft [verweerster] ingestemd. Die instemming hoeft niet altijd een duidelijke ‘ja’ of ‘akkoord’ te zijn, maar kan ook blijken uit wat iemand verder zegt of doet; ook dat staat in de wet. 3.5 In de wet staat daarnaast dat iemand die niet instemt, maar wel dingen zegt of doet waardoor het lijkt alsof hij/zij wél akkoord is, soms toch aan afspraken gehouden kan worden. Dat is zo wanneer de andere partij er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat iemand akkoord ging. Dit betekent dat [eiseres] aan de afspraken is gebonden als zij de indruk heeft gewekt dat zij akkoord was door wat zij heeft gezegd of gedaan én [verweerster] daarop mocht vertrouwen. 3.6 In dit geval is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] met de opdrachtbevestiging van 23 september 2021 heeft ingestemd, of dat [verweerster] er in ieder geval op mocht vertrouwen dat [eiseres] daarmee akkoord ging. 3.7 [eiseres] is vanaf maart 2021 in gesprek gegaan met [verweerster] om te kijken of zij van [verweerster] een torenkraan en een personen- en goederenlift kon huren. Na meerdere gesprekken heeft [verweerster] uiteindelijk op 23 september 2021 de opdrachtbevestiging naar [eiseres] gestuurd. Hierin stond onder meer dat [verweerster] voor 37 weken een torenkraan van het type ‘Potain MDT 269 J12’ kon verhuren tegen een prijs van € 125.000,-. Bij het versturen van de opdrachtbevestiging heeft [verweerster] daarnaast gevraagd om deze ondertekend te retourneren als bevestiging. Weliswaar heeft [eiseres] dit uiteindelijk nooit gedaan. Maar vaststaat dat [verweerster] na de toezending van de opdrachtbevestiging verder is gegaan met de voorbereidingen voor de levering en installatie van de torenkraan. Ook ontkent [eiseres] niet dat partijen na 23 september 2021 regelmatig contact hebben gehad over de levering en installatie van de torenkraan. Hierbij heeft [eiseres] op geen enkel moment laten weten niet akkoord te zijn met de opdrachtbevestiging, terwijl dit wel van haar verwacht mocht worden als zij het niet eens was met deze afspraken over de opdracht aan [verweerster] . 3.8 Tegen deze omstandigheden heeft [eiseres] onvoldoende ingebracht. Volgens [eiseres] geldt de opdrachtbevestiging onder meer niet omdat [verweerster] zonder overleg een ander type torenkraan (Jaso 300 L) heeft geleverd. Maar de rechtbank vindt dit niet geloofwaardig.
Volledig
[verweerster] heeft namelijk specifiek uiteengezet dat partijen hebben afgesproken dat er een andere, maar vergelijkbare torenkraan geleverd zou worden. Bovendien heeft [eiseres] geen correspondentie tussen partijen overgelegd waarin zij bezwaar maakt tegen de levering van een andere torenkraan, of er op zijn minst vragen over stelt. Dit had wel voor de hand gelegen als [verweerster] zonder overleg een heel ander type torenkraan had geleverd. Ook gaat de stelling van [eiseres] niet op dat tussen partijen op 30 november 2021 een nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen. [verweerster] heeft deze overeenkomst namelijk niet ondertekend. Daarnaast heeft [eiseres] het document pas op 15 december 2021 naar [verweerster] gestuurd. Op dat moment was de torenkraan al geïnstalleerd op de bouwplaats en had [eiseres] deze zelfs al in gebruik genomen. Hieruit volgt in ieder geval niet dat partijen een andere overeenkomst hebben gesloten dan die van 23 september 2021. De algemene voorwaarden van [verweerster] zijn niet van toepassing 3.9 Partijen zijn het ook niet eens over de vraag of de algemene voorwaarden van [verweerster] van toepassing zijn op de overeenkomst van 23 september 2021. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. [verweerster] heeft haar algemene voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst namelijk nooit uitdrukkelijk van toepassing verklaard, terwijl dit wel vereist is. Dit komt allereerst doordat [verweerster] in de opdrachtbevestiging van 23 september 2021 op geen enkele manier heeft verwezen naar haar algemene voorwaarden. Daar komt bij dat [verweerster] ook geen andere stukken of berichten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard op de opdrachtbevestiging van 23 september 2021. [verweerster] heeft de algemene voorwaarden wel meegestuurd met die opdrachtbevestiging, maar dat alleen is dus niet voldoende. Dat [verweerster] zich later nog heeft beroepen op haar algemene voorwaarden verandert hier ook niets aan. Dit is namelijk pas (maanden) na 23 september 2021 gebeurd en heeft dus geen rol gespeeld bij het sluiten van de overeenkomst tussen [eiseres] en [verweerster] . De rechtbank is van plan om een deskundige te benoemen 3.10 [eiseres] heeft de torenkraan uiteindelijk begin december 2021 in gebruik genomen. Maar tijdens haar bouwwerkzaamheden kwam de torenkraan vervolgens verschillende keren in storing te staan. Hierdoor lagen de bouwwerkzaamheden van [eiseres] telkens stil totdat een monteur – van [gedaagde] – de storingen kwam verhelpen. [eiseres] stelt dat zij in totaal € 655.511,30 aan schade heeft geleden door deze storingen en vordert dat [verweerster] dit bedrag aan haar vergoedt. [verweerster] wil deze schade niet vergoeden. Zij voert onder meer aan dat de storingen kunnen komen door problemen met de stroomvoorziening op de bouwplaats. Hier was [eiseres] volgens [verweerster] zelf voor verantwoordelijk. Ook de eigenaar van de torenkraan [gedaagde] heeft in de vrijwaringszaak een soortgelijk standpunt ingenomen. Bij de huidige stand van zaken kan de rechtbank nog niet vaststellen wat (en in welke mate) de oorzaak is geweest van de storingen aan de torenkraan. Hier zijn meerdere redenen voor. 3.11 [gedaagde] heeft in de vrijwaringszaak uitgebreid betwist dat de gehuurde torenkraan gebrekkig was. Deze stukken zijn vervolgens door [verweerster] ook ingebracht in deze hoofdzaak, de procedure tussen [eiseres] en [verweerster] . In deze stukken voert [gedaagde] allereerst aan dat de meeste storingen niet aan de torenkraan liggen, maar dat fluctuaties in de stroomsterkte op de bouwplaats de oorzaak zijn. Volgens [gedaagde] zijn er namelijk pieken van 200 ampère gemeten, terwijl de torenkraan helemaal niet bestand was tegen zulke stroomsterktes. [gedaagde] voegt daar nog aan toe dat dit zou moeten komen doordat de stroom voor de bouwplaats werd afgenomen van een naastgelegen fabriek. [eiseres] betwist dat de stroomvoorziening gebrekkig is geweest en voert aan dat de torenkraan nooit op dezelfde stroomvoorziening heeft gedraaid als de fabriek. Maar uit de overgelegde stukken lijkt ook te volgen dat er in ieder geval één keer stroompieken van 200 ampère zijn gemeten op de bouwplaats. 3.12 Het tweede punt is dat de storingen volgens [gedaagde] daarnaast kunnen komen doordat de stroomvoorziening op de bouwplaats niet sterk genoeg was om de torenkraan goed te gebruiken. Hierover voert [gedaagde] aan dat de gehuurde torenkraan minimaal 160 ampère nodig had om te draaien, terwijl er maar 125 ampère beschikbaar was op de bouwplaats. Vast staat dat partijen in eerste instantie hebben geprobeerd om de torenkraan op 125 ampère te laten draaien met omvormers, en dat de stroomsterkte uiteindelijk alsnog is opgehoogd naar 160 ampère. Tijdens de zitting heeft [eiseres] weliswaar aangevoerd dat dit niet heeft geleid tot minder storingen, maar onder meer in de huurovereenkomst van de torenkraan staat wel dat deze normaal 189.8 ampère nodig heeft. 3.13 Bij dit alles speelt tot slot nog mee dat [verweerster] een ander type torenkraan heeft geleverd aan [eiseres] , dan partijen in eerste instantie hadden afgesproken. In de opdrachtbevestiging van 23 september 2021 ging het namelijk om het type Potain MDT 269 J12, terwijl [verweerster] uiteindelijk een ‘Jaso 300 L’ heeft verhuurd aan [eiseres] . Hierover heeft [verweerster] aangevoerd dat het om vergelijkbare types torenkranen gaat. Maar volgens [eiseres] kan de Potain MDT 269 J12 wél op 125 ampère draaien, terwijl [gedaagde] dus aanvoert dat de Jaso 300 L dat niet kon. Dit is met name van belang omdat [verweerster] niet heeft weersproken dat [eiseres] een aansluiting tot slechts 125 ampère hoefde te regelen op de bouwplaats. Bij de vraag of [verweerster] de schade van [eiseres] moet vergoeden, gaat het er dus ook om in hoeverre deze types torenkranen van elkaar verschillen. Dat is nu alleen nog niet duidelijk. 3.14 Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen wat (en in welke mate) de oorzaak is geweest van de storingen aan de torenkraan. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten. Hierbij gaat het dan om een onderzoek op basis van het dossier. De werkzaamheden aan de melkfabriek zijn namelijk al afgerond en dus heeft onderzoek ter plaatse geen zin meer. 3.15 De rechtbank is van plan [deskundige 1] en [deskundige 2] als deskundigen te benoemen. Zij zijn werkzaam bij [bedrijf] uit Eindhoven, dat deskundig is op het gebied van stroomvoorzieningen. [bedrijf] heeft aangegeven ook achteraf met behulp van een simulatieprogramma, na input door partijen van bepaalde gegevens, te kunnen reconstrueren wat de meest aannemelijke oorzaak zou kunnen zijn van de opgetreden storingen aan de torenkraan. Voor haar onderzoek begroot [bedrijf] de kosten voorlopig op € 12.000,- excl. btw, dus € 14.520,- incl. btw. De rechtbank is voornemens dit bedrag als voorschot te bepalen. 3.16 De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, de aan de deskundige te stellen vragen en het aan de deskundige te betalen voorschot. Partijen kunnen ook zelf, gezamenlijk, een deskundige voordragen waaraan de rechtbank zich zal conformeren. 3.17 De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de eisende partij moet worden betaald. 3.18 In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen. 3.19 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. in de vrijwaringszaak De vordering van [verweerster] zal worden afgewezen 3.20 In de vrijwaringszaak vordert [verweerster] dat [gedaagde] haar het bedrag moet betalen, dat [verweerster] aan [eiseres] bij een veroordeling in hoofdzaak moet betalen. De rechtbank zal deze vorderingen van [verweerster] in de vrijwaringsprocedure afwijzen. Voor een geslaagd beroep op vrijwaring is vereist dat [gedaagde] vanwege een rechtsverhouding met [verweerster] (een overeenkomst bijvoorbeeld), verplicht is de kosten van een veroordeling van [verweerster] in de hoofdzaak te vergoeden.
Volledig
[verweerster] heeft namelijk specifiek uiteengezet dat partijen hebben afgesproken dat er een andere, maar vergelijkbare torenkraan geleverd zou worden. Bovendien heeft [eiseres] geen correspondentie tussen partijen overgelegd waarin zij bezwaar maakt tegen de levering van een andere torenkraan, of er op zijn minst vragen over stelt. Dit had wel voor de hand gelegen als [verweerster] zonder overleg een heel ander type torenkraan had geleverd. Ook gaat de stelling van [eiseres] niet op dat tussen partijen op 30 november 2021 een nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen. [verweerster] heeft deze overeenkomst namelijk niet ondertekend. Daarnaast heeft [eiseres] het document pas op 15 december 2021 naar [verweerster] gestuurd. Op dat moment was de torenkraan al geïnstalleerd op de bouwplaats en had [eiseres] deze zelfs al in gebruik genomen. Hieruit volgt in ieder geval niet dat partijen een andere overeenkomst hebben gesloten dan die van 23 september 2021. De algemene voorwaarden van [verweerster] zijn niet van toepassing 3.9 Partijen zijn het ook niet eens over de vraag of de algemene voorwaarden van [verweerster] van toepassing zijn op de overeenkomst van 23 september 2021. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. [verweerster] heeft haar algemene voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst namelijk nooit uitdrukkelijk van toepassing verklaard, terwijl dit wel vereist is. Dit komt allereerst doordat [verweerster] in de opdrachtbevestiging van 23 september 2021 op geen enkele manier heeft verwezen naar haar algemene voorwaarden. Daar komt bij dat [verweerster] ook geen andere stukken of berichten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard op de opdrachtbevestiging van 23 september 2021. [verweerster] heeft de algemene voorwaarden wel meegestuurd met die opdrachtbevestiging, maar dat alleen is dus niet voldoende. Dat [verweerster] zich later nog heeft beroepen op haar algemene voorwaarden verandert hier ook niets aan. Dit is namelijk pas (maanden) na 23 september 2021 gebeurd en heeft dus geen rol gespeeld bij het sluiten van de overeenkomst tussen [eiseres] en [verweerster] . De rechtbank is van plan om een deskundige te benoemen 3.10 [eiseres] heeft de torenkraan uiteindelijk begin december 2021 in gebruik genomen. Maar tijdens haar bouwwerkzaamheden kwam de torenkraan vervolgens verschillende keren in storing te staan. Hierdoor lagen de bouwwerkzaamheden van [eiseres] telkens stil totdat een monteur – van [gedaagde] – de storingen kwam verhelpen. [eiseres] stelt dat zij in totaal € 655.511,30 aan schade heeft geleden door deze storingen en vordert dat [verweerster] dit bedrag aan haar vergoedt. [verweerster] wil deze schade niet vergoeden. Zij voert onder meer aan dat de storingen kunnen komen door problemen met de stroomvoorziening op de bouwplaats. Hier was [eiseres] volgens [verweerster] zelf voor verantwoordelijk. Ook de eigenaar van de torenkraan [gedaagde] heeft in de vrijwaringszaak een soortgelijk standpunt ingenomen. Bij de huidige stand van zaken kan de rechtbank nog niet vaststellen wat (en in welke mate) de oorzaak is geweest van de storingen aan de torenkraan. Hier zijn meerdere redenen voor. 3.11 [gedaagde] heeft in de vrijwaringszaak uitgebreid betwist dat de gehuurde torenkraan gebrekkig was. Deze stukken zijn vervolgens door [verweerster] ook ingebracht in deze hoofdzaak, de procedure tussen [eiseres] en [verweerster] . In deze stukken voert [gedaagde] allereerst aan dat de meeste storingen niet aan de torenkraan liggen, maar dat fluctuaties in de stroomsterkte op de bouwplaats de oorzaak zijn. Volgens [gedaagde] zijn er namelijk pieken van 200 ampère gemeten, terwijl de torenkraan helemaal niet bestand was tegen zulke stroomsterktes. [gedaagde] voegt daar nog aan toe dat dit zou moeten komen doordat de stroom voor de bouwplaats werd afgenomen van een naastgelegen fabriek. [eiseres] betwist dat de stroomvoorziening gebrekkig is geweest en voert aan dat de torenkraan nooit op dezelfde stroomvoorziening heeft gedraaid als de fabriek. Maar uit de overgelegde stukken lijkt ook te volgen dat er in ieder geval één keer stroompieken van 200 ampère zijn gemeten op de bouwplaats. 3.12 Het tweede punt is dat de storingen volgens [gedaagde] daarnaast kunnen komen doordat de stroomvoorziening op de bouwplaats niet sterk genoeg was om de torenkraan goed te gebruiken. Hierover voert [gedaagde] aan dat de gehuurde torenkraan minimaal 160 ampère nodig had om te draaien, terwijl er maar 125 ampère beschikbaar was op de bouwplaats. Vast staat dat partijen in eerste instantie hebben geprobeerd om de torenkraan op 125 ampère te laten draaien met omvormers, en dat de stroomsterkte uiteindelijk alsnog is opgehoogd naar 160 ampère. Tijdens de zitting heeft [eiseres] weliswaar aangevoerd dat dit niet heeft geleid tot minder storingen, maar onder meer in de huurovereenkomst van de torenkraan staat wel dat deze normaal 189.8 ampère nodig heeft. 3.13 Bij dit alles speelt tot slot nog mee dat [verweerster] een ander type torenkraan heeft geleverd aan [eiseres] , dan partijen in eerste instantie hadden afgesproken. In de opdrachtbevestiging van 23 september 2021 ging het namelijk om het type Potain MDT 269 J12, terwijl [verweerster] uiteindelijk een ‘Jaso 300 L’ heeft verhuurd aan [eiseres] . Hierover heeft [verweerster] aangevoerd dat het om vergelijkbare types torenkranen gaat. Maar volgens [eiseres] kan de Potain MDT 269 J12 wél op 125 ampère draaien, terwijl [gedaagde] dus aanvoert dat de Jaso 300 L dat niet kon. Dit is met name van belang omdat [verweerster] niet heeft weersproken dat [eiseres] een aansluiting tot slechts 125 ampère hoefde te regelen op de bouwplaats. Bij de vraag of [verweerster] de schade van [eiseres] moet vergoeden, gaat het er dus ook om in hoeverre deze types torenkranen van elkaar verschillen. Dat is nu alleen nog niet duidelijk. 3.14 Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen wat (en in welke mate) de oorzaak is geweest van de storingen aan de torenkraan. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten. Hierbij gaat het dan om een onderzoek op basis van het dossier. De werkzaamheden aan de melkfabriek zijn namelijk al afgerond en dus heeft onderzoek ter plaatse geen zin meer. 3.15 De rechtbank is van plan [deskundige 1] en [deskundige 2] als deskundigen te benoemen. Zij zijn werkzaam bij [bedrijf] uit Eindhoven, dat deskundig is op het gebied van stroomvoorzieningen. [bedrijf] heeft aangegeven ook achteraf met behulp van een simulatieprogramma, na input door partijen van bepaalde gegevens, te kunnen reconstrueren wat de meest aannemelijke oorzaak zou kunnen zijn van de opgetreden storingen aan de torenkraan. Voor haar onderzoek begroot [bedrijf] de kosten voorlopig op € 12.000,- excl. btw, dus € 14.520,- incl. btw. De rechtbank is voornemens dit bedrag als voorschot te bepalen. 3.16 De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, de aan de deskundige te stellen vragen en het aan de deskundige te betalen voorschot. Partijen kunnen ook zelf, gezamenlijk, een deskundige voordragen waaraan de rechtbank zich zal conformeren. 3.17 De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de eisende partij moet worden betaald. 3.18 In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen. 3.19 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. in de vrijwaringszaak De vordering van [verweerster] zal worden afgewezen 3.20 In de vrijwaringszaak vordert [verweerster] dat [gedaagde] haar het bedrag moet betalen, dat [verweerster] aan [eiseres] bij een veroordeling in hoofdzaak moet betalen. De rechtbank zal deze vorderingen van [verweerster] in de vrijwaringsprocedure afwijzen. Voor een geslaagd beroep op vrijwaring is vereist dat [gedaagde] vanwege een rechtsverhouding met [verweerster] (een overeenkomst bijvoorbeeld), verplicht is de kosten van een veroordeling van [verweerster] in de hoofdzaak te vergoeden.