Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-04
ECLI:NL:RBMNE:2025:7841
Civiel recht
Kort geding
7,873 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7841 text/xml public 2026-04-17T10:46:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-04 11926865 \ UV EXPL 25-263 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7841 text/html public 2026-04-17T10:46:08 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7841 Rechtbank Midden-Nederland , 04-12-2025 / 11926865 \ UV EXPL 25-263 Kort geding; buitengerechtelijke ontbinding huurovereenkomst vanwege burgemeestersluiting; ontruiming en huurachterstand worden toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11926865 \ UV EXPL 25-263 Vonnis in kort geding van 4 december 2025 in de zaak van STICHTING BO-EX '91 , gevestigd in Utrecht, eisende partij, hierna te noemen: Bo-Ex, gemachtigde: mr. P.F.M. Broos, tegen [gedaagde] , woonachtig in [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. R. van Veen. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 12 november 2025, met producties 1 t/m 11. 1.2 De mondelinge behandeling was op 20 november 2025. Namens Bo-Ex was [A] ( [functie] ) aanwezig met gemachtigde mr. P.F.M. Broos. [gedaagde] was ook aanwezig, met haar zoon [zoon 1] en gemachtigde mr. R. van Veen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3 Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] huurt sinds 1 april 2012 de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] van Bo-Ex. Bo-Ex vordert dat [gedaagde] de woning ontruimt (verlaat), omdat Bo-Ex de huurovereenkomst zonder tussenkomst van de rechter heeft ontbonden. Dit heeft Bo-Ex gedaan omdat er onder andere handelshoeveelheden drugs in de woning zijn aangetroffen en de burgermeester de woning daarom voor 6 maanden heeft gesloten. Ook zou [gedaagde] niet meer haar hoofdverblijf in de woning hebben. Bo-Ex vordert daarnaast de huurachterstand die op dit moment € 6.821,97 is. [gedaagde] voert daartegen aan dat zij niets wist van de drugs die zijn gevonden. Zij stelt dat zij vaak in Engeland is voor medische behandelingen, maar dat zij nog wel in de woning woont, samen met haar zoon [zoon 1] . Als ze de woning moet verlaten dan wil zij een ontruimingstermijn van 6 maanden. De kantonrechter wijst de vorderingen van Bo-Ex grotendeels toe. Dit betekent dat [gedaagde] de woning binnen 14 dagen moet verlaten en de huurachterstand moet betalen. 3 De beoordeling Het beoordelingskader in kort geding 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zéér waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarnaast geldt dat voor bewijslevering in principe geen ruimte is in kort geding. 3.2 Ontruiming is een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel. Omdat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek moet de rechter zich volgens vaste rechtspraak terughoudend opstellen bij de beoordeling van zo’n vordering. Bo-Ex heeft een spoedeisend belang bij haar vordering 3.3 Een spoedeisend belang is aanwezig als van Bo-Ex niet verwacht kan worden dat zij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) afwacht. Dat is hier het geval. Bo-Ex heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Dit betekent dat de huurovereenkomst niet meer bestaat en [gedaagde] in beginsel geen recht meer heeft om in de woning te wonen. [gedaagde] stemt niet in met de beëindiging van de huurovereenkomst, zodat Bo-Ex een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. [gedaagde] moet de woning verlaten Bo-Ex heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en mocht dit doen 3.4 Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Bo-Ex op goede gronden de huurovereenkomst heeft ontbonden. In artikel 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de verhuurder een huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de rechter, kan ontbinden als door gedragingen in de woning in strijd met artikel 10a lid 1 sub 3 of artikel 11a van de Opiumwet is gehandeld en de woning daarom op grond van artikel 13b Opiumwet is gesloten. 3.5 De burgemeester heeft de woning op basis van de informatie uit de bestuurlijke rapportage van 12 mei 2025 direct op basis van artikel 13b lid 1 sub a Opiumwet voor 6 maanden gesloten, omdat in de woning voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen die (kort gezegd) bestemd zijn voor de productie, het bewerken en/of het verwerven van drugs. De buitengerechtelijke ontbinding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar 3.6 Door de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden heeft Bo-Ex gebruik gemaakt van een bevoegdheid die de wet haar geeft, maar dit betekent niet altijd dat de gevorderde ontruiming op deze grond kan worden toegewezen. De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of het beroep van Bo-Ex op artikel 7:231 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Bij deze toetsing moet de kantonrechter alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen en de belangen van partijen afwegen. Op basis van de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet worden geconcludeerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bo-Ex de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. Hierna wordt dit uitgelegd. 3.7 De burgermeester heeft de woning in haar besluit van 19 mei 2025 voor 6 maanden gesloten. Bo-Ex heeft de huurovereenkomst vervolgens op 20 juni 2025 buitengerechtelijk ontbonden. Omdat [gedaagde] en haar zoon het niet eens waren met de sluiting van de woning, hebben zij een schorsingsverzoek bij de voorzieningenrechter van de afdeling bestuursrecht ingediend. Die voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 22 augustus 2025 afgewezen. Daarna heeft Bo-Ex op 17 september 2025 nogmaals aan (de gemachtigde van) [gedaagde] laten weten dat zij de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden dan wel ontbindt en [gedaagde] (nogmaals) de kans gegeven om de woning vrijwillig te verlaten. [gedaagde] heeft de woning niet verlaten. 3.8 Uit het besluit van de burgermeester en de bestuurlijke rapportages van de politie volgt dat op 12 mei 2025 in de woning handelshoeveelheden drugs (waaronder bijna 2 kilo heroïne en bijna 1 kilo cannabis) door de politie zijn gevonden. Daarnaast heeft de politie spullen om drugs mee te versnijden/verwerken in de woning gevonden, zoals een elektrische vermaler, afwasteilen, weegschalen en zeven. Al deze spullen hadden sporen van heroïne en/of versnijdingsmiddel. Verder hadden de aanwezige personen in de woning grote hoeveelheden contant geld bij zich en zijn 6 volle lachgastanks aangetroffen. De burgermeester heeft daarnaast in haar besluit meegewogen dat veel verschillende mensen gebruik maken van de woning ten behoeve van het drugscircuit, er daardoor veel aanloop is naar de woning en dat door de aangetroffen drugs en spullen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, veiligheid en woon- en leefomgeving. 3.9 Daarnaast volgt uit het besluit van de burgermeester dat eerder al een hoeveelheid drugs (lachgas) in de woning is aangetroffen, waarvoor [gedaagde] een waarschuwing heeft gehad. Volgens Bo-Ex heeft [gedaagde] hiervoor op 30 april 2020 een last onder dwangsom opgelegd gekregen. In het besluit van de burgermeester staat dat de woning al bij de politie bekend was. Naast de in 2024 in de woning gevonden lachgascilinders, trof de politie bij onaangekondigde controles telkens [gedaagde] niet aan in de woning maar wel andere mensen en zijn er in 2023 meldingen geweest over (een vermoeden van) drugsdeals vanuit de woning. De burgermeester schrijft in haar besluit ook dat het door eerder onderzoek aannemelijk is geworden dat [gedaagde] niet meer in de woning verblijft.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7841 text/xml public 2026-04-17T10:46:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-04 11926865 \ UV EXPL 25-263 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7841 text/html public 2026-04-17T10:46:08 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7841 Rechtbank Midden-Nederland , 04-12-2025 / 11926865 \ UV EXPL 25-263 Kort geding; buitengerechtelijke ontbinding huurovereenkomst vanwege burgemeestersluiting; ontruiming en huurachterstand worden toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11926865 \ UV EXPL 25-263 Vonnis in kort geding van 4 december 2025 in de zaak van STICHTING BO-EX '91 , gevestigd in Utrecht, eisende partij, hierna te noemen: Bo-Ex, gemachtigde: mr. P.F.M. Broos, tegen [gedaagde] , woonachtig in [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. R. van Veen. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 12 november 2025, met producties 1 t/m 11. 1.2 De mondelinge behandeling was op 20 november 2025. Namens Bo-Ex was [A] ( [functie] ) aanwezig met gemachtigde mr. P.F.M. Broos. [gedaagde] was ook aanwezig, met haar zoon [zoon 1] en gemachtigde mr. R. van Veen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3 Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] huurt sinds 1 april 2012 de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] van Bo-Ex. Bo-Ex vordert dat [gedaagde] de woning ontruimt (verlaat), omdat Bo-Ex de huurovereenkomst zonder tussenkomst van de rechter heeft ontbonden. Dit heeft Bo-Ex gedaan omdat er onder andere handelshoeveelheden drugs in de woning zijn aangetroffen en de burgermeester de woning daarom voor 6 maanden heeft gesloten. Ook zou [gedaagde] niet meer haar hoofdverblijf in de woning hebben. Bo-Ex vordert daarnaast de huurachterstand die op dit moment € 6.821,97 is. [gedaagde] voert daartegen aan dat zij niets wist van de drugs die zijn gevonden. Zij stelt dat zij vaak in Engeland is voor medische behandelingen, maar dat zij nog wel in de woning woont, samen met haar zoon [zoon 1] . Als ze de woning moet verlaten dan wil zij een ontruimingstermijn van 6 maanden. De kantonrechter wijst de vorderingen van Bo-Ex grotendeels toe. Dit betekent dat [gedaagde] de woning binnen 14 dagen moet verlaten en de huurachterstand moet betalen. 3 De beoordeling Het beoordelingskader in kort geding 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zéér waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarnaast geldt dat voor bewijslevering in principe geen ruimte is in kort geding. 3.2 Ontruiming is een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel. Omdat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek moet de rechter zich volgens vaste rechtspraak terughoudend opstellen bij de beoordeling van zo’n vordering. Bo-Ex heeft een spoedeisend belang bij haar vordering 3.3 Een spoedeisend belang is aanwezig als van Bo-Ex niet verwacht kan worden dat zij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) afwacht. Dat is hier het geval. Bo-Ex heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Dit betekent dat de huurovereenkomst niet meer bestaat en [gedaagde] in beginsel geen recht meer heeft om in de woning te wonen. [gedaagde] stemt niet in met de beëindiging van de huurovereenkomst, zodat Bo-Ex een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. [gedaagde] moet de woning verlaten Bo-Ex heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en mocht dit doen 3.4 Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Bo-Ex op goede gronden de huurovereenkomst heeft ontbonden. In artikel 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de verhuurder een huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de rechter, kan ontbinden als door gedragingen in de woning in strijd met artikel 10a lid 1 sub 3 of artikel 11a van de Opiumwet is gehandeld en de woning daarom op grond van artikel 13b Opiumwet is gesloten. 3.5 De burgemeester heeft de woning op basis van de informatie uit de bestuurlijke rapportage van 12 mei 2025 direct op basis van artikel 13b lid 1 sub a Opiumwet voor 6 maanden gesloten, omdat in de woning voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen die (kort gezegd) bestemd zijn voor de productie, het bewerken en/of het verwerven van drugs. De buitengerechtelijke ontbinding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar 3.6 Door de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden heeft Bo-Ex gebruik gemaakt van een bevoegdheid die de wet haar geeft, maar dit betekent niet altijd dat de gevorderde ontruiming op deze grond kan worden toegewezen. De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of het beroep van Bo-Ex op artikel 7:231 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Bij deze toetsing moet de kantonrechter alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen en de belangen van partijen afwegen. Op basis van de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet worden geconcludeerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bo-Ex de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. Hierna wordt dit uitgelegd. 3.7 De burgermeester heeft de woning in haar besluit van 19 mei 2025 voor 6 maanden gesloten. Bo-Ex heeft de huurovereenkomst vervolgens op 20 juni 2025 buitengerechtelijk ontbonden. Omdat [gedaagde] en haar zoon het niet eens waren met de sluiting van de woning, hebben zij een schorsingsverzoek bij de voorzieningenrechter van de afdeling bestuursrecht ingediend. Die voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 22 augustus 2025 afgewezen. Daarna heeft Bo-Ex op 17 september 2025 nogmaals aan (de gemachtigde van) [gedaagde] laten weten dat zij de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden dan wel ontbindt en [gedaagde] (nogmaals) de kans gegeven om de woning vrijwillig te verlaten. [gedaagde] heeft de woning niet verlaten. 3.8 Uit het besluit van de burgermeester en de bestuurlijke rapportages van de politie volgt dat op 12 mei 2025 in de woning handelshoeveelheden drugs (waaronder bijna 2 kilo heroïne en bijna 1 kilo cannabis) door de politie zijn gevonden. Daarnaast heeft de politie spullen om drugs mee te versnijden/verwerken in de woning gevonden, zoals een elektrische vermaler, afwasteilen, weegschalen en zeven. Al deze spullen hadden sporen van heroïne en/of versnijdingsmiddel. Verder hadden de aanwezige personen in de woning grote hoeveelheden contant geld bij zich en zijn 6 volle lachgastanks aangetroffen. De burgermeester heeft daarnaast in haar besluit meegewogen dat veel verschillende mensen gebruik maken van de woning ten behoeve van het drugscircuit, er daardoor veel aanloop is naar de woning en dat door de aangetroffen drugs en spullen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, veiligheid en woon- en leefomgeving. 3.9 Daarnaast volgt uit het besluit van de burgermeester dat eerder al een hoeveelheid drugs (lachgas) in de woning is aangetroffen, waarvoor [gedaagde] een waarschuwing heeft gehad. Volgens Bo-Ex heeft [gedaagde] hiervoor op 30 april 2020 een last onder dwangsom opgelegd gekregen. In het besluit van de burgermeester staat dat de woning al bij de politie bekend was. Naast de in 2024 in de woning gevonden lachgascilinders, trof de politie bij onaangekondigde controles telkens [gedaagde] niet aan in de woning maar wel andere mensen en zijn er in 2023 meldingen geweest over (een vermoeden van) drugsdeals vanuit de woning. De burgermeester schrijft in haar besluit ook dat het door eerder onderzoek aannemelijk is geworden dat [gedaagde] niet meer in de woning verblijft.
Volledig
Volgens [zoon 1] zou [gedaagde] in Engeland wonen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om na de eerste waarschuwing er alles aan te doen om herhaling te voorkomen, bijvoorbeeld door iedereen de toegang tot de woning te weigeren en eventueel aan Bo-Ex toestemming te vragen voor andere sloten, zodat niemand behalve zij (en [zoon 1] ) meer de woning in kon. Dit heeft zij niet gedaan. 3.10 Volgens [gedaagde] en [zoon 1] hebben zij niks met drugs te maken, wisten zij niks af van de drugs die in de woning zijn gevonden en is een andere zoon van [gedaagde] ( [zoon 2] ) hiervoor verantwoordelijk. [zoon 2] zou in de woning hebben verbleven toen [gedaagde] en [zoon 1] afwezig waren. Zij wisten naar eigen zeggen niet dat [zoon 2] zich met zulke activiteiten in de woning bezighield. Ook als dit zou kloppen, dan maakt dat niet uit voor de beoordeling. Ook dan hebben de vastgestelde feiten zich in de woning van [gedaagde] afgespeeld. Voor een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst is niet vereist dat er sprake is van een tekortkoming van de huurder zelf. Maar nog afgezien hiervan geldt dat, zelfs als [gedaagde] niets te maken zou hebben met de drugsactiviteiten in de woning en dit allemaal te herleiden is naar [zoon 2] , [gedaagde] als huurder verantwoordelijk is en blijft voor wat er zich in haar woning afspeelt. 3.11 [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij vaak in Engeland is vanwege haar ziekte omdat zij daar medische behandelingen zou krijgen, maar dat zij nog wel in de woning woont. De gemachtigde van [gedaagde] heeft hierover op de mondelinge behandeling gezegd dat [gedaagde] van oktober 2024 tot de politie-inval van 12 mei 2025 in Engeland was voor dagelijkse radiotherapie. Vanwege de specialistische techniek in Engeland en de taalbarrière ( [gedaagde] spreekt wel goed Engels maar minder goed Nederlands) zou [gedaagde] ervoor hebben gekozen om in Engeland behandeld te worden en daarvoor zou zij goedkeuring hebben van haar Nederlandse zorgverzekeraar. Dit alles heeft [gedaagde] op geen enkele manier onderbouwd. Volgens Bo-Ex verblijft [gedaagde] (hoofdzakelijk) in Engeland. Niet alleen uit de in voetnoot 4 genoemde producties 3 en 5 maar ook uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2025 volgt dat [gedaagde] in Engeland woont/werkt. In die uitspraak is vermeld dat [gedaagde] tijdens een politieverhoor op 20 mei 2025 heeft verklaard dat zij in Engeland werkt. Verder volgt uit het besluit van de burgermeester en de politierapporten dat [gedaagde] nooit in de woning is aangetroffen. [gedaagde] heeft onvoldoende handvatten aangedragen om het tegendeel aan te nemen. De ontruimingstermijn is 14 dagen 3.12 De conclusie is dat het aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Bo-Ex op goede gronden de huurovereenkomst heeft ontbonden, zodat het gerechtvaardigd is daarop in dit kort geding vooruit te lopen. Dat betekent dat de eis van Bo-Ex wordt toegewezen en [gedaagde] wordt veroordeeld de woning te ontruimen. 3.13 Bo-Ex heeft een ontruimingstermijn gevorderd van 7 dagen. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling gevraagd om de eventuele ontruimingstermijn op 6 maanden vast te stellen, omdat zij vanwege haar medische toestand meer tijd dan gebruikelijk nodig heeft om de woning leeg te halen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op 14 dagen. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan haar door de deurwaarder is bezorgd. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] de ontruiming al eerder kon zien aankomen vanwege de sluiting door de burgermeester. Bo-Ex heeft daarna een paar keer aan [gedaagde] gevraagd om de woning op te leveren, maar dit heeft zij niet gedaan. Zoals hierboven al is overwogen heeft [gedaagde] bovendien niet aangetoond dat er sprake is van een medische omstandigheid die aanleiding zou moeten geven tot een langere ontruimingstermijn dan nu is bepaald. [gedaagde] moet de huurachterstand en een gebruiksvergoeding betalen Huurachterstand 3.14 In haar dagvaarding vordert Bo-Ex een huurachterstand/schadevergoeding (hierna ‘huurachterstand’) tot en met oktober 2025 van € 6.131,06. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Bo-Ex toegelicht dat [gedaagde] voor november 2025 ook niets heeft betaald en het bedrag voor deze maand erbij moet worden opgeteld. De totale huurachterstand is dus € 6.131,06 + € 690,91 = € 6.821,97 en dit moet [gedaagde] aan Bo-Ex betalen. Hierna wordt dit uitgelegd. 3.15 [gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand op de mondelinge behandeling erkend. [zoon 1] heeft hierover toegelicht dat hij de huur voor zijn moeder betaalde, omdat zijn moeder door haar ziekte niet kan werken. Hij kon door een auto-ongeluk dat hij in Afrika had een tijd de huur niet betalen. Hij was en is bereid om de huurachterstand te betalen, onder de voorwaarde dat zijn moeder in de woning mag blijven. Volgens zijn gemachtigde ging Bo-Ex hier niet mee akkoord. Deze gang van zaken is wederom niet onderbouwd door [gedaagde] en, los daarvan, kan [gedaagde] zulke eisen niet stellen. [gedaagde] moet op basis van de huurovereenkomst (en de wet) op tijd huur betalen en dat heeft zij niet gedaan. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat de huurachterstand bijna 10 maanden is en dit in een bodemprocedure waarschijnlijk op zichzelf al voldoende is om de ontruiming van de woning toe te wijzen. Gebruiksvergoeding 3.16 [gedaagde] moet ook € 690,91 per maand blijven betalen totdat de woning daadwerkelijk wordt ontruimd, zoals door Bo-Ex is gevorderd. [gedaagde] moet namelijk voor het gebruik van de woning betalen. Overigens heeft zij ook geen verweer gevoerd tegen deze vordering. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 3.17 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Bo-Ex worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 543,00 - salaris gemachtigde € 543,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.365,47 Uitvoerbaar bij voorraad 3.18 De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, zoals Bo-Ex heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] ( [postcode] ) te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Bo-Ex zijn, en de sleutels af te geven aan Bo-Ex, 4.2 veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Bo-Ex: a. a) € 6.821,97 aan achterstallige huur/schadevergoeding tot en met november 2025, b) € 690,91 per maand vanaf december 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, 4.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.365,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.5 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025. 61312 Productie 5 bij de dagvaarding. Productie 8 bij de dagvaarding. Zie de Bestuurlijke rapportages van 12 mei en 15 juli 2025 (producties 3 en 4 bij dagvaarding). Productie 3 en productie 5 bij dagvaarding.
Volledig
Volgens [zoon 1] zou [gedaagde] in Engeland wonen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om na de eerste waarschuwing er alles aan te doen om herhaling te voorkomen, bijvoorbeeld door iedereen de toegang tot de woning te weigeren en eventueel aan Bo-Ex toestemming te vragen voor andere sloten, zodat niemand behalve zij (en [zoon 1] ) meer de woning in kon. Dit heeft zij niet gedaan. 3.10 Volgens [gedaagde] en [zoon 1] hebben zij niks met drugs te maken, wisten zij niks af van de drugs die in de woning zijn gevonden en is een andere zoon van [gedaagde] ( [zoon 2] ) hiervoor verantwoordelijk. [zoon 2] zou in de woning hebben verbleven toen [gedaagde] en [zoon 1] afwezig waren. Zij wisten naar eigen zeggen niet dat [zoon 2] zich met zulke activiteiten in de woning bezighield. Ook als dit zou kloppen, dan maakt dat niet uit voor de beoordeling. Ook dan hebben de vastgestelde feiten zich in de woning van [gedaagde] afgespeeld. Voor een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst is niet vereist dat er sprake is van een tekortkoming van de huurder zelf. Maar nog afgezien hiervan geldt dat, zelfs als [gedaagde] niets te maken zou hebben met de drugsactiviteiten in de woning en dit allemaal te herleiden is naar [zoon 2] , [gedaagde] als huurder verantwoordelijk is en blijft voor wat er zich in haar woning afspeelt. 3.11 [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij vaak in Engeland is vanwege haar ziekte omdat zij daar medische behandelingen zou krijgen, maar dat zij nog wel in de woning woont. De gemachtigde van [gedaagde] heeft hierover op de mondelinge behandeling gezegd dat [gedaagde] van oktober 2024 tot de politie-inval van 12 mei 2025 in Engeland was voor dagelijkse radiotherapie. Vanwege de specialistische techniek in Engeland en de taalbarrière ( [gedaagde] spreekt wel goed Engels maar minder goed Nederlands) zou [gedaagde] ervoor hebben gekozen om in Engeland behandeld te worden en daarvoor zou zij goedkeuring hebben van haar Nederlandse zorgverzekeraar. Dit alles heeft [gedaagde] op geen enkele manier onderbouwd. Volgens Bo-Ex verblijft [gedaagde] (hoofdzakelijk) in Engeland. Niet alleen uit de in voetnoot 4 genoemde producties 3 en 5 maar ook uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2025 volgt dat [gedaagde] in Engeland woont/werkt. In die uitspraak is vermeld dat [gedaagde] tijdens een politieverhoor op 20 mei 2025 heeft verklaard dat zij in Engeland werkt. Verder volgt uit het besluit van de burgermeester en de politierapporten dat [gedaagde] nooit in de woning is aangetroffen. [gedaagde] heeft onvoldoende handvatten aangedragen om het tegendeel aan te nemen. De ontruimingstermijn is 14 dagen 3.12 De conclusie is dat het aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Bo-Ex op goede gronden de huurovereenkomst heeft ontbonden, zodat het gerechtvaardigd is daarop in dit kort geding vooruit te lopen. Dat betekent dat de eis van Bo-Ex wordt toegewezen en [gedaagde] wordt veroordeeld de woning te ontruimen. 3.13 Bo-Ex heeft een ontruimingstermijn gevorderd van 7 dagen. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling gevraagd om de eventuele ontruimingstermijn op 6 maanden vast te stellen, omdat zij vanwege haar medische toestand meer tijd dan gebruikelijk nodig heeft om de woning leeg te halen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op 14 dagen. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan haar door de deurwaarder is bezorgd. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] de ontruiming al eerder kon zien aankomen vanwege de sluiting door de burgermeester. Bo-Ex heeft daarna een paar keer aan [gedaagde] gevraagd om de woning op te leveren, maar dit heeft zij niet gedaan. Zoals hierboven al is overwogen heeft [gedaagde] bovendien niet aangetoond dat er sprake is van een medische omstandigheid die aanleiding zou moeten geven tot een langere ontruimingstermijn dan nu is bepaald. [gedaagde] moet de huurachterstand en een gebruiksvergoeding betalen Huurachterstand 3.14 In haar dagvaarding vordert Bo-Ex een huurachterstand/schadevergoeding (hierna ‘huurachterstand’) tot en met oktober 2025 van € 6.131,06. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Bo-Ex toegelicht dat [gedaagde] voor november 2025 ook niets heeft betaald en het bedrag voor deze maand erbij moet worden opgeteld. De totale huurachterstand is dus € 6.131,06 + € 690,91 = € 6.821,97 en dit moet [gedaagde] aan Bo-Ex betalen. Hierna wordt dit uitgelegd. 3.15 [gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand op de mondelinge behandeling erkend. [zoon 1] heeft hierover toegelicht dat hij de huur voor zijn moeder betaalde, omdat zijn moeder door haar ziekte niet kan werken. Hij kon door een auto-ongeluk dat hij in Afrika had een tijd de huur niet betalen. Hij was en is bereid om de huurachterstand te betalen, onder de voorwaarde dat zijn moeder in de woning mag blijven. Volgens zijn gemachtigde ging Bo-Ex hier niet mee akkoord. Deze gang van zaken is wederom niet onderbouwd door [gedaagde] en, los daarvan, kan [gedaagde] zulke eisen niet stellen. [gedaagde] moet op basis van de huurovereenkomst (en de wet) op tijd huur betalen en dat heeft zij niet gedaan. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat de huurachterstand bijna 10 maanden is en dit in een bodemprocedure waarschijnlijk op zichzelf al voldoende is om de ontruiming van de woning toe te wijzen. Gebruiksvergoeding 3.16 [gedaagde] moet ook € 690,91 per maand blijven betalen totdat de woning daadwerkelijk wordt ontruimd, zoals door Bo-Ex is gevorderd. [gedaagde] moet namelijk voor het gebruik van de woning betalen. Overigens heeft zij ook geen verweer gevoerd tegen deze vordering. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 3.17 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Bo-Ex worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 543,00 - salaris gemachtigde € 543,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.365,47 Uitvoerbaar bij voorraad 3.18 De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, zoals Bo-Ex heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] ( [postcode] ) te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Bo-Ex zijn, en de sleutels af te geven aan Bo-Ex, 4.2 veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Bo-Ex: a. a) € 6.821,97 aan achterstallige huur/schadevergoeding tot en met november 2025, b) € 690,91 per maand vanaf december 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, 4.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.365,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.5 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025. 61312 Productie 5 bij de dagvaarding. Productie 8 bij de dagvaarding. Zie de Bestuurlijke rapportages van 12 mei en 15 juli 2025 (producties 3 en 4 bij dagvaarding). Productie 3 en productie 5 bij dagvaarding.