Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-17
ECLI:NL:RBMNE:2025:7835
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,133 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7835 text/xml public 2026-04-17T10:30:49 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-17 C/16/593480 / HA ZA 25-260 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7835 text/html public 2026-04-17T10:30:01 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7835 Rechtbank Midden-Nederland , 17-12-2025 / C/16/593480 / HA ZA 25-260 Bouwzaak, voorlopig deskundigen onderzoek. Schade door luchtlekkages is voldoende aannemelijk. Herstelkosten moeten worden betaald aan eiser door gedaagde (aannemer). RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/593480 / HA ZA 25-260 Vonnis van 17 december 2025 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. C.P.M. Nijland, tegen [gedaagde] , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 15, - de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 10, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] heeft voor [eiser] aannemingswerkzaamheden verricht voor de bouw van de woning van [eiser] . Volgens [eiser] heeft hij schade geleden van € 227.963 omdat hij na de werkzaamheden geconfronteerd werd met een hoog energieverbruik en tocht. Uit een voorlopig deskundigenonderzoek is gebleken dat er sprake is van verschillende luchtlekkages in de woning. Daarom vindt [eiser] dat [gedaagde] de schade moet vergoeden. De rechtbank beslist dat [gedaagde] wel de herstelkosten van € 157.963 moet betalen maar de kosten voor het energieverbruik van € 70.000 niet. Hierna wordt uitgelegd waarom. 3 De beoordeling [eiser] heeft de juiste partij gedagvaard 3.1 [gedaagde] is van mening dat de dagvaarding niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat de verkeerde partij is gedagvaard. Volgens [gedaagde] is hij ten onrechte in privé gedagvaard en had [eiser] zich tot de besloten vennootschap (BV) van [gedaagde] moeten wenden. De verplichtingen vloeien namelijk voort uit werkzaamheden die destijds door de voormalige VOF zijn uitgevoerd. Deze VOF is inmiddels ontbonden en de onderneming wordt nu gedreven door de BV. 3.2 De rechtbank gaat daar niet in mee. Partijen zijn het erover eens dat de aannemingsovereenkomst is gesloten met Bouwbedrijf [bedrijf] V.O.F., met [gedaagde] als enig vennoot. De vordering van [eiser] komt voort uit deze overeenkomst. Een vennoot blijft in principe hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de VOF, ook na ontbinding, tenzij een schuldeiser ermee instemt dat een andere partij (zoals een opvolgende rechtspersoon) de verplichtingen overneemt. [gedaagde] heeft gesteld dat de BV de verplichtingen van de VOF heeft overgenomen. Dat kan de positie van de vennoot in beginsel beïnvloeden, maar het is komen vast te staan dat [eiser] niet op de hoogte was van de notariële akte van 28 maart 2018 waarin deze overgang is geregeld. Uit productie 12 bij dagvaarding blijkt bovendien dat [eiser] expliciet bij [gedaagde] heeft nagevraagd tot welke partij hij zich moest wenden voor dit geschil. [gedaagde] heeft niet op deze vraag gereageerd, wat hij tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd. Onder deze omstandigheden kan [gedaagde] zich er niet op beroepen dat [eiser] de BV had moeten dagvaarden. [eiser] heeft daarom de juiste partij gedagvaard. [gedaagde] moet € 157.963 aan schadevergoeding betalen 3.3 Voor het toekennen van de door [eiser] gevorderde schadevergoeding op grond van wanprestatie volgens artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet sprake zijn van: 1) een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis door [gedaagde] , en 2) door [eiser] geleden schade die in causaal verband staat tot de tekortkoming. Aan beide onderdelen is in dit geval voldaan. Dat wordt hierna verder uitgelegd. Ad. 1) [gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in zijn verplichtingen 3.4 Op 28 maart 2014 zijn partijen een aannemingsovereenkomst aangegaan tot de bouw van het huis van [eiser] . Daarbij was [gedaagde] verplicht om overeenkomstig het bestek, de tekeningen, de van toepassing zijnde normen (waaronder het Bouwbesluit) en volgens de eisen van goed en deugdelijk werk te bouwen en op te leveren. Volgens [eiser] is [gedaagde] tekortgeschoten in deze verplichtingen omdat hij na de oplevering in 2015 geconfronteerd werd met hoge energierekeningen en tocht in huis. Naar aanleiding daarvan zijn de verwarmingsinstallaties gecontroleerd maar hier bleek niks mis mee te zijn. Op 18 december 2018 is door de heer [A] , van ingenieursbureau [ingenieursbureau] , een luchtdichtheidsonderzoek gedaan. De conclusie van dit onderzoek is dat er sprake is van een aantal forse luchtlekkages waardoor de woning niet aan de EPC berekening voldoet. [gedaagde] heeft hierna herstelwerkzaamheden uitgevoerd in de slaapkamer, waardoor de situatie in die kamer aanzienlijk is verbeterd. Vervolgens wilde hij geen herstel uitvoeren in de rest van de woning. Op 2 september 2021 is [gedaagde] in gebreke gesteld en gesommeerd alsnog verder herstel te plegen. Nadat een reactie uitbleef, heeft [eiser] de rechtbank verzocht een voorlopig deskundigenonderzoek in te stellen. Bij beschikking van 31 januari 2024 heeft de rechtbank een deskundige benoemd. In het rapport van 29 november 2024 oordeelt de deskundige dat er gebreken aan de woning zijn waarvoor [gedaagde] als aannemer aansprakelijk is. In het rapport staat dat de luchtdichtheid op de volgende onderdelen tekortschiet: ‘Dak: aansluitingen dakelementen onderling, nok, muurplaat en dakdoorvoeren Kozijnen: aansluitingen draaiende delen en muuraansluiting kozijnen Natuursteenwand midden woning: luchtlekkages via spouw’ 3.5 [gedaagde] betwist dat hij is tekortgeschoten en voert aan dat de deskundige het onderzoek niet goed heeft uitgevoerd. Volgens hem had de deskundige zelf onderzoek moeten verrichten en had hij zich niet mogen baseren op de onderzoeken van ingenieursbureau [ingenieursbureau] . Het deskundigenrapport zou hierdoor niet als onpartijdig bewijsmateriaal kunnen worden beschouwd. 3.6 Vooropgesteld wordt dat het in beginsel aan de door de rechtbank benoemde deskundige is om te bepalen op welke wijze hij het onderzoek uitvoert. Hierbij geldt dat de rechtbank in beginsel van de juistheid van de bevindingen van de deskundige uitgaat, tenzij blijkt dat er bij de totstandkoming van het rapport sprake is geweest van onzorgvuldigheden of schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Dat laatste is hier niet gebleken. Dat de deskundige zich bij zijn beoordeling op gegevens uit rapporten van [ingenieursbureau] heeft gebaseerd, maakt het onderzoek ook niet onzorgvuldig. Het is aan de deskundige om te beoordelen of hij objectieve meetgegevens uit andere rapporten kan overnemen of dat eigen onderzoek nodig is. In dit geval heeft de deskundige de beschikbare data gebruikt en heeft daar zijn eigen conclusies aan verbonden. Dat is ook niet onbegrijpelijk omdat het luchtdichtheidsonderzoek door [ingenieursbureau] twee keer is uitgevoerd. Eenmaal voor het herstel van de slaapkamer en een keer daarna. Sindsdien zijn er geen herstelwerkzaamheden geweest en is de situatie niet veranderd. Dat in het vonnis van de rechtbank van 31 januari 2024 (waarin de deskundige werd benoemd) de volgende passage staat, maakt het voorgaande niet anders: ‘ De rechtbank is van oordeel dat de deskundige in staat is om, ook als hij het rapport van [ingenieursbureau] ontvangt, een onafhankelijk onderzoek uit te voeren. Het rapport van [ingenieursbureau] zal daarom aan de deskundige moeten worden toegezonden, met dien verstande dat het rapport niet als basis zal dienen voor het onderzoek van de deskundige .’ Deze zin kan niet worden gelezen als een verbod voor de deskundige om gegevens uit eerdere onderzoeken te gebruiken.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7835 text/xml public 2026-04-17T10:30:49 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-17 C/16/593480 / HA ZA 25-260 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7835 text/html public 2026-04-17T10:30:01 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7835 Rechtbank Midden-Nederland , 17-12-2025 / C/16/593480 / HA ZA 25-260 Bouwzaak, voorlopig deskundigen onderzoek. Schade door luchtlekkages is voldoende aannemelijk. Herstelkosten moeten worden betaald aan eiser door gedaagde (aannemer). RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/593480 / HA ZA 25-260 Vonnis van 17 december 2025 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. C.P.M. Nijland, tegen [gedaagde] , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 15, - de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 10,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] heeft voor [eiser] aannemingswerkzaamheden verricht voor de bouw van de woning van [eiser] . Volgens [eiser] heeft hij schade geleden van € 227.963 omdat hij na de werkzaamheden geconfronteerd werd met een hoog energieverbruik en tocht. Uit een voorlopig deskundigenonderzoek is gebleken dat er sprake is van verschillende luchtlekkages in de woning. Daarom vindt [eiser] dat [gedaagde] de schade moet vergoeden. De rechtbank beslist dat [gedaagde] wel de herstelkosten van € 157.963 moet betalen maar de kosten voor het energieverbruik van € 70.000 niet. Hierna wordt uitgelegd waarom. 3 De beoordeling [eiser] heeft de juiste partij gedagvaard 3.1 [gedaagde] is van mening dat de dagvaarding niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat de verkeerde partij is gedagvaard. Volgens [gedaagde] is hij ten onrechte in privé gedagvaard en had [eiser] zich tot de besloten vennootschap (BV) van [gedaagde] moeten wenden. De verplichtingen vloeien namelijk voort uit werkzaamheden die destijds door de voormalige VOF zijn uitgevoerd. Deze VOF is inmiddels ontbonden en de onderneming wordt nu gedreven door de BV. 3.2 De rechtbank gaat daar niet in mee. Partijen zijn het erover eens dat de aannemingsovereenkomst is gesloten met Bouwbedrijf [bedrijf] V.O.F., met [gedaagde] als enig vennoot. De vordering van [eiser] komt voort uit deze overeenkomst. Een vennoot blijft in principe hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de VOF, ook na ontbinding, tenzij een schuldeiser ermee instemt dat een andere partij (zoals een opvolgende rechtspersoon) de verplichtingen overneemt. [gedaagde] heeft gesteld dat de BV de verplichtingen van de VOF heeft overgenomen. Dat kan de positie van de vennoot in beginsel beïnvloeden, maar het is komen vast te staan dat [eiser] niet op de hoogte was van de notariële akte van 28 maart 2018 waarin deze overgang is geregeld. Uit productie 12 bij dagvaarding blijkt bovendien dat [eiser] expliciet bij [gedaagde] heeft nagevraagd tot welke partij hij zich moest wenden voor dit geschil. [gedaagde] heeft niet op deze vraag gereageerd, wat hij tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd. Onder deze omstandigheden kan [gedaagde] zich er niet op beroepen dat [eiser] de BV had moeten dagvaarden. [eiser] heeft daarom de juiste partij gedagvaard. [gedaagde] moet € 157.963 aan schadevergoeding betalen 3.3 Voor het toekennen van de door [eiser] gevorderde schadevergoeding op grond van wanprestatie volgens artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet sprake zijn van: 1) een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis door [gedaagde] , en 2) door [eiser] geleden schade die in causaal verband staat tot de tekortkoming. Aan beide onderdelen is in dit geval voldaan. Dat wordt hierna verder uitgelegd. Ad. 1) [gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in zijn verplichtingen 3.4 Op 28 maart 2014 zijn partijen een aannemingsovereenkomst aangegaan tot de bouw van het huis van [eiser] . Daarbij was [gedaagde] verplicht om overeenkomstig het bestek, de tekeningen, de van toepassing zijnde normen (waaronder het Bouwbesluit) en volgens de eisen van goed en deugdelijk werk te bouwen en op te leveren. Volgens [eiser] is [gedaagde] tekortgeschoten in deze verplichtingen omdat hij na de oplevering in 2015 geconfronteerd werd met hoge energierekeningen en tocht in huis. Naar aanleiding daarvan zijn de verwarmingsinstallaties gecontroleerd maar hier bleek niks mis mee te zijn. Op 18 december 2018 is door de heer [A] , van ingenieursbureau [ingenieursbureau] , een luchtdichtheidsonderzoek gedaan. De conclusie van dit onderzoek is dat er sprake is van een aantal forse luchtlekkages waardoor de woning niet aan de EPC berekening voldoet. [gedaagde] heeft hierna herstelwerkzaamheden uitgevoerd in de slaapkamer, waardoor de situatie in die kamer aanzienlijk is verbeterd. Vervolgens wilde hij geen herstel uitvoeren in de rest van de woning. Op 2 september 2021 is [gedaagde] in gebreke gesteld en gesommeerd alsnog verder herstel te plegen. Nadat een reactie uitbleef, heeft [eiser] de rechtbank verzocht een voorlopig deskundigenonderzoek in te stellen. Bij beschikking van 31 januari 2024 heeft de rechtbank een deskundige benoemd. In het rapport van 29 november 2024 oordeelt de deskundige dat er gebreken aan de woning zijn waarvoor [gedaagde] als aannemer aansprakelijk is. In het rapport staat dat de luchtdichtheid op de volgende onderdelen tekortschiet: ‘Dak: aansluitingen dakelementen onderling, nok, muurplaat en dakdoorvoeren Kozijnen: aansluitingen draaiende delen en muuraansluiting kozijnen Natuursteenwand midden woning: luchtlekkages via spouw’ 3.5 [gedaagde] betwist dat hij is tekortgeschoten en voert aan dat de deskundige het onderzoek niet goed heeft uitgevoerd. Volgens hem had de deskundige zelf onderzoek moeten verrichten en had hij zich niet mogen baseren op de onderzoeken van ingenieursbureau [ingenieursbureau] . Het deskundigenrapport zou hierdoor niet als onpartijdig bewijsmateriaal kunnen worden beschouwd. 3.6 Vooropgesteld wordt dat het in beginsel aan de door de rechtbank benoemde deskundige is om te bepalen op welke wijze hij het onderzoek uitvoert. Hierbij geldt dat de rechtbank in beginsel van de juistheid van de bevindingen van de deskundige uitgaat, tenzij blijkt dat er bij de totstandkoming van het rapport sprake is geweest van onzorgvuldigheden of schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Dat laatste is hier niet gebleken. Dat de deskundige zich bij zijn beoordeling op gegevens uit rapporten van [ingenieursbureau] heeft gebaseerd, maakt het onderzoek ook niet onzorgvuldig. Het is aan de deskundige om te beoordelen of hij objectieve meetgegevens uit andere rapporten kan overnemen of dat eigen onderzoek nodig is. In dit geval heeft de deskundige de beschikbare data gebruikt en heeft daar zijn eigen conclusies aan verbonden. Dat is ook niet onbegrijpelijk omdat het luchtdichtheidsonderzoek door [ingenieursbureau] twee keer is uitgevoerd. Eenmaal voor het herstel van de slaapkamer en een keer daarna. Sindsdien zijn er geen herstelwerkzaamheden geweest en is de situatie niet veranderd. Dat in het vonnis van de rechtbank van 31 januari 2024 (waarin de deskundige werd benoemd) de volgende passage staat, maakt het voorgaande niet anders: ‘ De rechtbank is van oordeel dat de deskundige in staat is om, ook als hij het rapport van [ingenieursbureau] ontvangt, een onafhankelijk onderzoek uit te voeren. Het rapport van [ingenieursbureau] zal daarom aan de deskundige moeten worden toegezonden, met dien verstande dat het rapport niet als basis zal dienen voor het onderzoek van de deskundige .’ Deze zin kan niet worden gelezen als een verbod voor de deskundige om gegevens uit eerdere onderzoeken te gebruiken.
Volledig
De deskundige diende wel zelfstandig tot zijn conclusies te komen, en dat heeft hij ook gedaan. De deskundige heeft een aanzienlijk aantal stukken ontvangen, waaronder foto’s van de bouwwerkzaamheden. De woning is uitgebreid in het bijzijn van partijen geïnspecteerd. De opdracht van de deskundige hield visueel onderzoek in. Er zijn geen verzoeken van [gedaagde] geweest om dit anders te doen. Bovendien was de opsteller van het rapport van [ingenieursbureau] , [A] , aanwezig bij de bezichtiging van de woning met de deskundige. Partijen konden vragen aan hem stellen en [gedaagde] heeft daar geen gebruik van gemaakt. Ook heeft [gedaagde] niet aangegeven dat hij nader onderzoek wilde. Daarom is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid of onafhankelijkheid van het deskundigenrapport en staan de tekortkomingen vast. 3.7 [gedaagde] voert verder aan dat de geconstateerde gebreken zijn veroorzaakt door de onderaannemer en dat hij daarvoor niet aansprakelijk kan worden gehouden. Ook zegt hij dat de tekeningen van de architect niet zouden kloppen. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Uit het deskundigenrapport blijkt dat de uitvoering niet in overeenstemming is geweest met de tekeningen van de architect en dat daardoor de gebreken zijn ontstaan. [gedaagde] is verder niet met een onderbouwing gekomen van zijn stelling dat er onjuistheden in het ontwerp zouden zitten die hebben geleid tot de overmatige luchtlekkages. De deskundige heeft hem hiertoe in de gelegenheid gesteld maar ook hier heeft [gedaagde] geen gebruik van gemaakt. [gedaagde] heeft in dit kader geen bewijsaanbod gedaan. Dat de afwijkingen van de tekeningen mogelijk door een onderaannemer zijn aangebracht, doet aan de aansprakelijkheid van [gedaagde] niet af. De onderaannemer heeft in opdracht en onder verantwoordelijkheid van [gedaagde] gehandeld. De aannemer blijft eindverantwoordelijk voor de deugdelijke uitvoering van het werk, inclusief de werkzaamheden die door derden worden verricht. 3.8 Ook zouden er volgens [gedaagde] door derden gaten in het dak zijn gemaakt die tot de problemen hebben geleid. [gedaagde] heeft geen stukken aangeleverd waaruit dit blijkt. [eiser] heeft uitgelegd dat de werkzaamheden waarbij gaten in het dak zijn gemaakt al voor de oplevering hebben plaatsgevonden en dat het niet is aangetoond dat de loodgieter iets heeft gedaan wat de problemen heeft veroorzaakt. 3.9 De conclusie is dat [gedaagde] is tekortgeschoten: [eiser] heeft luchtlekkages in zijn woning omdat [gedaagde] de tekeningen van de architect niet goed heeft uitgevoerd en de tekortkomingen niet (volledig) heeft hersteld, ook niet nadat [eiser] hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld. (ad 2) [eiser] heeft € 157.963 aan schade geleden door de tekortkoming 3.10 [eiser] vordert het door de deskundige vastgestelde bedrag van € 157.963 voor de herstelkosten van de tekortkomingen en daarnaast nog een bedrag van € 70.000 voor de te hoge energiekosten. De schadepost voor de herstelkosten wordt toegewezen inclusief wettelijke rente vanaf 27 december 2024 (de datum waarop [gedaagde] in verzuim is geraakt). [gedaagde] betwist de hoogte van de door de deskundige vastgestelde herstelkosten, maar doet dit zonder nadere onderbouwing. [eiser] heeft toegelicht dat [gedaagde] tijdens het onderzoek van de deskundige zijn bezwaren niet naar voren heeft gebracht. Het bleef bij een mededeling dat de hoogte van de kosten beledigend zou zijn. Het had op de weg gelegen van [gedaagde] om bijvoorbeeld een tegenofferte te laten zien waaruit blijkt dat de herstelkosten lager kunnen uitvallen. Dat heeft hij niet gedaan. 3.11 Ook het beroep op de schadebeperkingsplicht uit artikel 6:101 BW gaat niet op. [gedaagde] heeft dit standpunt niet gemotiveerd, het is gebleven bij de algemene stelling dat er materiaal hergebruikt zou kunnen worden. Hierbij verwijst [gedaagde] naar zijn productie 9, maar hij heeft in de conclusie van antwoord niets toegelicht over deze productie. [gedaagde] heeft daarom niet voldaan aan artikel 150 Rechtsvordering (hierna Rv). Bovendien heeft [eiser] hier tegenin gebracht dat het schrootjesplafond weggebroken zal moeten worden en dat het materiaal daarbij beschadigd zal raken en vervangen moet worden. 3.12 De kosten van € 70.000 die [eiser] vordert voor de hoog uitgevallen energiekosten, worden afgewezen. Het is op zichzelf aannemelijk dat de gebreken tot hogere energielasten hebben geleid maar de onderbouwing van [eiser] op dit punt is te mager en te globaal. [gedaagde] heeft deze schadepost voldoende gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft terecht genoemd dat [eiser] ter onderbouwing van de hogere lasten het daadwerkelijke energieverbruik met een theoretisch berekend energieverbruik uit een energieprestatieberekening van 2013 heeft vergeleken. Ook heeft [gedaagde] gemotiveerd dat veel verschillende factoren invloed hebben op het energieverbruik en dat is niet door [eiser] meegenomen in zijn berekening, althans dat blijkt nergens uit. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten om het bedrag te schatten. [eiser] heeft binnen bekwame tijd geklaagd 3.13 [gedaagde] is van mening dat [eiser] te laat geklaagd heeft over de gebreken in zijn huis waardoor [eiser] geen aanspraak meer kan maken op zijn vorderingen. Uit de mail van 23 april 2020 bleek namelijk dat [eiser] al in 2015 geconfronteerd werd met een enorm hoog energieverbruik. In het najaar van 2018 is een luchtdichtheidsonderzoek gedaan waaruit bleek dat er een gebrek is voor wat betreft de luchtdichtheid. Vervolgens is [gedaagde] pas bij brief van 7 oktober 2021 aangeschreven. Hij vindt dat niet binnen bekwame tijd waardoor zijn belangen worden geschaad. Het gebrek kan over de jaren veel erger worden waardoor de bewijspositie van [gedaagde] moeilijker wordt. 3.14 De klachtplicht van artikel 6:89 BW houdt in dat de [eiser] op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen als hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt (of redelijkerwijze had moeten ontdekken) bij [gedaagde] heeft geprotesteerd. Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan deze plicht moet gekeken worden naar alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Verder is van belang of [gedaagde] nadeel lijdt door het late tijdstip waarop [eiser] heeft geklaagd. In dit verband moet de rechter rekening houden met enerzijds het voor de [eiser] ingrijpende rechtsgevolg van het laat protesteren (het verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming) en anderzijds de concrete belangen waarin [gedaagde] is geschaad door het late tijdstip waarop het protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. In dit kader wordt als volgt overwogen. 3.15 [eiser] heeft binnen bekwame tijd na ontdekking van het gebrek aan de bel getrokken bij [gedaagde] . Na de constatering van het hoge energieverbruik en gebrek aan wooncomfort heeft [eiser] in eerste instantie de oorzaak gezocht in de aanwezigheid van bouwvocht en problemen met de verwarmingsinstallatie. De installateur heeft daarop aanpassingen aan de installatie verricht, wat de klachten niet heeft opgelost. [gedaagde] is hiervan op de hoogte gesteld en is aanwezig geweest bij besprekingen hierover. Vervolgens heeft [ingenieursbureau] in 2018 een onderzoek ingesteld naar de luchtdichtheid van de woning. Het rapport over dit onderzoek is met [gedaagde] gedeeld op basis waarvan hij herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd in 2019 en 2020. Daarna is weer een luchtdichtheidsonderzoek uitgevoerd en ook dat is met [gedaagde] gedeeld. [eiser] heeft in 2020 op basis van de luchtdichtheidsonderzoeken eerst de architect aansprakelijk gesteld. Uiteindelijk bleek dat het niet aannemelijk was dat de architect aansprakelijk zou zijn en heeft [eiser] in 2021 [gedaagde] aangesproken. Uit deze gang van zaken blijkt dat [eiser] niet tevreden was over de kwaliteit van het werk van [gedaagde] en dat hij deze kwestie met hem heeft besproken.
Volledig
De deskundige diende wel zelfstandig tot zijn conclusies te komen, en dat heeft hij ook gedaan. De deskundige heeft een aanzienlijk aantal stukken ontvangen, waaronder foto’s van de bouwwerkzaamheden. De woning is uitgebreid in het bijzijn van partijen geïnspecteerd. De opdracht van de deskundige hield visueel onderzoek in. Er zijn geen verzoeken van [gedaagde] geweest om dit anders te doen. Bovendien was de opsteller van het rapport van [ingenieursbureau] , [A] , aanwezig bij de bezichtiging van de woning met de deskundige. Partijen konden vragen aan hem stellen en [gedaagde] heeft daar geen gebruik van gemaakt. Ook heeft [gedaagde] niet aangegeven dat hij nader onderzoek wilde. Daarom is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid of onafhankelijkheid van het deskundigenrapport en staan de tekortkomingen vast. 3.7 [gedaagde] voert verder aan dat de geconstateerde gebreken zijn veroorzaakt door de onderaannemer en dat hij daarvoor niet aansprakelijk kan worden gehouden. Ook zegt hij dat de tekeningen van de architect niet zouden kloppen. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Uit het deskundigenrapport blijkt dat de uitvoering niet in overeenstemming is geweest met de tekeningen van de architect en dat daardoor de gebreken zijn ontstaan. [gedaagde] is verder niet met een onderbouwing gekomen van zijn stelling dat er onjuistheden in het ontwerp zouden zitten die hebben geleid tot de overmatige luchtlekkages. De deskundige heeft hem hiertoe in de gelegenheid gesteld maar ook hier heeft [gedaagde] geen gebruik van gemaakt. [gedaagde] heeft in dit kader geen bewijsaanbod gedaan. Dat de afwijkingen van de tekeningen mogelijk door een onderaannemer zijn aangebracht, doet aan de aansprakelijkheid van [gedaagde] niet af. De onderaannemer heeft in opdracht en onder verantwoordelijkheid van [gedaagde] gehandeld. De aannemer blijft eindverantwoordelijk voor de deugdelijke uitvoering van het werk, inclusief de werkzaamheden die door derden worden verricht. 3.8 Ook zouden er volgens [gedaagde] door derden gaten in het dak zijn gemaakt die tot de problemen hebben geleid. [gedaagde] heeft geen stukken aangeleverd waaruit dit blijkt. [eiser] heeft uitgelegd dat de werkzaamheden waarbij gaten in het dak zijn gemaakt al voor de oplevering hebben plaatsgevonden en dat het niet is aangetoond dat de loodgieter iets heeft gedaan wat de problemen heeft veroorzaakt. 3.9 De conclusie is dat [gedaagde] is tekortgeschoten: [eiser] heeft luchtlekkages in zijn woning omdat [gedaagde] de tekeningen van de architect niet goed heeft uitgevoerd en de tekortkomingen niet (volledig) heeft hersteld, ook niet nadat [eiser] hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld. (ad 2) [eiser] heeft € 157.963 aan schade geleden door de tekortkoming 3.10 [eiser] vordert het door de deskundige vastgestelde bedrag van € 157.963 voor de herstelkosten van de tekortkomingen en daarnaast nog een bedrag van € 70.000 voor de te hoge energiekosten. De schadepost voor de herstelkosten wordt toegewezen inclusief wettelijke rente vanaf 27 december 2024 (de datum waarop [gedaagde] in verzuim is geraakt). [gedaagde] betwist de hoogte van de door de deskundige vastgestelde herstelkosten, maar doet dit zonder nadere onderbouwing. [eiser] heeft toegelicht dat [gedaagde] tijdens het onderzoek van de deskundige zijn bezwaren niet naar voren heeft gebracht. Het bleef bij een mededeling dat de hoogte van de kosten beledigend zou zijn. Het had op de weg gelegen van [gedaagde] om bijvoorbeeld een tegenofferte te laten zien waaruit blijkt dat de herstelkosten lager kunnen uitvallen. Dat heeft hij niet gedaan. 3.11 Ook het beroep op de schadebeperkingsplicht uit artikel 6:101 BW gaat niet op. [gedaagde] heeft dit standpunt niet gemotiveerd, het is gebleven bij de algemene stelling dat er materiaal hergebruikt zou kunnen worden. Hierbij verwijst [gedaagde] naar zijn productie 9, maar hij heeft in de conclusie van antwoord niets toegelicht over deze productie. [gedaagde] heeft daarom niet voldaan aan artikel 150 Rechtsvordering (hierna Rv). Bovendien heeft [eiser] hier tegenin gebracht dat het schrootjesplafond weggebroken zal moeten worden en dat het materiaal daarbij beschadigd zal raken en vervangen moet worden. 3.12 De kosten van € 70.000 die [eiser] vordert voor de hoog uitgevallen energiekosten, worden afgewezen. Het is op zichzelf aannemelijk dat de gebreken tot hogere energielasten hebben geleid maar de onderbouwing van [eiser] op dit punt is te mager en te globaal. [gedaagde] heeft deze schadepost voldoende gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft terecht genoemd dat [eiser] ter onderbouwing van de hogere lasten het daadwerkelijke energieverbruik met een theoretisch berekend energieverbruik uit een energieprestatieberekening van 2013 heeft vergeleken. Ook heeft [gedaagde] gemotiveerd dat veel verschillende factoren invloed hebben op het energieverbruik en dat is niet door [eiser] meegenomen in zijn berekening, althans dat blijkt nergens uit. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten om het bedrag te schatten. [eiser] heeft binnen bekwame tijd geklaagd 3.13 [gedaagde] is van mening dat [eiser] te laat geklaagd heeft over de gebreken in zijn huis waardoor [eiser] geen aanspraak meer kan maken op zijn vorderingen. Uit de mail van 23 april 2020 bleek namelijk dat [eiser] al in 2015 geconfronteerd werd met een enorm hoog energieverbruik. In het najaar van 2018 is een luchtdichtheidsonderzoek gedaan waaruit bleek dat er een gebrek is voor wat betreft de luchtdichtheid. Vervolgens is [gedaagde] pas bij brief van 7 oktober 2021 aangeschreven. Hij vindt dat niet binnen bekwame tijd waardoor zijn belangen worden geschaad. Het gebrek kan over de jaren veel erger worden waardoor de bewijspositie van [gedaagde] moeilijker wordt. 3.14 De klachtplicht van artikel 6:89 BW houdt in dat de [eiser] op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen als hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt (of redelijkerwijze had moeten ontdekken) bij [gedaagde] heeft geprotesteerd. Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan deze plicht moet gekeken worden naar alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Verder is van belang of [gedaagde] nadeel lijdt door het late tijdstip waarop [eiser] heeft geklaagd. In dit verband moet de rechter rekening houden met enerzijds het voor de [eiser] ingrijpende rechtsgevolg van het laat protesteren (het verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming) en anderzijds de concrete belangen waarin [gedaagde] is geschaad door het late tijdstip waarop het protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. In dit kader wordt als volgt overwogen. 3.15 [eiser] heeft binnen bekwame tijd na ontdekking van het gebrek aan de bel getrokken bij [gedaagde] . Na de constatering van het hoge energieverbruik en gebrek aan wooncomfort heeft [eiser] in eerste instantie de oorzaak gezocht in de aanwezigheid van bouwvocht en problemen met de verwarmingsinstallatie. De installateur heeft daarop aanpassingen aan de installatie verricht, wat de klachten niet heeft opgelost. [gedaagde] is hiervan op de hoogte gesteld en is aanwezig geweest bij besprekingen hierover. Vervolgens heeft [ingenieursbureau] in 2018 een onderzoek ingesteld naar de luchtdichtheid van de woning. Het rapport over dit onderzoek is met [gedaagde] gedeeld op basis waarvan hij herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd in 2019 en 2020. Daarna is weer een luchtdichtheidsonderzoek uitgevoerd en ook dat is met [gedaagde] gedeeld. [eiser] heeft in 2020 op basis van de luchtdichtheidsonderzoeken eerst de architect aansprakelijk gesteld. Uiteindelijk bleek dat het niet aannemelijk was dat de architect aansprakelijk zou zijn en heeft [eiser] in 2021 [gedaagde] aangesproken. Uit deze gang van zaken blijkt dat [eiser] niet tevreden was over de kwaliteit van het werk van [gedaagde] en dat hij deze kwestie met hem heeft besproken.
Volledig
Dat duidt erop dat [eiser] de gebreken voldoende tijdig aan de orde heeft gesteld. Dat [eiser] pas in 2021 formeel heeft gesommeerd, doet daar niet aan af. Gelet op de opeenvolging van onderzoeken en de pogingen om in overleg met [gedaagde] tot herstel te komen, is het begrijpelijk dat enige tijd is verstreken voordat formeel werd geklaagd. Deze periode is niet onredelijk lang gezien de omstandigheden. 3.16 Bovendien heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat hij door het tijdsverloop in zijn belangen is geschaad. Tijdens de mondelinge behandeling kon [gedaagde] ook desgevraagd niet concretiseren welk nadeel hij zou hebben geleden. Het enkele tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Daarbij komt dat het gaat om gebreken in de vorm van kieren en gaten in (onder andere) het dak, die naar hun aard niet verergeren in de loop der tijd. De vordering van [eiser] is niet verjaard 3.17 [gedaagde] heeft ook aangevoerd dat de vordering van [eiser] is verjaard op grond van artikel 7:761 BW. Dit artikel bepaalt dat een rechtsvordering wegens een gebrek in het werk verjaart door verloop van twee jaar nadat [eiser] over het gebrek heeft geklaagd. Als de verjaring tijdig wordt gestuit, begint op grond van artikel 3:319 lid 1 BW weer een nieuwe verjaringstermijn van twee jaar te lopen. 3.18 Volgens [gedaagde] zou de verjaringstermijn zijn gaan lopen vanaf 2018. Het staat vast dat na de onderzoeken en klachten van [eiser] in 2019 en 2020 door [gedaagde] herstelwerkzaamheden zijn verricht. Daardoor is er een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen. Op 2 september 2021 heeft [eiser] een schriftelijke ingebrekestelling gestuurd. Daarmee is de verjaring tijdig gestuit. Vervolgens heeft [eiser] de verjaring opnieuw gestuit door middel van een schriftelijke mededeling op 17 augustus 2023, gevolgd door een sommatie tot schadevergoeding van 17 december 2024. De dagvaarding is uitgebracht op 8 mei 2025, dus binnen twee jaar na de laatste stuiting. 3.19 [gedaagde] heeft geen concrete periode kunnen aanwijzen waarin de vordering zou zijn verjaard. Ook niet toen hem dat op zitting concreet gevraagd werd. Op basis van het bovenstaande is de vordering van [eiser] niet verjaard. Het schadebedrag wordt niet gematigd 3.20 [gedaagde] vraagt in zijn petitum om matiging van het schadebedrag op grond van de redelijkheid en billijkheid dan wel op grond van artikel 6:109 BW. Uit de jurisprudentie volgt dat de rechter hiermee terughoudend moet omgaan. [gedaagde] heeft niets gesteld of onderbouwd hierover en heeft niet voldaan aan artikel 150 Rv. Daarom wordt dit afgewezen. Het beslag wordt niet opgeheven 3.21 [gedaagde] heeft aangegeven dat hij wil dat het beslag wat [eiser] heeft gelegd wordt opgeheven. Hij heeft geen vordering in reconventie ingesteld hiervoor. Ook hier heeft [gedaagde] dit verzoek verder niet onderbouwd. Mede omdat een groot deel van de vordering wordt toegewezen en er geen reconventionele vordering is ingesteld, wordt dit verzoek afgewezen. [gedaagde] moet € 2.849,10 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen 3.22 [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, dat blijkt uit productie 15 bij dagvaarding. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 2.849,10 worden toegewezen. [gedaagde] moet € 3.701,67 aan beslagkosten betalen 3.23 De rechtbank begrijpt dat [eiser] vergoeding van de beslagkosten van [gedaagde] wil vorderen. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 656,67 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € €1.929,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 1.929,00), totaal € 2.916,67. [gedaagde] moet de proceskosten en de deskundigenkosten betalen 3.24 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) en de deskundigenkosten betalen. De kosten van de deskundige zijn door de rechtbank bij beschikking van 9 april 2025 vastgesteld op een bedrag van € 12.744,69 en betaald uit het door [eiser] betaalde depot. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 2.392,00 - kosten deskundigen € 12.744,69 - salaris advocaat € 3.858,00 (2 punten × € 1.929,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 19.318,14 4 De beslissing De rechtbank 4.1 veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 157.963,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 december 2024 tot de dag van volledige betaling, 4.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.849,10 aan buitengerechtelijke kosten, 4.3 veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.916,67, 4.4 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 19.318,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.5 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.6 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken door N.A.J. Purcell op 17 december 2025. LLO 5719 HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600.
Volledig
Dat duidt erop dat [eiser] de gebreken voldoende tijdig aan de orde heeft gesteld. Dat [eiser] pas in 2021 formeel heeft gesommeerd, doet daar niet aan af. Gelet op de opeenvolging van onderzoeken en de pogingen om in overleg met [gedaagde] tot herstel te komen, is het begrijpelijk dat enige tijd is verstreken voordat formeel werd geklaagd. Deze periode is niet onredelijk lang gezien de omstandigheden. 3.16 Bovendien heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat hij door het tijdsverloop in zijn belangen is geschaad. Tijdens de mondelinge behandeling kon [gedaagde] ook desgevraagd niet concretiseren welk nadeel hij zou hebben geleden. Het enkele tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Daarbij komt dat het gaat om gebreken in de vorm van kieren en gaten in (onder andere) het dak, die naar hun aard niet verergeren in de loop der tijd. De vordering van [eiser] is niet verjaard 3.17 [gedaagde] heeft ook aangevoerd dat de vordering van [eiser] is verjaard op grond van artikel 7:761 BW. Dit artikel bepaalt dat een rechtsvordering wegens een gebrek in het werk verjaart door verloop van twee jaar nadat [eiser] over het gebrek heeft geklaagd. Als de verjaring tijdig wordt gestuit, begint op grond van artikel 3:319 lid 1 BW weer een nieuwe verjaringstermijn van twee jaar te lopen. 3.18 Volgens [gedaagde] zou de verjaringstermijn zijn gaan lopen vanaf 2018. Het staat vast dat na de onderzoeken en klachten van [eiser] in 2019 en 2020 door [gedaagde] herstelwerkzaamheden zijn verricht. Daardoor is er een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen. Op 2 september 2021 heeft [eiser] een schriftelijke ingebrekestelling gestuurd. Daarmee is de verjaring tijdig gestuit. Vervolgens heeft [eiser] de verjaring opnieuw gestuit door middel van een schriftelijke mededeling op 17 augustus 2023, gevolgd door een sommatie tot schadevergoeding van 17 december 2024. De dagvaarding is uitgebracht op 8 mei 2025, dus binnen twee jaar na de laatste stuiting. 3.19 [gedaagde] heeft geen concrete periode kunnen aanwijzen waarin de vordering zou zijn verjaard. Ook niet toen hem dat op zitting concreet gevraagd werd. Op basis van het bovenstaande is de vordering van [eiser] niet verjaard. Het schadebedrag wordt niet gematigd 3.20 [gedaagde] vraagt in zijn petitum om matiging van het schadebedrag op grond van de redelijkheid en billijkheid dan wel op grond van artikel 6:109 BW. Uit de jurisprudentie volgt dat de rechter hiermee terughoudend moet omgaan. [gedaagde] heeft niets gesteld of onderbouwd hierover en heeft niet voldaan aan artikel 150 Rv. Daarom wordt dit afgewezen. Het beslag wordt niet opgeheven 3.21 [gedaagde] heeft aangegeven dat hij wil dat het beslag wat [eiser] heeft gelegd wordt opgeheven. Hij heeft geen vordering in reconventie ingesteld hiervoor. Ook hier heeft [gedaagde] dit verzoek verder niet onderbouwd. Mede omdat een groot deel van de vordering wordt toegewezen en er geen reconventionele vordering is ingesteld, wordt dit verzoek afgewezen. [gedaagde] moet € 2.849,10 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen 3.22 [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, dat blijkt uit productie 15 bij dagvaarding. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 2.849,10 worden toegewezen. [gedaagde] moet € 3.701,67 aan beslagkosten betalen 3.23 De rechtbank begrijpt dat [eiser] vergoeding van de beslagkosten van [gedaagde] wil vorderen. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 656,67 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € €1.929,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 1.929,00), totaal € 2.916,67. [gedaagde] moet de proceskosten en de deskundigenkosten betalen 3.24 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) en de deskundigenkosten betalen. De kosten van de deskundige zijn door de rechtbank bij beschikking van 9 april 2025 vastgesteld op een bedrag van € 12.744,69 en betaald uit het door [eiser] betaalde depot. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 2.392,00 - kosten deskundigen € 12.744,69 - salaris advocaat € 3.858,00 (2 punten × € 1.929,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 19.318,14 4 De beslissing De rechtbank 4.1 veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 157.963,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 december 2024 tot de dag van volledige betaling, 4.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.849,10 aan buitengerechtelijke kosten, 4.3 veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.916,67, 4.4 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 19.318,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.5 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.6 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken door N.A.J. Purcell op 17 december 2025. LLO 5719 HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600.