Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-11-20
ECLI:NL:RBMNE:2025:7825
Civiel recht
Kort geding
3,909 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7825 text/xml public 2026-04-16T09:26:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-11-20 11932219 \ UV EXPL 25-268 VL/58599 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7825 text/html public 2026-04-16T09:24:11 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7825 Rechtbank Midden-Nederland , 20-11-2025 / 11932219 \ UV EXPL 25-268 VL/58599 Kortgeding. Huurachterstand. Kantonrechter geeft gedaagden een laatste termijn om de huurachterstand te voldoen. Anders moeten zij de woning ontruimen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11932219 \ UV EXPL 25-268 VL/58599 Vonnis in kort geding van 20 november 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] (Spanje), eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E.H.J. Slager, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats 2] , 2. [gedaagde sub 2] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] , gemachtigde: mr. J.P.H.C. Swarts. 1 De procedure 1.1 [eiser] heeft [gedaagden c.s] op 23 oktober 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald. [eiser] heeft op 3 november 2025 een aanvullende productie overgelegd en [gedaagden c.s] hebben op 4 november 2025 producties overgelegd. 1.2 De mondelinge behandeling heeft op 6 november 2025 plaatsgevonden. Namens [eiser] was mr. Slager aanwezig. Mevrouw [gedaagde sub 1] en de heer [gedaagde sub 2] waren aanwezig, bijgestaan door mr. Swarts. Mr. Swarts heeft zijn spreekaantekeningen voorgedragen en partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] verhuurt per 1 februari 2024 de woning aan de [adres] in [plaats] aan [gedaagden c.s] voor € 5.750,- per maand. [gedaagden c.s] hebben een huurachterstand laten ontstaan en [eiser] wil daarom dat [gedaagden c.s] de woning ontruimen. [gedaagden c.s] zeggen dat zij een financiële tegenslag hebben gehad met een van hun projecten, maar dat zij de huurachterstand de komende maand volledig kunnen voldoen. De kantonrechter geeft [gedaagden c.s] een laatste termijn om de volledige huurachterstand te voldoen. Als zij de huurachterstand niet binnen 30 dagen volledig hebben afgelost, dan moeten [gedaagden c.s] de woning ontruimen. 3 De beoordeling Wettelijke kader 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Als aan één van de twee niet wordt voldaan wordt de vordering afgewezen. 3.2 De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Als [gedaagden c.s] in de woning blijven wonen terwijl zij geen, althans, minder dan de afgesproken huur betalen dan loopt de schade voor [eiser] alsmaar verder op. De kantonrechter zal de vorderingen daarom inhoudelijk beoordelen. Geen verrekening met buitengerechtelijke incassokosten 3.3 [eiser] vordert € 18.885,52, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2025. Volgens [eiser] bestaat dit bedrag uit twee delen: € 18.402,52 aan achterstallige huurbetalingen en € 483,80 aan waterkosten die [eiser] heeft voorgeschoten. [eiser] stelt dat hij een bedrag van € 1.076,90 aan buitengerechtelijke incassokosten al heeft verrekend met eerder door [gedaagden c.s] gedane huurbetalingen. Volgens [gedaagden c.s] kon [eiser] dit bedrag niet verrekenen, omdat de buitengerechtelijke incassokosten niet juist zijn aangezegd. 3.4 De kantonrechter overweegt als volgt. In artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn vereisten opgenomen waaraan moet worden voldaan als een partij aanspraak wil maken op buitengerechtelijke incassokosten. Er moet onder andere een aanmaningsbrief zijn verstuurd die aan bepaalde eisen voldoet. De aanmaningsbrief van 11 juli 2025 van [eiser] voldoet niet aan deze vereisten, omdat het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dat moet worden betaald als de hoofdsom niet tijdig wordt betaald, niet is genoemd. [eiser] heeft daarom nooit een vordering voor buitengerechtelijke incassokosten op [gedaagden c.s] gehad. Hij heeft deze dus ook niet kunnen verrekenen. Om een vordering te kunnen verrekenen moet die vordering namelijk wel bestaan. 3.5 De kantonrechter stelt de vordering van [eiser] daarom vast op € 18.885,52 - € 1.076,90 = € 17.808,62. [gedaagden c.s] hebben niet weersproken dat zij € 17.808,62 aan [eiser] moeten betalen. De kantonrechter zal hen daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 oktober 2025. De huurachterstand zou ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen 3.6 Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. In het algemeen wordt er in huurzaken van uitgegaan dat een huurachterstand van drie maanden voldoende is om een ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. 3.7 In dit geval is de huurachterstand ruim drie maanden. De kantonrechter is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de huurovereenkomst tussen partijen op basis van deze huurachterstand in een bodemprocedure zal worden ontbonden. De bodemrechter weegt mee dat de twee kinderen van mevrouw [gedaagde sub 1] van 15 en 17 jaar ook in de woning verblijven, maar het is niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat ontbinding van de huurovereenkomst daardoor niet gerechtvaardigd is. De kinderen zijn namelijk niet gebonden aan de omgeving van de woning, omdat zij naar school gaan in Amsterdam. Daarbij woont de vader van de kinderen bij [gedaagden c.s] om de hoek en hebben de kinderen bij hem ook een onderkomen. Ook hebben [gedaagden c.s] een zodanig inkomen dat zij in staat kunnen worden geacht vrij gemakkelijk een andere woning te huren. [gedaagden c.s] krijgen 30 dagen om de volledige huurachterstand te betalen 3.8 [gedaagden c.s] stellen dat zij binnen afzienbare tijd de volledige huurachterstand kunnen voldoen. Zij voeren hiertoe aan dat zij bestuurder/aandeelhouder zijn van twee B.V.’s die zich bezighouden met vastgoedprojecten. Op dit moment lopen twee grote projecten, waarvan [gedaagden c.s] vanaf deze maand uitkeringen zullen ontvangen. Daarnaast zullen [gedaagden c.s] binnen afzienbare tijd de volgende bedragen ontvangen: € 4.812,40 aan alimentatie; € 39.476,18 aan belastingteruggave; € 9.360,00 aan btw-teruggave. 3.9 De kantonrechter overweegt als volgt. Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming. [gedaagden c.s] hebben onderbouwd gesteld dat zij binnen korte tijd de volledige huurachterstand kunnen voldoen. In dat geval is het niet aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zou worden ontbonden.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7825 text/xml public 2026-04-16T09:26:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-11-20 11932219 \ UV EXPL 25-268 VL/58599 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7825 text/html public 2026-04-16T09:24:11 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7825 Rechtbank Midden-Nederland , 20-11-2025 / 11932219 \ UV EXPL 25-268 VL/58599 Kortgeding. Huurachterstand. Kantonrechter geeft gedaagden een laatste termijn om de huurachterstand te voldoen. Anders moeten zij de woning ontruimen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11932219 \ UV EXPL 25-268 VL/58599 Vonnis in kort geding van 20 november 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] (Spanje), eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E.H.J. Slager, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats 2] ,2. [gedaagde sub 2] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] , gemachtigde: mr. J.P.H.C. Swarts. 1 De procedure 1.1 [eiser] heeft [gedaagden c.s] op 23 oktober 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald. [eiser] heeft op 3 november 2025 een aanvullende productie overgelegd en [gedaagden c.s] hebben op 4 november 2025 producties overgelegd. 1.2 De mondelinge behandeling heeft op 6 november 2025 plaatsgevonden. Namens [eiser] was mr. Slager aanwezig. Mevrouw [gedaagde sub 1] en de heer [gedaagde sub 2] waren aanwezig, bijgestaan door mr. Swarts. Mr. Swarts heeft zijn spreekaantekeningen voorgedragen en partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] verhuurt per 1 februari 2024 de woning aan de [adres] in [plaats] aan [gedaagden c.s] voor € 5.750,- per maand. [gedaagden c.s] hebben een huurachterstand laten ontstaan en [eiser] wil daarom dat [gedaagden c.s] de woning ontruimen. [gedaagden c.s] zeggen dat zij een financiële tegenslag hebben gehad met een van hun projecten, maar dat zij de huurachterstand de komende maand volledig kunnen voldoen. De kantonrechter geeft [gedaagden c.s] een laatste termijn om de volledige huurachterstand te voldoen. Als zij de huurachterstand niet binnen 30 dagen volledig hebben afgelost, dan moeten [gedaagden c.s] de woning ontruimen. 3 De beoordeling Wettelijke kader 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Als aan één van de twee niet wordt voldaan wordt de vordering afgewezen. 3.2 De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Als [gedaagden c.s] in de woning blijven wonen terwijl zij geen, althans, minder dan de afgesproken huur betalen dan loopt de schade voor [eiser] alsmaar verder op. De kantonrechter zal de vorderingen daarom inhoudelijk beoordelen. Geen verrekening met buitengerechtelijke incassokosten 3.3 [eiser] vordert € 18.885,52, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2025. Volgens [eiser] bestaat dit bedrag uit twee delen: € 18.402,52 aan achterstallige huurbetalingen en € 483,80 aan waterkosten die [eiser] heeft voorgeschoten. [eiser] stelt dat hij een bedrag van € 1.076,90 aan buitengerechtelijke incassokosten al heeft verrekend met eerder door [gedaagden c.s] gedane huurbetalingen. Volgens [gedaagden c.s] kon [eiser] dit bedrag niet verrekenen, omdat de buitengerechtelijke incassokosten niet juist zijn aangezegd. 3.4 De kantonrechter overweegt als volgt. In artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn vereisten opgenomen waaraan moet worden voldaan als een partij aanspraak wil maken op buitengerechtelijke incassokosten. Er moet onder andere een aanmaningsbrief zijn verstuurd die aan bepaalde eisen voldoet. De aanmaningsbrief van 11 juli 2025 van [eiser] voldoet niet aan deze vereisten, omdat het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dat moet worden betaald als de hoofdsom niet tijdig wordt betaald, niet is genoemd. [eiser] heeft daarom nooit een vordering voor buitengerechtelijke incassokosten op [gedaagden c.s] gehad. Hij heeft deze dus ook niet kunnen verrekenen. Om een vordering te kunnen verrekenen moet die vordering namelijk wel bestaan. 3.5 De kantonrechter stelt de vordering van [eiser] daarom vast op € 18.885,52 - € 1.076,90 = € 17.808,62. [gedaagden c.s] hebben niet weersproken dat zij € 17.808,62 aan [eiser] moeten betalen. De kantonrechter zal hen daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 oktober 2025. De huurachterstand zou ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen 3.6 Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. In het algemeen wordt er in huurzaken van uitgegaan dat een huurachterstand van drie maanden voldoende is om een ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. 3.7 In dit geval is de huurachterstand ruim drie maanden. De kantonrechter is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de huurovereenkomst tussen partijen op basis van deze huurachterstand in een bodemprocedure zal worden ontbonden. De bodemrechter weegt mee dat de twee kinderen van mevrouw [gedaagde sub 1] van 15 en 17 jaar ook in de woning verblijven, maar het is niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat ontbinding van de huurovereenkomst daardoor niet gerechtvaardigd is. De kinderen zijn namelijk niet gebonden aan de omgeving van de woning, omdat zij naar school gaan in Amsterdam. Daarbij woont de vader van de kinderen bij [gedaagden c.s] om de hoek en hebben de kinderen bij hem ook een onderkomen. Ook hebben [gedaagden c.s] een zodanig inkomen dat zij in staat kunnen worden geacht vrij gemakkelijk een andere woning te huren. [gedaagden c.s] krijgen 30 dagen om de volledige huurachterstand te betalen 3.8 [gedaagden c.s] stellen dat zij binnen afzienbare tijd de volledige huurachterstand kunnen voldoen. Zij voeren hiertoe aan dat zij bestuurder/aandeelhouder zijn van twee B.V.’s die zich bezighouden met vastgoedprojecten. Op dit moment lopen twee grote projecten, waarvan [gedaagden c.s] vanaf deze maand uitkeringen zullen ontvangen. Daarnaast zullen [gedaagden c.s] binnen afzienbare tijd de volgende bedragen ontvangen: € 4.812,40 aan alimentatie; € 39.476,18 aan belastingteruggave; € 9.360,00 aan btw-teruggave. 3.9 De kantonrechter overweegt als volgt. Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming. [gedaagden c.s] hebben onderbouwd gesteld dat zij binnen korte tijd de volledige huurachterstand kunnen voldoen. In dat geval is het niet aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zou worden ontbonden.