Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-27
ECLI:NL:RBMNE:2025:7788
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,759 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7788 text/xml public 2026-04-15T13:58:19 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-27 25/5319 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7788 text/html public 2026-04-15T13:57:59 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7788 Rechtbank Midden-Nederland , 27-10-2025 / 25/5319 BNT WIA bezwaar gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5319 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. T. van Uden), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 27 januari 2025 tegen het besluit van 19 december 2024. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift om herbeoordeling ingediend op 27 januari 2025. Verweerder heeft de het bezwaarschrift ontvangen op 28 januari 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiser. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 29 september 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 11 juli 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. 5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om het bezwaar binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. Conclusie 7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van twee maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiser. 10. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,-. 8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- dat eiser heeft betaald moet betalen; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ECLI:NL:RBMNE:2025:41
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7788 text/xml public 2026-04-15T13:58:19 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-27 25/5319 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7788 text/html public 2026-04-15T13:57:59 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7788 Rechtbank Midden-Nederland , 27-10-2025 / 25/5319 BNT WIA bezwaar gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5319 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. T. van Uden), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 27 januari 2025 tegen het besluit van 19 december 2024. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift om herbeoordeling ingediend op 27 januari 2025. Verweerder heeft de het bezwaarschrift ontvangen op 28 januari 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiser. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 29 september 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 11 juli 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. 5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om het bezwaar binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. Conclusie 7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van twee maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiser. 10. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,-. 8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- dat eiser heeft betaald moet betalen; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ECLI:NL:RBMNE:2025:41