Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-24
ECLI:NL:RBMNE:2025:777
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,598 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6538
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , in [plaats] , eiser
(gemachtigde: A. Mulder),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. K.L. Vos).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 november 2023.
Overwegingen
1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. In de beschikking van 28 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op
€ 660.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021. In de beschikking van
28 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als maatstaf is gehanteerd.
3. Eiser is niet in bezwaar gegaan tegen de beschikking. Op 2 april 2023 heeft eiser een brief gestuurd naar de heffingsambtenaar. In deze brief verzoekt eiser om een ambtshalve vermindering van de waarde van de woning. De heffingsambtenaar heeft deze brief ten onrechte aangemerkt als bezwaarschrift. Echter, de heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar de hoogte van de WOZ-waarde wel ambtshalve getoetst. De heffingsambtenaar heeft besloten de waarde niet ambtshalve te verlagen.
4. De rechtbank stelt vast dat de waarde van de woning ambtshalve is beoordeeld. Tegen een ambtshalve beslissing van de heffingsambtenaar staat echter geen bezwaar en beroep open, dus ook niet tegen het besluit van de heffingsambtenaar om niet tot ambtshalve vermindering over te gaan. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5. Eiser krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6538
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , in [plaats] , eiser
(gemachtigde: A. Mulder),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. K.L. Vos).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 november 2023.
Overwegingen
1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. In de beschikking van 28 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op
€ 660.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021. In de beschikking van
28 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als maatstaf is gehanteerd.
3. Eiser is niet in bezwaar gegaan tegen de beschikking. Op 2 april 2023 heeft eiser een brief gestuurd naar de heffingsambtenaar. In deze brief verzoekt eiser om een ambtshalve vermindering van de waarde van de woning. De heffingsambtenaar heeft deze brief ten onrechte aangemerkt als bezwaarschrift. Echter, de heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar de hoogte van de WOZ-waarde wel ambtshalve getoetst. De heffingsambtenaar heeft besloten de waarde niet ambtshalve te verlagen.
4. De rechtbank stelt vast dat de waarde van de woning ambtshalve is beoordeeld. Tegen een ambtshalve beslissing van de heffingsambtenaar staat echter geen bezwaar en beroep open, dus ook niet tegen het besluit van de heffingsambtenaar om niet tot ambtshalve vermindering over te gaan. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5. Eiser krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.