Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-31
ECLI:NL:RBMNE:2025:7606
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,093 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7606 text/xml public 2026-03-06T09:41:07 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-31 UTR 25/2380 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7606 text/html public 2026-03-06T09:40:44 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7606 Rechtbank Midden-Nederland , 31-10-2025 / UTR 25/2380 De minister mocht het verzoek van eiser voor het verwijderen van zijn justitiële gegevens uit de Justititiële Documentatie afwijzen. Het verwijderen van deze gegevens kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen. Eiser voldoet niet aan de criteria die hiervoor zijn opgesteld en er is geen sprake van aantoonbaar meer dan normale hinder. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2380 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de minister van Justitie en Veiligheid (gemachtigden: mr. M. Moddejonge en mr. I. de Boer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om zijn justitiële gegevens uit de Justitiële Documentatie (JD) te verwijderen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden. Op grond van artikel 26 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) kan eiser verzet aantekenen tegen zijn registratie in de JD. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de gegevens van eiser niet hoeft te verwijderen uit de JD. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het verwijderen van zijn justitiële gegevens uit de JD. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 3.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 3.2. De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Zorgvuldigheid 4. Eiser voert aan dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door niet van tevoren een zienswijze op te vragen bij het OM. De minister had dit voor het nemen van het primaire besluit moeten doen. Omdat de zienswijze pas na de bezwaarprocedure is opgevraagd, is het OM volgens eiser waarschijnlijk beïnvloed door het primaire besluit. 5. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de beslissing op bezwaar niet onzorgvuldig heeft gehandeld. De minister heeft het OM alsnog om een zienswijze gevraagd. Voor zover er een gebrek was in het primaire besluit, is dit dus in de beslissing op bezwaar hersteld. Het OM heeft uitgebreid uiteengezet waarom er geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat de gegevens verwijderd zouden moeten worden. Gezien de vrijspraak van eiser heeft de registratie volgens het OM geen nadelig effect op het demonstratierecht van eiser. De stelling van eiser dat het OM is beïnvloed door het primaire besluit, volgt de rechtbank niet. Dat blijkt niet uit de zienswijze. Gelijkheid 6. Eiser wijst erop dat de justitiële gegevens van de personen die een boete hebben gehad omdat ze de coronaregels niet hebben opgevolgd allemaal zijn geschrapt. Aangezien eiser ook in dit kader is aangehouden, zouden op basis van het gelijkheidsbeginsel zijn justitiële gegevens ook geschrapt moeten worden. 7. De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van gelijke gevallen. De personen waarbij de justitiële documentatie is geschrapt hebben namelijk de coronamaatregelen genegeerd. Dat is een ander strafbaar feit dan waarvoor eiser is vrijgesproken, namelijk het negeren van een ambtelijk bevel. Ook al zou de context van de overtredingen hetzelfde zijn, dan is er daarom toch geen sprake van gelijke gevallen. Verwijderen van gegevens 8. Eiser voert aan dat er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden. Hij en zijn familie worden sinds zijn registratie in de JD namelijk dagelijks bevraagd in de basisregistratie persoonsgegevens (BRP) door politie en justitie in het strafrechtelijk kader. Bovendien voelt eiser zich geremd in het uitvoeren van zijn demonstratierecht en is hij bang dat zijn registratie voor dit delict hem in de weg kan gaan zitten vanwege het stigma rondom anti-overheidsdenken en coronademonstranten. Dit levert wel degelijk hinder op, maar dat wordt niet erkend door de minister. 9. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen volgt uit de totstandkoming van artikel 26 van de Wjsg dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen de gegevens worden verwijderd en het verwerken daarvan stopt. Dit komt omdat er veel belang wordt gehecht aan het verwerken van justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging. Deze gegevens moeten beschikbaar blijven voor politie en justitie, zodat zij een compleet beeld kunnen krijgen van iemands strafrechtelijk verleden. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als de aard van de zaak zwaarder weegt dan het beginsel dat de justitiële documentatie volledig is. Dat iemand daar emotioneel last van kan hebben is daarbij niet van belang. 10. De minister heeft een zekere mate van beoordelingsruimte bij de behandeling van het verzoek van eiser. Daarbij worden door de minister verschillende criteria gebruikt. Er kan pas overgegaan worden tot verwijdering van de gegevens op grond van artikel 26 Wjsg als is voldaan aan bijna alle onderstaande omstandigheden: de zeer jonge leeftijd ten tijde van het delict; de ernst van het delict, de opgelegde straf en de aard van de beslissing; er is sprake van sepot of vrijspraak; de bewaartermijn is bijna verstreken; er is sprake van een specifieke opleiding; er sprake van aantoonbaar meer dan normale (carrière) hinder; het ontbreken van andere op eisers naam gestelde delicten in het JDS. 11. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet voldoet aan de bovenstaande criteria en dat er geen sprake is van aantoonbaar meer dan normale hinder. Het is aan eiser om aan te geven wat voor hinder dit is en dit ook aan te tonen. Dat politie en justitie regelmatig de BRP bevragen op eisers naam, betekent nog niet dat deze gegevens worden opgevraagd om eiser in de gaten te houden. Dat blijkt ook niet uit de bevragingen. Op de zitting is toegelicht dat als de politie op iemands achternaam zoekt er allerlei gegevens naar boven komen. Eisers gegevens kunnen dus ook worden opgeroepen als de politie op zoek is naar iemand anders met dezelfde achternaam. Omdat eiser een vaker voorkomende achternaam heeft kan dit regelmatig voorkomen. Dat wil dus niet zeggen dat specifiek eiser of zijn familie in de gaten wordt gehouden. 12. Bovendien heeft eiser niet uitgelegd wat voor praktische gevolgen dit voor hem heeft in het dagelijks leven. De rechtbank begrijpt dat eiser dit niet prettig vindt, maar zoals overwogen onder rechtsoverweging 7 is emotionele hinder hierbij niet van belang. Tijdens de zitting heeft eiser betoogd dat hij wordt beperkt in zijn demonstratierecht. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij daadwerkelijk wordt gehinderd in het uitvoeren van zijn demonstratierecht, maar dat hij dat wel zo ervaart. Eiser kon namelijk toen hij daarnaar gevraagd werd geen voorbeeld noemen waarbij hij daadwerkelijk tijdens een demonstratie door de politie is staande gehouden of anders behandeld vanwege deze registratie. Hij voelt zich gehinderd omdat hij daarvoor vreest, maar dat dit daadwerkelijk gebeurt is niet gebleken. 13. Ten slotte heeft eiser tijdens de zitting aangegeven dat er een bepaald stigma rust op coronademonstranten en dat als deze gegevens worden opgevraagd iemand daar een bepaald beeld bij kan hebben.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7606 text/xml public 2026-03-06T09:41:07 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-31 UTR 25/2380 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7606 text/html public 2026-03-06T09:40:44 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7606 Rechtbank Midden-Nederland , 31-10-2025 / UTR 25/2380 De minister mocht het verzoek van eiser voor het verwijderen van zijn justitiële gegevens uit de Justititiële Documentatie afwijzen. Het verwijderen van deze gegevens kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen. Eiser voldoet niet aan de criteria die hiervoor zijn opgesteld en er is geen sprake van aantoonbaar meer dan normale hinder. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2380 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de minister van Justitie en Veiligheid (gemachtigden: mr. M. Moddejonge en mr. I. de Boer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om zijn justitiële gegevens uit de Justitiële Documentatie (JD) te verwijderen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden. Op grond van artikel 26 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) kan eiser verzet aantekenen tegen zijn registratie in de JD. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de gegevens van eiser niet hoeft te verwijderen uit de JD. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het verwijderen van zijn justitiële gegevens uit de JD. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 3.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 3.2. De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Zorgvuldigheid 4. Eiser voert aan dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door niet van tevoren een zienswijze op te vragen bij het OM. De minister had dit voor het nemen van het primaire besluit moeten doen. Omdat de zienswijze pas na de bezwaarprocedure is opgevraagd, is het OM volgens eiser waarschijnlijk beïnvloed door het primaire besluit. 5. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de beslissing op bezwaar niet onzorgvuldig heeft gehandeld. De minister heeft het OM alsnog om een zienswijze gevraagd. Voor zover er een gebrek was in het primaire besluit, is dit dus in de beslissing op bezwaar hersteld. Het OM heeft uitgebreid uiteengezet waarom er geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat de gegevens verwijderd zouden moeten worden. Gezien de vrijspraak van eiser heeft de registratie volgens het OM geen nadelig effect op het demonstratierecht van eiser. De stelling van eiser dat het OM is beïnvloed door het primaire besluit, volgt de rechtbank niet. Dat blijkt niet uit de zienswijze. Gelijkheid 6. Eiser wijst erop dat de justitiële gegevens van de personen die een boete hebben gehad omdat ze de coronaregels niet hebben opgevolgd allemaal zijn geschrapt. Aangezien eiser ook in dit kader is aangehouden, zouden op basis van het gelijkheidsbeginsel zijn justitiële gegevens ook geschrapt moeten worden. 7. De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van gelijke gevallen. De personen waarbij de justitiële documentatie is geschrapt hebben namelijk de coronamaatregelen genegeerd. Dat is een ander strafbaar feit dan waarvoor eiser is vrijgesproken, namelijk het negeren van een ambtelijk bevel. Ook al zou de context van de overtredingen hetzelfde zijn, dan is er daarom toch geen sprake van gelijke gevallen. Verwijderen van gegevens 8. Eiser voert aan dat er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden. Hij en zijn familie worden sinds zijn registratie in de JD namelijk dagelijks bevraagd in de basisregistratie persoonsgegevens (BRP) door politie en justitie in het strafrechtelijk kader. Bovendien voelt eiser zich geremd in het uitvoeren van zijn demonstratierecht en is hij bang dat zijn registratie voor dit delict hem in de weg kan gaan zitten vanwege het stigma rondom anti-overheidsdenken en coronademonstranten. Dit levert wel degelijk hinder op, maar dat wordt niet erkend door de minister. 9. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen volgt uit de totstandkoming van artikel 26 van de Wjsg dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen de gegevens worden verwijderd en het verwerken daarvan stopt. Dit komt omdat er veel belang wordt gehecht aan het verwerken van justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging. Deze gegevens moeten beschikbaar blijven voor politie en justitie, zodat zij een compleet beeld kunnen krijgen van iemands strafrechtelijk verleden. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als de aard van de zaak zwaarder weegt dan het beginsel dat de justitiële documentatie volledig is. Dat iemand daar emotioneel last van kan hebben is daarbij niet van belang. 10. De minister heeft een zekere mate van beoordelingsruimte bij de behandeling van het verzoek van eiser. Daarbij worden door de minister verschillende criteria gebruikt. Er kan pas overgegaan worden tot verwijdering van de gegevens op grond van artikel 26 Wjsg als is voldaan aan bijna alle onderstaande omstandigheden: de zeer jonge leeftijd ten tijde van het delict; de ernst van het delict, de opgelegde straf en de aard van de beslissing; er is sprake van sepot of vrijspraak; de bewaartermijn is bijna verstreken; er is sprake van een specifieke opleiding; er sprake van aantoonbaar meer dan normale (carrière) hinder; het ontbreken van andere op eisers naam gestelde delicten in het JDS. 11. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet voldoet aan de bovenstaande criteria en dat er geen sprake is van aantoonbaar meer dan normale hinder. Het is aan eiser om aan te geven wat voor hinder dit is en dit ook aan te tonen. Dat politie en justitie regelmatig de BRP bevragen op eisers naam, betekent nog niet dat deze gegevens worden opgevraagd om eiser in de gaten te houden. Dat blijkt ook niet uit de bevragingen. Op de zitting is toegelicht dat als de politie op iemands achternaam zoekt er allerlei gegevens naar boven komen. Eisers gegevens kunnen dus ook worden opgeroepen als de politie op zoek is naar iemand anders met dezelfde achternaam. Omdat eiser een vaker voorkomende achternaam heeft kan dit regelmatig voorkomen. Dat wil dus niet zeggen dat specifiek eiser of zijn familie in de gaten wordt gehouden. 12. Bovendien heeft eiser niet uitgelegd wat voor praktische gevolgen dit voor hem heeft in het dagelijks leven. De rechtbank begrijpt dat eiser dit niet prettig vindt, maar zoals overwogen onder rechtsoverweging 7 is emotionele hinder hierbij niet van belang. Tijdens de zitting heeft eiser betoogd dat hij wordt beperkt in zijn demonstratierecht. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij daadwerkelijk wordt gehinderd in het uitvoeren van zijn demonstratierecht, maar dat hij dat wel zo ervaart. Eiser kon namelijk toen hij daarnaar gevraagd werd geen voorbeeld noemen waarbij hij daadwerkelijk tijdens een demonstratie door de politie is staande gehouden of anders behandeld vanwege deze registratie. Hij voelt zich gehinderd omdat hij daarvoor vreest, maar dat dit daadwerkelijk gebeurt is niet gebleken. 13. Ten slotte heeft eiser tijdens de zitting aangegeven dat er een bepaald stigma rust op coronademonstranten en dat als deze gegevens worden opgevraagd iemand daar een bepaald beeld bij kan hebben.