Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-03-07
ECLI:NL:RBMNE:2025:7511
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16.097319.24 en 16.201777.24 (gev.ttz) Vonnis van de meervoudige kamer van 7 maart 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , [postcode] [woonplaats] , hierna: [verdachte] . 1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 14 februari 2025. Het onderzoek in voornoemde zaken is enkelvoudig gesloten op 7 maart 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.S. Matherus-Meijers en van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, advocaat in Arnhem, naar voren hebben gebracht. 2 TENLASTELEGGINGEN De tenlasteleggingen zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht. De verdenkingen komen er in het kort op neer dat [verdachte] : Zaak 16.097319.24 onder 1 op 11 maart 2024 in Antwerpen, België, samen met anderen, zich de toegang heeft verschaft tot een in de haven gelegen besloten plaats voor distributie; onder 2 op 11 maart 2024 in Antwerpen, België, samen met anderen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in de haven gelegen besloten plaats voor distributie; onder 3 op 11 maart 2024 in Antwerpen, België, samen met anderen, een grote hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad; Zaak 16.201777.24 op 18 juni 2024 in Alkmaar: primair: een snorfiets heeft gestolen; subsidiair deze snorfiets heeft geheeld. 3 VOORVRAGEN De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het in zaak 16.097319.24 onder 1, 2 en 3 en het in zaak 16.201777.24 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. [verdachte] dient vanwege gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken van het in zaak 16.201777.24 primair ten laste gelegde. 4.2 Het standpunt van de verdediging Zaak 16.097319.24, onder 1, 2 en 3: De raadsmand heeft zich ten aanzien van de bewijsvraag en de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van zaak 16.201777.24 heeft de raadsman net als de officier van justitie vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde diefstal. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak ten aanzien van het in zaak 16.201777.24 primair ten laste gelegde De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de primair ten laste gelegde diefstal. Het dossier bevat geen bewijs dat [verdachte] de snorfiets heeft gestolen. [verdachte] zal dan ook van het in zaak 16.201777.24 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen ten aanzien van het in zaak 16.097319.24 feit 1, feit 2 en feit 3 en ten aanzien van het in zaak 16.201777.24 subsidiair ten laste gelegde [verdachte] heeft deze ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak bepleit voor deze feiten. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: de verklaring van [verdachte] op de terechtzitting van 14 februari 2025; een Pro Justitia Klassiek PV, genummerd AN.10.FO.000725/2024 van de Federale politie Scheepvaartpolitie Antwerpen, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdinspecteur, alsmede bijlage, van 11 maart 2024, over de aanhouding van verdachte met [medeverdachte 1] in de haven van Antwerpen, doorgenummerde pagina’s 6-25; een Pro Justitia Navolgend PV, genummerd 000732/24, van de Federale politie Scheepvaartpolitie Antwerpen, opgemaakt door [verbalisant 2] , lokale onderzoeksdienst, alsmede bijlage, van 11 ma 8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een jeugddetentie van 90 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 59 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming, zodat [verdachte] niet terug hoeft naar de gevangenis en - oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van twaalf maanden, te vervangen door zes maanden jeugddetentie indien [verdachte] niet (voldoende) meewerkt, waarbij het programma bestaat uit de punten zoals omschreven in het advies van de Raad voor de Kinderbescherming De aan de maatregel verbonden onderdelen maatregel (behalve ITB Harde Kern en elektronisch toezicht) moeten volgens de officier van justitie na afloop van de blijven doorlopen, in de vorm van bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan de deels voorwaardelijke jeugddetentie. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd en opgemerkt de eis van de officier van justitie redelijk te vinden. Wel heeft de raadsman ook verzocht de voorwaarde ITB Harde Kern niet te laten doorlopen gedurende de proeftijd (het tweede jaar) van de jeugddetentie. Daarnaast merkt de raadsman op dat [verdachte] inmiddels acht maanden een enkelband draagt en dat dit, ook mentaal, zeer belastend voor hem is. De raadsman verzoekt de rechtbank deze voorwaarde niet langer op te nemen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] , zoals op de terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten [verdachte] heeft zich in de haven van Antwerpen samen met anderen als uithaler schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van cocaïne en het zich wederrechtelijk bevinden op het haventerrein. [verdachte] had daar, samen met anderen, een forse hoeveelheid cocaïne uit een container gehaald. Met zijn handelen heeft [verdachte] een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Harddrugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs gaat bovendien direct dan wel indirect gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit, met alle gevolge van dien. Dit leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Uithalersactiviteiten zijn van groot belang om de handel in cocaïne goed te laten verlopen. Uithalers, vaak jonge jongens als [verdachte] , zijn daarmee een onmisbare schakel in de internationale transportketen van cocaïne. Dat blijkt ook wel uit de bedragen die verdiend kunnen worden met het uithalen. [verdachte] heeft op de zitting ook verklaard dat hij dit heeft gedaan omdat hem een zeer fors geldbedrag in het vooruitzicht werd gesteld. [verdachte] heeft zich niets aangetrokken van de negatieve gevolgen van de handel in en gebruik van verdovende middelen en zich alleen laten leiden door het grote geld. Hier moet streng tegen worden opgetreden. Daarnaast is [verdachte] op een snorfiets gaan rijden, terwijl hij had moeten weten dat die gestolen was. Hij heeft zich daardoor niets aangetrokken van de schade en overlast van de eigenaar van de snorfiets. Persoon van [verdachte] Uit het strafblad van [verdachte] van 6 januari 2025 blijkt dat hij niet eerder bij de strafrechter is geweest. De rechtbank heeft ook gekeken naar: een Pro Justitia-rapport, psychologisch onderzoek, van 21 juli 2024, opgemaakt door drs. C. Karydaki, Registerpsycholoog NIP/Gezondheidszorg; een advies uitgebreid onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 3 januari 2025, opgemaakt door [A] , raadsonderzoeker. De psycholoog heeft over [verdachte] opgeschreven dat een normoverschrijdende gedragsstoornis, met begin in de kindertijd, met beperkte prosoc De Raad voor de Kinderbescherming adviseert aan [verdachte] een GBM op te leggen voor de duur van twaalf maanden in de vorm van het volgende programma: - meewerken aan jeugdreclasseringsbegeleiding uit te voeren door Samen Veilig Midden Nederland, waarvan zes maanden ITB Harde Kern; - meewerken aan individuele en systeem behandeling bij De Waag of soortgelijke instelling; - meewerken aan het volgens lesrooster naar school gaan; - meewerken aan een contactverbod met de medeverdachten; - meewerken aan EM, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht; - meewerken aan het hebben van een goed ingevulde vrijetijdsbesteding in de vorm van werk en/of sport; - [verdachte] zal zich niet bevinden op besloten haventerreinen voor (container)opslag en distributie, tenzij hij daarvoor schriftelijke toestemming heeft van de jeugdreclassering. Hieronder vallen zowel de haventerreinen in Nederland als België. Na het aflopen van de GBM is het ook noodzakelijk dat de jeugdreclasseringsbegeleiding nog twaalf maanden door blijft lopen, gezien bovengenoemde punten. Ten aanzien van de Elektronische Monitoring (EM) adviseert de RvdK dat [verdachte] hieraan mee moet werken zolang de jeugdreclassering dit nodig acht. EM is ondersteunend om toe te kunnen werken naar meer vrijheden. De op te leggen straf en maatregel Aan [verdachte] moet een straf worden opgelegd. Bij het bepalen van de straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan. De bewezenverklaarde feiten die zien op het uithalen zijn ernstig en een onvoorwaardelijke jeugddetentie is daarvoor een passende straf. De rechtbank houdt ook rekening met de persoon van [verdachte] , zoals op de terechtzitting is gebleken en hiervoor is omschreven. Gelet op de adviezen van de deskundigen acht de rechtbank het echter niet wenselijk dat [verdachte] nu terug naar de gevangenis moet. De rechtbank zal aan [verdachte] een jeugddetentie opleggen voor de duur van 90 dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopig hechtenis heeft doorgebracht, zal op deze jeugddetentie in mindering worden gebracht. Dat betekent dat [verdachte] niet opnieuw naar de jeugdgevangenis hoeft. De rechtbank komt, anders dan de officier van justitie, tot 42 dagen voorarrest, rekening houdend met de duur van de opheffing van de schorsing. De voorwaardelijke jeugddetentie dient als stok achter de deur om [verdachte] ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Na het aflopen van de hierna op te leggen GBM acht de rechtbank het noodzakelijk dat de jeugdreclasseringsbegeleiding nog 12 maanden door blijft lopen. Daarnaast zal de rechtbank de overige bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de Raad in het kader van de GBM is geadviseerd, met uitzondering van de voorwaarde 6 maanden ITB Harde Kern. Deze voorwaarde zal namelijk binnen de uitvoering van de hierna op te leggen GBM zijn gehele beslag krijgen. De voorwaarde van elektronisch toezicht acht de rechtbank eveneens niet langer nodig in het tweede jaar van de proeftijd, zodat deze voorwaarde ook niet wordt opgelegd. Gelet op de aard en de ernst van met name het in de zaak met parketnummer 16.097319.24 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde, zal de rechtbank ook een GBM voor de duur van twaalf maanden. Uit de rapporten van de psycholoog en de Raad blijkt dat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] . De rechtbank zal bepalen dat de GBM bestaat uit de onderdelen zoals geadviseerd door de Raad, behalve wat betreft de enkelband. [verdachte] heeft inmiddels al acht maanden een enkelband. De rechtbank vindt het onderdeel ‘meewerken aan EM, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht’ te veel een open einde hebben. De rechtbank beperkt dit onderdeel tot een termijn van drie maanden na heden. Als [verdachte] niet meewerkt aan (een van de) onderdelen van - waarbij de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, behalve het contact- en locatieverbod, en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden; Oplegging maatregel - legt op aan [verdachte] de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden, bestaande uit het volgende programma: * [verdachte] zal meewerken aan jeugdreclasseringsbegeleiding uit te voeren door Samen Veilig Midden Nederland; waarvan 6 maanden ITB Harde Kern; * [verdachte] zal meewerken aan individuele en systeembehandeling bij De Waag of soortgelijke instelling; * [verdachte] zal meewerken aan het volgens lesrooster naar school gaan; * [verdachte] zal op geen enkele wijze -direct of indirect- contact opnemen, zoeken of hebben met medeverdachte [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2004); * [verdachte] zal meewerken aan het hebben van een goed ingevulde vrijetijdsbesteding in de van werk en/of sport; * [verdachte] zal meewerken aan het hebben van een goed ingevulde vrijetijdsbesteding in de van werk en/of sport; * [verdachte] zal zich niet bevinden op besloten haventerreinen voor (container)opslag en distributie, tenzij hij daarvoor schriftelijke toestemming heeft van de jeugdreclassering. Hieronder vallen zowel de haventerreinen in Nederland als België, waarbij [verdachte] zich gedurende nog drie maanden na heden onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van het hiervoor genoemde programma. - draagt de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland op de tenuitvoerlegging van de maatregel te ondersteunen; - beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van maximaal 6 (zes) maanden als veroordeelde niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel; - beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is; Voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. N.M.H. van Ek en K. de Meulder,(kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 maart 2025. Bijlage: de tenlasteleggingen Zaak 16.097319.24 Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 11 maart 2024 te Antwerpen, Belgie, althans in Belgie, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich de toegang heeft verschaft tot een in de haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [locatie] , [adres 2] en/of [nummer] , [adres 3] in de haven van Antwerpen, door middel van - braak, - inklimming, - een valse sleutel, - een valse order, - een vals kostuum, - een valse of niet aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), toebehorende toegangspas, - een valse hoedanigheid, en/of - misleiding van een persoon, belast met de bewaking van die plaats, 2 hij op of omstreeks 11 maart 2024 te Antwerpen, Belgie, althans in Belgie, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [locatie] , [adres 2] en/of [nummer] , [adres 3] in de haven van Antwerpen; 3 hij op of omstreeks 11 maart 2024 te Antwerpen, Belgie, althans in Belgie, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 40,52 kg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangew