Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-10
ECLI:NL:RBMNE:2025:7447
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,068 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7447 text/xml public 2026-02-06T12:46:35 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-10 UTR 24/8354 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7447 text/html public 2026-02-06T12:46:23 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7447 Rechtbank Midden-Nederland , 10-12-2025 / UTR 24/8354 Het verzoek van eiser om handhaving vanwege het verwijderen van riet in de sloot is door het college afgewezen. Volgens eiser is het verwijderen van riet in strijd met het geldende bestemmingsplan omdat daarin de verplichting is opgenomen dat er ‘opgaand groen’ in de vorm van riet in stand wordt gehouden en de door de gemeente geplaatste lisdodde niet afdoende is. De rechtbank beoordeelt of er sprake is van een overtreding aan de hand van de vraag of met de aanplant van lisdodde voldaan is aan het vereiste van het in standhouden van ‘opgaand groen’. De rechtbank is van oordeel dat ook met andere vormen van ‘opgaand groen’ het doel van het beschermen van privacy kan worden bereikt. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/8354 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. I. Laurijssen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik (het college), verweerder (gemachtigde: mr. M.R. De Vos). Procesverloop 1. Eiser heeft op 26 augustus 2023 verzocht om handhavend op te treden tegen het verwijderen van riet in de sloot tussen het [straat 1] en [straat 2] in [plaats] . Met het besluit van 23 februari 2024 heeft het college dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college, onder aanvulling van de motivering, dit besluit in stand gelaten. 2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 3. De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door [A] , [B] en zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Het geschil 4. Eiser woont aan het [straat 1] in [plaats] . Zijn achtertuin grenst aan de sloot waarover zijn handhavingsverzoek gaat. Aan de overzijde grenst de sloot aan achtertuinen van woningen aan [straat 2] . Onder meer bij de woningen aan [straat 2] waar eiser in zijn achtertuin op uitkijkt is het riet uit de sloot verwijderd. Volgens eiser is dit in strijd met het geldende bestemmingsplan, omdat daarin de verplichting is opgenomen dat er ‘opgaand groen’ in de vorm van riet in stand wordt gehouden. De gemeente heeft in plaats van riet de sloot aan de rand van [straat 2] inmiddels beplant met lisdodde. Volgens eiser is dit geen ‘opgaand groen’ en niet afdoende met het oog de bescherming van privacy. Volgens eiser is daarom sprake van een overtreding van het bestemmingsplan. Volgens het college wordt voldaan aan de eis dat er ‘opgaand groen’ in stand wordt gehouden en is er dus geen sprake van een overtreding. Toetsingskader 5. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat op 1 januari 2024 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat het verzoek tot handhaving vóór die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. 6. Uit artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. 7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich onder meer voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. 8. Ten tijde van het primaire besluit was het bestemmingsplan ‘Benschop Uitbreiding, zuidelijk deel’ van toepassing (bestemmingsplan 2014). Op grond van dit plan rust op de locatie van de sloot tussen het [straat 1] en [straat 2] de enkelbestemming “water”. Binnen deze bestemming is aan een strook van ongeveer 1,5 meter langs de achtertuinen van [straat 2] de aanduiding “groen” toegekend. In artikel 6.1, onder c, van de planregels is bepaald dat de voor “water” aangewezen gronden, ter plaatse van de aanduiding “groen” bestemd zijn voor opgaand groen en steigers. In artikel 6.3, onder a, van de planregels is het vereiste opgenomen dat het opgaand groen onder 6.1, sub c, in stand gehouden dient te worden. 9. Op 5 maart 2024 is door de gemeenteraad het nieuwe bestemmingsplan ‘Kernen Lopik’ (hierna: het bestemmingsplan 2024) vastgesteld. Dit plan is op 17 juni 2024 in werking getreden en heeft het bestemmingsplan 2014 vervangen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020 volgt dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar alle nieuwe feiten en omstandigheden betrokken worden van na de datum van het primaire besluit. 10. Op grond van het bestemmingsplan 2024 rust op de locatie van de sloot de enkelbestemming “Water-2” en is aan de strook van 1,5 meter langs de achtertuinen van [straat 2] eveneens de aanduiding “groen” toegekend. In artikel 20.1, onder e, van de planregels is bepaald dat de voor “water-2” aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding “groen” bestemd zijn voor opgaand groen en steigers. In artikel 20.3, onder a, is bepaald dat het opgaand groen in lid 20.1, onder e, in stand gehouden dient te worden. Is er sprake van een overtreding? 11. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat het college bij het nemen van de beslissing op bezwaar terecht van toepassing heeft geacht het bestemmingsplan 2024 met de in artikel 20.3, onder a, van de planregels opgenomen verplichting dat ‘opgaand groen’ in stand gehouden dient te worden. De bepaling is destijds in een vergelijkbare vorm opgenomen in het bestemmingsplan “Benschop-Oost”, dat op 30 oktober 2012 door de gemeenteraad van Lopik werd vastgesteld. Dit plan maakte de bouw van woningen aan onder meer [straat 2] mogelijk. Ter bescherming van de privacy van de bestaande woningen aan het [straat 1] werd de desbetreffende bepaling opgenomen. In nieuwe daaropvolgende bestemmingsplannen is de verplichting gehandhaafd. 12. In het kader van de bevoegdheid om ter naleving handhavend op te treden, is tijdens de zitting gesproken over het onvoorwaardelijk verplichtende karakter van de bepaling om opgaand groen in stand te houden en de vraag in hoeverre deze verplichting zich verdraagt met het uitgangspunt van toelatingsplanologie zoals dat voortvloeit uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De vraag is in dit verband opgeworpen of de bepaling rechtsgeldig is. Hoewel de bepaling niet de vorm heeft van een voorwaardelijke verplichting, maar zich laat karakteriseren als een gebodsbepaling, heeft dit naar het oordeel van de rechtbank geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de bepaling. Omdat de aanwezigheid van ‘opgaand groen’ uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk werd geacht is destijds terecht in het bestemmingsplan voorzien in de publiekrechtelijke borging van de realisatie en instandhouding hiervan. Omdat de gronden waarop de verplichting rust in eigendom zijn van de gemeente en alleen de gemeente zelf is aan te merken als normadressant, acht de rechtbank de wijze waarop het in stand houden van de strook ‘opgaand groen’ in het bestemmingsplan is geregeld, niet evident in strijd met artikel 3.1 van de Wro en is het college dus in zoverre bevoegd om handhavend op te treden ter naleving van de bepaling. 13.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7447 text/xml public 2026-02-18T07:23:26 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-10 UTR 24/8354 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl STAB-OGR-Updates.nl 2026-0032 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7447 text/html public 2026-02-06T12:46:23 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7447 Rechtbank Midden-Nederland , 10-12-2025 / UTR 24/8354 Het verzoek van eiser om handhaving vanwege het verwijderen van riet in de sloot is door het college afgewezen. Volgens eiser is het verwijderen van riet in strijd met het geldende bestemmingsplan omdat daarin de verplichting is opgenomen dat er ‘opgaand groen’ in de vorm van riet in stand wordt gehouden en de door de gemeente geplaatste lisdodde niet afdoende is. De rechtbank beoordeelt of er sprake is van een overtreding aan de hand van de vraag of met de aanplant van lisdodde voldaan is aan het vereiste van het in standhouden van ‘opgaand groen’. De rechtbank is van oordeel dat ook met andere vormen van ‘opgaand groen’ het doel van het beschermen van privacy kan worden bereikt. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/8354 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. I. Laurijssen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik (het college), verweerder (gemachtigde: mr. M.R. De Vos). Procesverloop 1. Eiser heeft op 26 augustus 2023 verzocht om handhavend op te treden tegen het verwijderen van riet in de sloot tussen het [straat 1] en [straat 2] in [plaats] . Met het besluit van 23 februari 2024 heeft het college dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college, onder aanvulling van de motivering, dit besluit in stand gelaten. 2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 3. De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door [A] , [B] en zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Het geschil 4. Eiser woont aan het [straat 1] in [plaats] . Zijn achtertuin grenst aan de sloot waarover zijn handhavingsverzoek gaat. Aan de overzijde grenst de sloot aan achtertuinen van woningen aan [straat 2] . Onder meer bij de woningen aan [straat 2] waar eiser in zijn achtertuin op uitkijkt is het riet uit de sloot verwijderd. Volgens eiser is dit in strijd met het geldende bestemmingsplan, omdat daarin de verplichting is opgenomen dat er ‘opgaand groen’ in de vorm van riet in stand wordt gehouden. De gemeente heeft in plaats van riet de sloot aan de rand van [straat 2] inmiddels beplant met lisdodde. Volgens eiser is dit geen ‘opgaand groen’ en niet afdoende met het oog de bescherming van privacy. Volgens eiser is daarom sprake van een overtreding van het bestemmingsplan. Volgens het college wordt voldaan aan de eis dat er ‘opgaand groen’ in stand wordt gehouden en is er dus geen sprake van een overtreding. Toetsingskader 5. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat op 1 januari 2024 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat het verzoek tot handhaving vóór die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. 6. Uit artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. 7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich onder meer voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. 8. Ten tijde van het primaire besluit was het bestemmingsplan ‘Benschop Uitbreiding, zuidelijk deel’ van toepassing (bestemmingsplan 2014). Op grond van dit plan rust op de locatie van de sloot tussen het [straat 1] en [straat 2] de enkelbestemming “water”. Binnen deze bestemming is aan een strook van ongeveer 1,5 meter langs de achtertuinen van [straat 2] de aanduiding “groen” toegekend. In artikel 6.1, onder c, van de planregels is bepaald dat de voor “water” aangewezen gronden, ter plaatse van de aanduiding “groen” bestemd zijn voor opgaand groen en steigers. In artikel 6.3, onder a, van de planregels is het vereiste opgenomen dat het opgaand groen onder 6.1, sub c, in stand gehouden dient te worden. 9. Op 5 maart 2024 is door de gemeenteraad het nieuwe bestemmingsplan ‘Kernen Lopik’ (hierna: het bestemmingsplan 2024) vastgesteld. Dit plan is op 17 juni 2024 in werking getreden en heeft het bestemmingsplan 2014 vervangen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020 volgt dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar alle nieuwe feiten en omstandigheden betrokken worden van na de datum van het primaire besluit. 10. Op grond van het bestemmingsplan 2024 rust op de locatie van de sloot de enkelbestemming “Water-2” en is aan de strook van 1,5 meter langs de achtertuinen van [straat 2] eveneens de aanduiding “groen” toegekend. In artikel 20.1, onder e, van de planregels is bepaald dat de voor “water-2” aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding “groen” bestemd zijn voor opgaand groen en steigers. In artikel 20.3, onder a, is bepaald dat het opgaand groen in lid 20.1, onder e, in stand gehouden dient te worden. Is er sprake van een overtreding? 11. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat het college bij het nemen van de beslissing op bezwaar terecht van toepassing heeft geacht het bestemmingsplan 2024 met de in artikel 20.3, onder a, van de planregels opgenomen verplichting dat ‘opgaand groen’ in stand gehouden dient te worden. De bepaling is destijds in een vergelijkbare vorm opgenomen in het bestemmingsplan “Benschop-Oost”, dat op 30 oktober 2012 door de gemeenteraad van Lopik werd vastgesteld. Dit plan maakte de bouw van woningen aan onder meer [straat 2] mogelijk. Ter bescherming van de privacy van de bestaande woningen aan het [straat 1] werd de desbetreffende bepaling opgenomen. In nieuwe daaropvolgende bestemmingsplannen is de verplichting gehandhaafd. 12. In het kader van de bevoegdheid om ter naleving handhavend op te treden, is tijdens de zitting gesproken over het onvoorwaardelijk verplichtende karakter van de bepaling om opgaand groen in stand te houden en de vraag in hoeverre deze verplichting zich verdraagt met het uitgangspunt van toelatingsplanologie zoals dat voortvloeit uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De vraag is in dit verband opgeworpen of de bepaling rechtsgeldig is. Hoewel de bepaling niet de vorm heeft van een voorwaardelijke verplichting, maar zich laat karakteriseren als een gebodsbepaling, heeft dit naar het oordeel van de rechtbank geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de bepaling. Omdat de aanwezigheid van ‘opgaand groen’ uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk werd geacht is destijds terecht in het bestemmingsplan voorzien in de publiekrechtelijke borging van de realisatie en instandhouding hiervan. Omdat de gronden waarop de verplichting rust in eigendom zijn van de gemeente en alleen de gemeente zelf is aan te merken als normadressant, acht de rechtbank de wijze waarop het in stand houden van de strook ‘opgaand groen’ in het bestemmingsplan is geregeld, niet evident in strijd met artikel 3.1 van de Wro en is het college dus in zoverre bevoegd om handhavend op te treden ter naleving van de bepaling. 13.