Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-22
ECLI:NL:RBMNE:2025:7349
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht parketnummer: 16-701219-12 raadkamernummer: 25-030245 Beslissing van de politierechter op het verzoek op grond van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering in de zaak van: [verzoeker] op [geboortedatum] 1961, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] , domicilie kiezende op het kantoor van zijn raadsman, mr. J.A. Schadd te Arnhem, hierna te noemen: verzoeker. Feiten Bij beslissing van 19 juni 2013 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Bij beslissing van 11 februari 2015 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van € 233.009,61. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden. Bij beslissing van 1 februari 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank op de vordering tot machtiging gijzeling van de officier van justitie, heeft de rechtbank geoordeeld dat verzoeker op dat moment niet volledig aan de hem opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan. De rechtbank heeft echter ook aanleiding gezien om de beslissing op de vordering voor een periode van zes maanden aan te houden om verzoeker zo de kans te geven om te bewijzen dat hij (alsnog) zijn betalingsverplichting nakomt. Bij beslissing van 16 augustus 2023 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank als volgt overwogen: “Veroordeelde heeft de kans die hem is geboden door de rechtbank op 1 februari van dit jaar niet benut: hij heeft zich na zijn vrijlating uit detentie niet laten inschrijven in de basisregistratie personen, hij heeft in de afgelopen zes maanden geen betalingen in het kader van zijn betalingsverplichting verricht en hij heeft ook geen betalingsregeling met het CJIB getroffen, of een poging daartoe gedaan. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het hiervoor geschetste verloop genoegzaam is gebleken dat veroordeelde niet volledig aan de hem opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan. Door veroordeelde is niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat moet worden geacht om op maandelijkse basis een reëel bedrag te betalen en daarmee aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Veroordeelde had op 1 februari 2023 namelijk de verwachting een voldoende inkomen te hebben en in staat te zijn een betalingsregeling te treffen met het CJIB, maar heeft daartoe geen actie ondernomen .” De rechtbank heeft vervolgens de vordering toegewezen en een machtiging verleend tot toepassing van gijzeling voor de duur van 540 dagen. Verzoeker zit sinds 10 mei 2025 gedetineerd uit hoofde van deze gijzeling. Verzoeker heeft inmiddels een bedrag van € 77.053,08 afgelost. Het openstaande bedrag bedraagt nog € 150.956,53. Procedure Het verzoek opheffing gijzeling is op 21 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. Het verzoek van verzoeker is op 15 december 2025 ter terechtzitting behandeld. Daarbij zijn gehoord de raadsman, mr. J.A. Schadd, verzoeker en de officier van justitie. Standpunt van het Openbaar Ministerie Ontvankelijkheid De officier van justitie acht verzoeker niet-ontvankelijk in diens verzoek, nu de rechter niet bevoegd is om een verzoek tot opheffing van gijzeling ter zake van een ontnemingsmaatregel in behandeling te nemen. Met de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet Herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB) is de mogelijkheid voor een veroordeelde om de rechter om opheffing van de gijzeling te verzoeken komen te vervallen. Artikel 6:6:25 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bepaalt uitdrukkelijk dat (uitsluitend) de Minister de gijzeling te allen tijde kan beëindigen. Hierbij is onder meer verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 september 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:14421