Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-03-24
ECLI:NL:RBMNE:2025:7130
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/6130-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2025 op het verzet van [oppossante] B.V., te [plaats] , opposante, (gemachtigde: mr. C.J.M. de Wit). en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Opposante heeft beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek om herbeoordeling van de heer J.B. Wezenbeek. In de uitspraak van 16 januari 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Opposante heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend. Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen Ten aanzien van het verzet 1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 16 januari 2024 het beroep van opposante gegrond verklaard. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. In deze verzetzaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst van het beroep was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van 16 januari 2024 niet juist was. 3. Opposante geeft aan het niet eens te zijn met de hoogte van de door de rechtbank toegekende proceskostenveroordeling. Opposante is van mening dat met toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a en bijlage C1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in verband met het lichte gewicht van de zaak een wegingsfactor van 0,5 toegepast had moeten worden, in plaats van de door de rechtbank toegepaste 0,25. Ter onderbouwing hiervan verwijst opposante naar de nota van de toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht en het genoemde belang van een zaak ten behoeve van het bepalen van het gewicht van een zaak . Opposante geeft daarbij aan dat toegekende WGA-uitkering van invloed was op de door opposante aan de belastingdienst te betalen gedifferentieerde premie Werkhervattingskas. Het gaat daarbij om een groot financieel belang. Daarnaast geeft opposante aan dat, voor zover het belang van opposante niet in geld uitgedrukt wordt, opposante wel een te respecteren belang heeft bij het indienen van beroep wegens niet tijdig beslissen op de door haar op 12 juni 2023 gedane aanvraag voor een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de heer Wezenbeek. Verder heeft opposante naar voren gebracht dat het instellen van het beroep niet tijdig niet ingewikkeld is, maar de te bewandelen rechtsgang na een alsnog genomen besluit wel, omdat verweerder in het alsnog genomen besluit vermeldt dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt Tot slot verwijst opposante naar verschillende uitspraken van andere rechtbanken waarin ze bij dit soort uitspraken 0,5 (licht gewicht) als wegingsfactor hanteren. Opposante geeft aan dat het standpunt van de rechtbank Midden-Nederland in zijn uitspraak van 4 september 2023 afwijkt van de standpunten die andere rechtbanken in de meeste uitspraken nemen. Opposante vindt dat deze afwijking zorgt voor rechtsongelijkheid. 4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet kennelijk (dus buiten redelijke twijfel) gegrond verklaard had mogen worden. Opposante heeft immers geen schriftelijke of mondelinge gelegenheid gekregen om zich uit te laten over, in dit specifieke geval, de lijn van deze rechtbank ten aanzien van beroepen niet tijdig en de daarbij te hanteren wegingsfactor bij het bepalen van de proceskostenveroordeling. Dit terwijl deze lijn veel discussie heeft opgeleverd en de rechtbank sinds enige tijd deze lijn heeft verlaten. Uit het oogpunt van rechtsbescherming zal de rechtbank daarom het verzet gegrond verklaren. 5. Nu het verzet zich enkel richt tegen de toepassing van artikel 8:75 van de Awb, bestaat er geen aanlei