Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-29
ECLI:NL:RBMNE:2025:7003
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,005 tokens
Dictum
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] ,
raadsman: mr. J.J.J. Zwaan.
hierna te noemen: verzoeker.
Procesverloop
Met het vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 24 februari 2025 (parketnummer 96-307002-24) is verzoeker veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn.
Verzoeker heeft op 18 december 2025 aan de voorzieningenrechter verzocht om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op te schorten.
De officier van justitie heeft op 24 december 2025 op het verzoek gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft ervan afgezien om verzoeker op een zitting te horen, omdat hij daarom niet heeft verzocht.
Standpunten van partijen
Verzoeker wijst erop dat hij bij de politie gesignaleerd staat om hen aan te houden voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Verzoeker heeft verschillende verslavingsstoornissen, die begin dit jaar tot de afgifte van een zorgmachtiging en een crisisplaatsing bij een verslavingsinstelling hebben geleid. De verslavingen waren zo ernstig dat hij regelmatig moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Hierdoor heeft verzoeker niet op tijd hoger beroep kunnen instellen. De zorgmachtiging loopt in februari 2026 af en verzoeker wenst dat de zorg dan wordt voortgezet met een forensisch kader van de strafrechter. Daarvoor is het nodig dat het gerechtshof hem in hoger beroep een voorwaardelijke straf oplegt met bijzondere voorwaarden. Dat is niet meer mogelijk als verzoeker dan de gevangenisstraf al heeft uitgezeten.
De officier van justitie wijst erop dat naar haar oordeel vaststaat dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dat zij zelf de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf niet kan opschorten. Verzoeker is inmiddels aangehouden en de tenuitvoerlegging is gestart. Tegen de achtergrond van de onderbouwing van het verzoek verzet de officier van justitie zich niet tegen opschorting van de tenuitvoerlegging.
Beoordeling
Als naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat iemand te laat was met het instellen van hoger beroep tegen een vonnis, wordt de tenuitvoerlegging van dat vonnis niet opgeschort. Op grond van artikel 6:1:16, vierde lid, aanhef en onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering kan de voorzieningenrechter op verzoek anders bepalen en de tenuitvoerlegging alsnog opschorten.
Het gerechtshof moet in hoger beroep oordelen over de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die niet aan verzoeker zijn toe te rekenen, waardoor het verontschuldigbaar is dat verzoeker te laat hoger beroep heeft ingesteld. De voorzieningenrechter ziet geen reden om op die beslissing vooruit te lopen en zal zich beperken tot een weging van de belangen die verzoeker en de officier van justitie hebben bij het al dan niet opschorten van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.
Verzoeker heeft zijn belang bij opschorting onderbouwd en de officier van justitie heeft geen bezwaren tegen opschorting. Bij deze stand van zaken weegt het belang van verzoeker zwaarder. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de tenuitvoerlegging opschorten. Dat betekent dat verzoeker het hoger beroep in vrijheid mag afwachten.
Dictum
De voorzieningenrechter schort op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 4 weken, waartoe verzoeker is veroordeeld bij vonnis 24 februari 2025, parketnummer 96-307002-24.
Deze beslissing is gegeven door mr. K. de Meulder, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.
Dictum
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] ,
raadsman: mr. J.J.J. Zwaan.
hierna te noemen: verzoeker.
Procesverloop
Met het vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 24 februari 2025 (parketnummer 96-307002-24) is verzoeker veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn.
Verzoeker heeft op 18 december 2025 aan de voorzieningenrechter verzocht om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op te schorten.
De officier van justitie heeft op 24 december 2025 op het verzoek gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft ervan afgezien om verzoeker op een zitting te horen, omdat hij daarom niet heeft verzocht.
Standpunten van partijen
Verzoeker wijst erop dat hij bij de politie gesignaleerd staat om hen aan te houden voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Verzoeker heeft verschillende verslavingsstoornissen, die begin dit jaar tot de afgifte van een zorgmachtiging en een crisisplaatsing bij een verslavingsinstelling hebben geleid. De verslavingen waren zo ernstig dat hij regelmatig moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Hierdoor heeft verzoeker niet op tijd hoger beroep kunnen instellen. De zorgmachtiging loopt in februari 2026 af en verzoeker wenst dat de zorg dan wordt voortgezet met een forensisch kader van de strafrechter. Daarvoor is het nodig dat het gerechtshof hem in hoger beroep een voorwaardelijke straf oplegt met bijzondere voorwaarden. Dat is niet meer mogelijk als verzoeker dan de gevangenisstraf al heeft uitgezeten.
De officier van justitie wijst erop dat naar haar oordeel vaststaat dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dat zij zelf de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf niet kan opschorten. Verzoeker is inmiddels aangehouden en de tenuitvoerlegging is gestart. Tegen de achtergrond van de onderbouwing van het verzoek verzet de officier van justitie zich niet tegen opschorting van de tenuitvoerlegging.
Beoordeling
Als naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat iemand te laat was met het instellen van hoger beroep tegen een vonnis, wordt de tenuitvoerlegging van dat vonnis niet opgeschort. Op grond van artikel 6:1:16, vierde lid, aanhef en onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering kan de voorzieningenrechter op verzoek anders bepalen en de tenuitvoerlegging alsnog opschorten.
Het gerechtshof moet in hoger beroep oordelen over de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die niet aan verzoeker zijn toe te rekenen, waardoor het verontschuldigbaar is dat verzoeker te laat hoger beroep heeft ingesteld. De voorzieningenrechter ziet geen reden om op die beslissing vooruit te lopen en zal zich beperken tot een weging van de belangen die verzoeker en de officier van justitie hebben bij het al dan niet opschorten van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.
Verzoeker heeft zijn belang bij opschorting onderbouwd en de officier van justitie heeft geen bezwaren tegen opschorting. Bij deze stand van zaken weegt het belang van verzoeker zwaarder. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de tenuitvoerlegging opschorten. Dat betekent dat verzoeker het hoger beroep in vrijheid mag afwachten.
Dictum
De voorzieningenrechter schort op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 4 weken, waartoe verzoeker is veroordeeld bij vonnis 24 februari 2025, parketnummer 96-307002-24.
Deze beslissing is gegeven door mr. K. de Meulder, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7003 text/xml public 2025-12-31T11:15:50 2025-12-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-29 25-032956 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7003 text/html public 2025-12-31T11:15:19 2025-12-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7003 Rechtbank Midden-Nederland , 29-12-2025 / 25-032956 Opschorting tenuitvoerlegging, art. 6:1:16 lid 4 Sv. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe op basis van een belangenafweging. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht raadkamernummer : 25-032956 datum : 29 december 2025 beslissing van de voorzieningenrechter op het verzoek op grond van artikel 6:1:16 van het Wetboek van Strafvordering van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] , raadsman: mr. J.J.J. Zwaan. hierna te noemen: verzoeker. Procesverloop Met het vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 24 februari 2025 (parketnummer 96-307002-24) is verzoeker veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn. Verzoeker heeft op 18 december 2025 aan de voorzieningenrechter verzocht om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op te schorten. De officier van justitie heeft op 24 december 2025 op het verzoek gereageerd. De voorzieningenrechter heeft ervan afgezien om verzoeker op een zitting te horen, omdat hij daarom niet heeft verzocht. Standpunten van partijen Verzoeker wijst erop dat hij bij de politie gesignaleerd staat om hen aan te houden voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Verzoeker heeft verschillende verslavingsstoornissen, die begin dit jaar tot de afgifte van een zorgmachtiging en een crisisplaatsing bij een verslavingsinstelling hebben geleid. De verslavingen waren zo ernstig dat hij regelmatig moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Hierdoor heeft verzoeker niet op tijd hoger beroep kunnen instellen. De zorgmachtiging loopt in februari 2026 af en verzoeker wenst dat de zorg dan wordt voortgezet met een forensisch kader van de strafrechter. Daarvoor is het nodig dat het gerechtshof hem in hoger beroep een voorwaardelijke straf oplegt met bijzondere voorwaarden. Dat is niet meer mogelijk als verzoeker dan de gevangenisstraf al heeft uitgezeten. De officier van justitie wijst erop dat naar haar oordeel vaststaat dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dat zij zelf de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf niet kan opschorten. Verzoeker is inmiddels aangehouden en de tenuitvoerlegging is gestart. Tegen de achtergrond van de onderbouwing van het verzoek verzet de officier van justitie zich niet tegen opschorting van de tenuitvoerlegging. Beoordeling door de voorzieningenrechter Als naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat iemand te laat was met het instellen van hoger beroep tegen een vonnis, wordt de tenuitvoerlegging van dat vonnis niet opgeschort. Op grond van artikel 6:1:16, vierde lid, aanhef en onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering kan de voorzieningenrechter op verzoek anders bepalen en de tenuitvoerlegging alsnog opschorten. Het gerechtshof moet in hoger beroep oordelen over de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die niet aan verzoeker zijn toe te rekenen, waardoor het verontschuldigbaar is dat verzoeker te laat hoger beroep heeft ingesteld. De voorzieningenrechter ziet geen reden om op die beslissing vooruit te lopen en zal zich beperken tot een weging van de belangen die verzoeker en de officier van justitie hebben bij het al dan niet opschorten van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Verzoeker heeft zijn belang bij opschorting onderbouwd en de officier van justitie heeft geen bezwaren tegen opschorting. Bij deze stand van zaken weegt het belang van verzoeker zwaarder. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de tenuitvoerlegging opschorten. Dat betekent dat verzoeker het hoger beroep in vrijheid mag afwachten. Beslissing De voorzieningenrechter schort op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 4 weken, waartoe verzoeker is veroordeeld bij vonnis 24 februari 2025, parketnummer 96-307002-24. Deze beslissing is gegeven door mr. K. de Meulder, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.