Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:6811
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 25/2332, UTR 25/2334 en UTR 25/2335 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. Tj.P. Grünbauer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen (het college) , verweerder. (gemachtigde: mr. drs. N.A. Krijgsman). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunningen terecht zijn geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 11 december 2023 drie aanvragen ingediend om op het perceel [adres] in [plaats] een woning met bijgebouw (UTR 25/2332), 10 Air B&B’s (recreatieve nachtverblijven) en een toiletgebouw (UTR 25/2334) en een restaurant (UTR 25/2335) te realiseren. 2.1. Het college heeft de besluiten op de aanvragen voorbereid met de uitgebreide procedure zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. 2.2. Het college heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 26 februari 2025 afgewezen vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft de beroepen op 2 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en [A] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader en standpunten van partijen 3. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvragen om de omgevingsvergunningen zijn ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. 3.1. Eiser heeft drie aanvragen ingediend voor de activiteit bouwen. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Op grond van onderdeel c van hetzelfde artikel is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 3.2. Op 23 november 2011 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" in Abcoude. De ABRvS heeft in deze uitspraak onder meer plandelen met de bestemming "Agrarisch" en deels de dubbelbestemming "Waarde- Schootvelden" voor zover dat is toegekend aan het perceel van eiser aan de [locatie] vernietigd. Het beroep van eiser voor zover dat zag op het perceel [adres] is door de ABRvS ongegrond verklaard. De uitspraak is echter niet goed verwerkt in het digitaal te raadplegen bestemmingsplan op de website ruimtelijkeplannen.nl, waardoor de vernietiging voor het perceel [locatie] ten onrechte op het perceel [adres] is gelegd. Deze fout is sindsdien niet hersteld. Tussen partijen is niet in geschil dat dit tot gevolg heeft dat op de locatie [adres] sprake is van een planologische ‘‘witte vlek’’. Tussen partijen is ook niet in geschil dat op deze locatie geen bestemmingsplan van toepassing is. 3.3. In het kader van de beoordeling van het toetsingskader is van belang dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat artikel 2.1, onder c, van de Wabo van toepassing is en dat de bouwp Daarbij is van belang dat onder paragraaf 1.1 in Bijlage 14 Cultuurhistorie is vermeld dat de uitzonderlijke universele waarde van het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies, bestaande uit de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, is gelegen in het uitgebreide en ingenieuze systeem van militaire verdediging door inundatie. Naar het oordeel van de rechtbank duidt deze tekst op het gehele gebied. De Stelling van Amsterdam betreft een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam, terwijl de Nieuwe Hollandse Waterlinie zich sterker voegt naar eigenschappen en elementen van het aanwezige landschap. Ook hieruit leidt de rechtbank af dat dit betrekking heeft op het gehele gebied. De hoofdkenmerken van de Hollandse Waterlinies zijn het strategisch landschap, het watermanagement en de militaire werken. Naast deze tekst van de belangrijkste te onderscheiden componenten van uitzonderlijke universele waarde van de (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies, is in de digitaal te raadplegen IOV bij artikel 10.6f een kaart beschikbaar waarop het gehele gebied is gearceerd als vallende onder dit gebied. Dit tezamen genomen maakt dat de rechtbank met het college van oordeel is dat artikel 10.6f van de IVO van toepassing is op het gehele gebied en niet slechts op de schootsvelden. Naar het oordeel van de rechtbank sluit dit ook aan bij de componenten van de uitzonderlijke universele waarde: de grote openheid, het groene en overwegend rustige karakter ten aanzien van de Nieuwe Hollandse Waterlinies en de relatief grote openheid en de groene en relatief stille ring rond Amsterdam ten aanzien van de Stelling van Amsterdam. De voorbeschermingsregel is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende concreet geformuleerd zodat deze regel directe werking heeft. 3.13. De rechtbank overweegt dat van deze voorbeschermingsregel alleen kan worden afgeweken als de provincie Utrecht hiervoor een ontheffing verleend. In de zienswijzenota heeft het college, onder verwijzing naar eerdere stukken van de provincie Utrecht, de visie van de provincie hierover samengevat. De provincie Utrecht heeft in het kader van een ontwerpbestemmingsplan aangegeven dat zij de al aanwezige kuilvoerplaten een schending van de schootsvelden van het Fort bij Nigtevecht vindt. In de zienswijzenota is in reactie op deze visie aangegeven dat de onderhavige plannen van eiser een nog grotere inbreuk hebben op het open landschap doordat de zichtlijnen tussen het Fort bij Nigtevecht en Het Gein worden ingeperkt. De kuilvoerplaten tasten het bestaande slotenpatroon aan omdat de kuilvoerplaten dwars over de sloten heen liggen. Het beoogde toiletgebouw bij de tien nachtverblijven, het restaurant en de nieuw te bouwen woning zijn in de plannen geprojecteerd in de directe lijn tussen het Fort bij Nigtevecht en Het Gein. De kuilvoerplaten verstoren het karakteristieke slotenpatroon en de verkaveling. Dit maakt dat ook de beoogde bebouwing niet passend is in het landschap en de openheid van het landschap aantasten. Daarbij is ook gewezen op het feit dat uit de kaarten van de IOV blijkt dat de beschermingszone doorloopt tot Het Gein, inclusief de bebouwing en de weg. De zichtlijnen vanaf de weg naar het Fort bij Nigtevecht worden met de beoogde bebouwing ook aangetast. Het college heeft deze toelichting van de provincie meegenomen in de zienswijzenota, en daarnaar verwezen in het verweerschrift en tijdens de zitting. Het college heeft deze overwegingen van de provincie mede ten grondslag gelegd aan de afwijzing van de aangevraagde omgevingsvergunningen. 3.14. Gelet op het voorgaande zijn naar het oordeel van de rechtbank de omgevingsvergunningen terecht geweigerd. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 4. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtb