Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-09-29
ECLI:NL:RBMNE:2025:6807
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2729 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] (Turkije), eiser (gemachtigde: mr. E.B. Doganer) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder (gemachtigde: N. Schoonhoven-Zuidema) Inleiding 1.1 Eiser heeft van 1 februari 2018 tot en met 31 januari 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. 1.2 Eiser heeft zich op 23 april 2021 bij het Uwv ziekgemeld per 12 november 2020. Met het besluit van 6 april 2023 heeft het Uwv aan eiser meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) wordt beëindigd per 9 november 2022, wegens het bereiken van de maximale duur van 104 weken. 1.3 Eiser heeft op 2 februari 2022 bij het Uwv een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Met het besluit van 1 september 2023 heeft het Uwv eiser meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat hij op de eerste ziektedag, 12 november 2020, niet verzekerd was voor de Wet WIA. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is door het Uwv in de beslissing op bezwaar van 23 februari 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. 1.4 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 17 mei 2024 en 9 augustus 2024 aanvullende gronden ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 20 augustus 2024. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk, M. Bozalslan. Voor het Uwv was zijn gemachtigde aanwezig. Naar aanleiding van het verhandelde op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Dit om eiser in de gelegenheid te stellen om de rechtbank binnen twee weken te berichten of zijn voormalig werkgever, [persoon1] , bereid is in deze beroepszaak onder ede te getuigen, en om aanvullende stukken over te leggen waaruit blijkt van uitbetaling van de ZW-uitkering of correspondentie met de Sociale Dienst over aanvulling van zijn inkomsten uit arbeid tot bijstandsniveau. 1.6 Op 6 september 2024 heeft eiseres bericht dat hij zijn voormalig werkgever indirect heeft kunnen bereiken en heeft uitgelegd dat het nodig is dat hij verklaart dat eiser bij hem in dienst is geweest en heeft gewerkt in bedoeld periode. De voormalig werkgever heeft echter aangegeven niet te willen verklaren en dat hij nog met vakantie is in Turkije en om die reden sowieso niet zou kunnen komen. Eiseres heeft in verband daarmee de rechtbank verzocht om de voormalig werkgever formeel voor een getuigenverhoor op te roepen. 1.7 Op 24 oktober 2024 heeft eiser een aantal nadere stukken ingediend. 1.8 De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 18 juni 2025 voortgezet. Op de zitting zijn als getuigen gehoord: [persoon1] en [persoon2] . Daarbij waren aanwezig: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het Uwv en een tolk, I. Kilinc. Eiser heeft op 21 juli 2025 van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt om naar aanleiding van de verklaringen van beide getuigen een nadere zienswijze te geven. Het Uwv heeft daarop met de brief van 1 augustus 2025 gereageerd. 1.9 De rechtbank heeft vervolgens, met instemming van partijen, zonder nadere zitting het onderzoek gesloten. Het geschil 2. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of het Uwv terecht stelt dat eiser niet verzekerd is voor de Wet WIA. De rechtbank beoordeelt deze vraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Standpunten van partijen 3. Volgens het Uwv is eiser niet verzekerd voor de Wet WIA, omdat op eisers eerste ziektedag er geen dienstverband was – noch sprake was van nawerking – of recht bestond op een WWuitkering. Het Uwv licht in het verweerschrift toe dat eiser vanaf 27 december 2019 tot op de dag van zijn ziekmelding recht had op een uitkering op grond van de Participatiewet, maar dat dit geen verzekeringsgrond Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door eiser overgelegde stukken of uit de verklaringen van de gehoorde getuigen evenmin dat eiser op 12 november 2020 een dienstbetrekking had. De rechtbank licht dat hierna toe. De arbeidsovereenkomst en de brief van de voormalig werkgever 10.1 In het dossier zit een door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst (nul uren contract) voor bepaalde tijd van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020. Bovenaan de overeenkomst staat: “ De ondergetekenden: 1. [eiser] , […..] hierna te noemen: “Werknemer” Hierna gezamenlijk te noemen ‘Partijen’.” De werkgever wordt hier niet vermeld als partij. Onderaan de arbeidsovereenkomst staan de naam van eiser en de naam [persoon1] met handtekeningen. [persoon1] heeft tijdens zijn verhoor van 18 juni 2025 verklaard dat de handtekening bij zijn naam niet zijn handtekening is. Hij heeft zijn identiteitsbewijs getoond, waarop een andere handtekening dan onder de arbeidsovereenkomst staat. Zijn broer, [persoon2] , heeft tijdens zijn verhoor van 18 juni 2025 eveneens verklaard dat de handtekening niet de zijne is en als bewijs daarvan zijn identiteitsbewijs getoond met een andere handtekening. 10.2. In het dossier zit ook een door het Uwv overgelegde niet ondertekende oproepovereenkomst (nulurencontract) tussen [bedrijf] en eiser voor de periode van 1 oktober 2018 tot en met 30 september 2019. [bedrijf] is een handelsnaam van [persoon3] . Het Uwv heeft deze overeenkomst gekregen van de boekhouder van de voormalige werkgever. Deze overeenkomst ziet er anders uit dan de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst. 10.3 Over de door eiser overgelegde brief van zijn voormalig werkgever [persoon1] van 22 maart 2021 heeft [persoon1] tijdens zijn verhoor verklaard de brief niet te herkennen en dat de handtekening die eronder staat, niet zijn handtekening is. 10.4 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat, voor zover al niet sprake is van een valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomst en brief, daaruit niet blijkt tot wanneer eiser daadwerkelijk heeft gewerkt en loon heeft ontvangen. De verklaring van [persoon5] 11. In de door eiser overgelegde schriftelijke verklaring van [persoon5] staat dat eiser rond half 2019 tot de corona-uitbraak in [persoon3] heeft gewerkt. Aangezien de eerste coronamaatregelen per 16 maart 2020 werden ingevoerd, blijkt uit deze verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser op 20 november 2020 nog bij [persoon3] werkte. De foto en pinbetaling bij [persoon3] 12. Eiser heeft een foto van zichzelf overgelegd, die volgens hem in 2020 tijdens het werken bij [persoon3] is genomen. De rechtbank kan dit echter op geen enkele wijze uit de foto opmaken. De op 12 november 2020 gedane pinbetaling bij [persoon3] is volgens eiser gedaan tijdens zijn pauze, maar ook daarvoor ontbreekt elk nader bewijs. De bankafschriften 13. Eiser heeft bankafschriften over de periode van 4 oktober 2019 tot en met 26 oktober 2020 overgelegd. De rechtbank stelt vast dat daaruit blijkt dat eiser in de periode van 4 oktober 2019 tot 30 januari 2020 een WW-uitkering en loon van [persoon3] heeft ontvangen. Vanaf 7 februari 2020 is in de bankafschriften alleen nog sprake van een bijstandsuitkering van de gemeente Amsterdam. Aangezien eiser geen bankafschriften van rondom 20 november 2020 heeft overgelegd, zijn deze geen bewijs van het hebben van een dienstverband op 20 november 2020. De specificaties van de Dienst werk en inkomen 14. Eiser heeft specificaties van de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam overgelegd die betrekking op de periode van februari tot en met juni 2020. De rechtbank stelt vast dat eiser geen specificaties heeft overgelegd die betrekking hebben op de periode rondom 12 november 2020. Uit deze specificaties volgt dus niet dat eiser, naast zijn bijstandsuitkering, op 12 november 2020 ook nog loon uit werk bij [persoon3] ontving. De getuigenverklaringen 15.1 [persoon1] heeft verklaard dat eiser bij hem heeft gewerkt toen