Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:6698
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,215 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6408
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], verweerder,
(gemachtigde: M. Boerlage).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over vraag of eiseres recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten na een gegrond bezwaarschrift voor de werkzaamheden die zijn verricht door haar gemachtigde. Volgens de heffingsambtenaar kan de gemachtigde van eiseres niet aangemerkt worden als iemand die beroepsmatig rechtsbijstand verleend in WOZ-zaken. Daarom is geen proceskostenvergoeding toegekend. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe beroepsgronden aan, die de rechtbank beoordeelt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft via haar gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de aanslag van 28 februari 2023. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 29 april 2024 het bezwaar gegrond verklaard, de WOZ-waarde van het object aan de [adres] in [plaats] (de woning) verlaagd en de aanslag dienovereenkomstig verminderd. Met een aanvullende uitspraak op bezwaar die is verzonden op 1 september 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het verzoek om een vergoeding van de proceskosten afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft gereageerd op het verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Geschil
3. Tussen partijen is de waarde van de woning zoals de heffingsambtenaar die op de voet van artikel 17 van de Wet WOZ heeft bepaald niet in geschil. Wel is in geschil of eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding nadat haar bezwaarschrift gegrond is verklaard.
Toetsingskader
4. Artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt dat een vergoeding van de (bezwaar)kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens de Nota van toelichting is sprake van ‘beroepsmatig verleende bijstand’ als het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde behoort. Voor het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand is van belang dat deze werkzaamheid een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Dat betekent dat de rechtsbijstand meer dan incidenteel moet zijn verricht. De aard en omvang van de werkzaamheden is daarbij doorslaggevend.
Beoordeling
5. Eiseres voert aan dat dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 oktober 2022 wel een proceskostenvergoeding heeft toegekend in een andere procedure. Die zaak betrof eveneens een geschil over de WOZ-waarde en de procedure werd gevoerd door dezelfde gemachtigde als de gemachtigde van eiseres. Eiseres voert aan dat haar gemachtigde 16 klanten had in 2024 en zich voornamelijk bezig hield met civielrechtelijke onderwerpen naast fiscale onderwerpen.5.1 De heffingsambtenaar voert aan dat de gemachtigde twee WOZ-procedures heeft gevoerd voor zijn buren. Deze taak is van te geringe omvang om te kunnen spreken van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. De aangehaalde procedure betrof een compromis dat ter zitting is gesloten en geen gerechtelijke uitspraak.
5.2
De rechtbank oordeelt dat in dit geval het verlenen van rechtsbijstand in WOZ-zaken door de gemachtigde van eiseres geen beroepsmatige bezigheid is. Er is geen sprake van een situatie dat deze werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte, taakuitoefening. Uit de uitspraak op bezwaar volgt namelijk dat de gemachtigde van eiseres in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd staat als eenmanszaak, handelend onder de namen: “ [bedrijf 1] ” en “ [bedrijf 2] ”. De activiteiten bestaan uit het adviseren van ondernemers in product- ontwikkeling, financiering en contracten; Beeldend kunstenaar. Eiseres heeft vorenstaande niet betwist. De enkele stelling van de gemachtigde dat hij in 2024 16 klanten had, dat hij zich voornamelijk bezig hield met civielrechtelijke onderwerpen, zoals het arbeidsrecht, aandelenoverdracht, geldleningen, onroerend goed, huurrecht en huwelijkse voorwaarden, naast fiscale onderwerpen (IB, BTW en Successiewet) en dat hij procedures zo veel mogelijk probeert te vermijden is onvoldoende ter onderbouwing van het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Dat bij het gerechtshof in een andere procedure bij wijze van compromis tijdens de zitting afspraken zijn gemaakt met de heffingsambtenaar over een proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand doet aan het voorgaande niets af. De door de gemachtigde gegeven weergave van wat bij het gerechtshof zou zijn besproken, blijkt nergens uit. De rechtbank ziet het voeren van deze procedure daarom veeleer als persoonlijke dienstverlening, waarvoor de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de heffingsambtenaar aan eiseres terecht geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Eiseres krijgt geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten in beroep.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr.R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Stb. 1993, 763, p.6.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3310 en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3161.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 februari 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN7467.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6408
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], verweerder,
(gemachtigde: M. Boerlage).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over vraag of eiseres recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten na een gegrond bezwaarschrift voor de werkzaamheden die zijn verricht door haar gemachtigde. Volgens de heffingsambtenaar kan de gemachtigde van eiseres niet aangemerkt worden als iemand die beroepsmatig rechtsbijstand verleend in WOZ-zaken. Daarom is geen proceskostenvergoeding toegekend. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe beroepsgronden aan, die de rechtbank beoordeelt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft via haar gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de aanslag van 28 februari 2023. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 29 april 2024 het bezwaar gegrond verklaard, de WOZ-waarde van het object aan de [adres] in [plaats] (de woning) verlaagd en de aanslag dienovereenkomstig verminderd. Met een aanvullende uitspraak op bezwaar die is verzonden op 1 september 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het verzoek om een vergoeding van de proceskosten afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft gereageerd op het verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Geschil
3. Tussen partijen is de waarde van de woning zoals de heffingsambtenaar die op de voet van artikel 17 van de Wet WOZ heeft bepaald niet in geschil. Wel is in geschil of eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding nadat haar bezwaarschrift gegrond is verklaard.
Toetsingskader
4. Artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt dat een vergoeding van de (bezwaar)kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens de Nota van toelichting is sprake van ‘beroepsmatig verleende bijstand’ als het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde behoort. Voor het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand is van belang dat deze werkzaamheid een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Dat betekent dat de rechtsbijstand meer dan incidenteel moet zijn verricht. De aard en omvang van de werkzaamheden is daarbij doorslaggevend.
Beoordeling
5. Eiseres voert aan dat dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 oktober 2022 wel een proceskostenvergoeding heeft toegekend in een andere procedure. Die zaak betrof eveneens een geschil over de WOZ-waarde en de procedure werd gevoerd door dezelfde gemachtigde als de gemachtigde van eiseres. Eiseres voert aan dat haar gemachtigde 16 klanten had in 2024 en zich voornamelijk bezig hield met civielrechtelijke onderwerpen naast fiscale onderwerpen.5.1 De heffingsambtenaar voert aan dat de gemachtigde twee WOZ-procedures heeft gevoerd voor zijn buren. Deze taak is van te geringe omvang om te kunnen spreken van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. De aangehaalde procedure betrof een compromis dat ter zitting is gesloten en geen gerechtelijke uitspraak.
5.2
De rechtbank oordeelt dat in dit geval het verlenen van rechtsbijstand in WOZ-zaken door de gemachtigde van eiseres geen beroepsmatige bezigheid is. Er is geen sprake van een situatie dat deze werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte, taakuitoefening. Uit de uitspraak op bezwaar volgt namelijk dat de gemachtigde van eiseres in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd staat als eenmanszaak, handelend onder de namen: “ [bedrijf 1] ” en “ [bedrijf 2] ”. De activiteiten bestaan uit het adviseren van ondernemers in product- ontwikkeling, financiering en contracten; Beeldend kunstenaar. Eiseres heeft vorenstaande niet betwist. De enkele stelling van de gemachtigde dat hij in 2024 16 klanten had, dat hij zich voornamelijk bezig hield met civielrechtelijke onderwerpen, zoals het arbeidsrecht, aandelenoverdracht, geldleningen, onroerend goed, huurrecht en huwelijkse voorwaarden, naast fiscale onderwerpen (IB, BTW en Successiewet) en dat hij procedures zo veel mogelijk probeert te vermijden is onvoldoende ter onderbouwing van het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Dat bij het gerechtshof in een andere procedure bij wijze van compromis tijdens de zitting afspraken zijn gemaakt met de heffingsambtenaar over een proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand doet aan het voorgaande niets af. De door de gemachtigde gegeven weergave van wat bij het gerechtshof zou zijn besproken, blijkt nergens uit. De rechtbank ziet het voeren van deze procedure daarom veeleer als persoonlijke dienstverlening, waarvoor de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de heffingsambtenaar aan eiseres terecht geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Eiseres krijgt geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten in beroep.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr.R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Stb. 1993, 763, p.6.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3310 en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3161.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 februari 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN7467.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:6698 text/xml public 2026-02-27T11:23:32 2025-12-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-15 UTR 24/6408 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl NLF 2026/0031 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:6698 text/html public 2025-12-24T09:42:18 2025-12-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:6698 Rechtbank Midden-Nederland , 15-10-2025 / UTR 24/6408 Deze uitspraak gaat over vraag of eiseres recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten na een gegrond bezwaarschrift voor de werkzaamheden die zijn verricht door haar gemachtigde. Volgens de heffingsambtenaar kan de gemachtigde van eiseres niet aangemerkt worden als iemand die beroepsmatig rechtsbijstand verleend in WOZ-zaken. Daarom is geen proceskostenvergoeding toegekend. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/6408 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente] , verweerder, (gemachtigde: M. Boerlage). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over vraag of eiseres recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten na een gegrond bezwaarschrift voor de werkzaamheden die zijn verricht door haar gemachtigde. Volgens de heffingsambtenaar kan de gemachtigde van eiseres niet aangemerkt worden als iemand die beroepsmatig rechtsbijstand verleend in WOZ-zaken. Daarom is geen proceskostenvergoeding toegekend. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe beroepsgronden aan, die de rechtbank beoordeelt. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft via haar gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de aanslag van 28 februari 2023. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 29 april 2024 het bezwaar gegrond verklaard, de WOZ-waarde van het object aan de [adres] in [plaats] (de woning) verlaagd en de aanslag dienovereenkomstig verminderd. Met een aanvullende uitspraak op bezwaar die is verzonden op 1 september 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het verzoek om een vergoeding van de proceskosten afgewezen. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft gereageerd op het verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Het geschil 3. Tussen partijen is de waarde van de woning zoals de heffingsambtenaar die op de voet van artikel 17 van de Wet WOZ heeft bepaald niet in geschil. Wel is in geschil of eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding nadat haar bezwaarschrift gegrond is verklaard. Toetsingskader 4. Artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt dat een vergoeding van de (bezwaar)kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens de Nota van toelichting is sprake van ‘beroepsmatig verleende bijstand’ als het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde behoort. Voor het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand is van belang dat deze werkzaamheid een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Dat betekent dat de rechtsbijstand meer dan incidenteel moet zijn verricht. De aard en omvang van de werkzaamheden is daarbij doorslaggevend. Beoordeling van de beroepsgrond van eiseres. 5. Eiseres voert aan dat dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 oktober 2022 wel een proceskostenvergoeding heeft toegekend in een andere procedure. Die zaak betrof eveneens een geschil over de WOZ-waarde en de procedure werd gevoerd door dezelfde gemachtigde als de gemachtigde van eiseres. Eiseres voert aan dat haar gemachtigde 16 klanten had in 2024 en zich voornamelijk bezig hield met civielrechtelijke onderwerpen naast fiscale onderwerpen. 5.1 De heffingsambtenaar voert aan dat de gemachtigde twee WOZ-procedures heeft gevoerd voor zijn buren. Deze taak is van te geringe omvang om te kunnen spreken van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. De aangehaalde procedure betrof een compromis dat ter zitting is gesloten en geen gerechtelijke uitspraak. 5.2 De rechtbank oordeelt dat in dit geval het verlenen van rechtsbijstand in WOZ-zaken door de gemachtigde van eiseres geen beroepsmatige bezigheid is. Er is geen sprake van een situatie dat deze werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte, taakuitoefening. Uit de uitspraak op bezwaar volgt namelijk dat de gemachtigde van eiseres in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd staat als eenmanszaak, handelend onder de namen: “ [bedrijf 1] ” en “ [bedrijf 2] ”. De activiteiten bestaan uit het adviseren van ondernemers in product- ontwikkeling, financiering en contracten; Beeldend kunstenaar. Eiseres heeft vorenstaande niet betwist. De enkele stelling van de gemachtigde dat hij in 2024 16 klanten had, dat hij zich voornamelijk bezig hield met civielrechtelijke onderwerpen, zoals het arbeidsrecht, aandelenoverdracht, geldleningen, onroerend goed, huurrecht en huwelijkse voorwaarden, naast fiscale onderwerpen (IB, BTW en Successiewet) en dat hij procedures zo veel mogelijk probeert te vermijden is onvoldoende ter onderbouwing van het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Dat bij het gerechtshof in een andere procedure bij wijze van compromis tijdens de zitting afspraken zijn gemaakt met de heffingsambtenaar over een proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand doet aan het voorgaande niets af. De door de gemachtigde gegeven weergave van wat bij het gerechtshof zou zijn besproken, blijkt nergens uit. De rechtbank ziet het voeren van deze procedure daarom veeleer als persoonlijke dienstverlening, waarvoor de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de heffingsambtenaar aan eiseres terecht geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Eiseres krijgt geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten in beroep. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr.R. van Manen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6408
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], verweerder,
(gemachtigde: M. Boerlage).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over vraag of eiseres recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten na een gegrond bezwaarschrift voor de werkzaamheden die zijn verricht door haar gemachtigde. Volgens de heffingsambtenaar kan de gemachtigde van eiseres niet aangemerkt worden als iemand die beroepsmatig rechtsbijstand verleend in WOZ-zaken. Daarom is geen proceskostenvergoeding toegekend. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe beroepsgronden aan, die de rechtbank beoordeelt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft via haar gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de aanslag van 28 februari 2023. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 29 april 2024 het bezwaar gegrond verklaard, de WOZ-waarde van het object aan de [adres] in [plaats] (de woning) verlaagd en de aanslag dienovereenkomstig verminderd. Met een aanvullende uitspraak op bezwaar die is verzonden op 1 september 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het verzoek om een vergoeding van de proceskosten afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft gereageerd op het verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Geschil
3. Tussen partijen is de waarde van de woning zoals de heffingsambtenaar die op de voet van artikel 17 van de Wet WOZ heeft bepaald niet in geschil. Wel is in geschil of eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding nadat haar bezwaarschrift gegrond is verklaard.
Toetsingskader
4. Artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt dat een vergoeding van de (bezwaar)kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens de Nota van toelichting is sprake van ‘beroepsmatig verleende bijstand’ als het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde behoort. Voor het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand is van belang dat deze werkzaamheid een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Dat betekent dat de rechtsbijstand meer dan incidenteel moet zijn verricht. De aard en omvang van de werkzaamheden is daarbij doorslaggevend.
Beoordeling
5. Eiseres voert aan dat dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 oktober 2022 wel een proceskostenvergoeding heeft toegekend in een andere procedure. Die zaak betrof eveneens een geschil over de WOZ-waarde en de procedure werd gevoerd door dezelfde gemachtigde als de gemachtigde van eiseres. Eiseres voert aan dat haar gemachtigde 16 klanten had in 2024 en zich voornamelijk bezig hield met civielrechtelijke onderwerpen naast fiscale onderwerpen.5.1 De heffingsambtenaar voert aan dat de gemachtigde twee WOZ-procedures heeft gevoerd voor zijn buren. Deze taak is van te geringe omvang om te kunnen spreken van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. De aangehaalde procedure betrof een compromis dat ter zitting is gesloten en geen gerechtelijke uitspraak.
5.2
De rechtbank oordeelt dat in dit geval het verlenen van rechtsbijstand in WOZ-zaken door de gemachtigde van eiseres geen beroepsmatige bezigheid is. Er is geen sprake van een situatie dat deze werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte, taakuitoefening. Uit de uitspraak op bezwaar volgt namelijk dat de gemachtigde van eiseres in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd staat als eenmanszaak, handelend onder de namen: “ [bedrijf 1] ” en “ [bedrijf 2] ”. De activiteiten bestaan uit het adviseren van ondernemers in product- ontwikkeling, financiering en contracten; Beeldend kunstenaar. Eiseres heeft vorenstaande niet betwist. De enkele stelling van de gemachtigde dat hij in 2024 16 klanten had, dat hij zich voornamelijk bezig hield met civielrechtelijke onderwerpen, zoals het arbeidsrecht, aandelenoverdracht, geldleningen, onroerend goed, huurrecht en huwelijkse voorwaarden, naast fiscale onderwerpen (IB, BTW en Successiewet) en dat hij procedures zo veel mogelijk probeert te vermijden is onvoldoende ter onderbouwing van het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Dat bij het gerechtshof in een andere procedure bij wijze van compromis tijdens de zitting afspraken zijn gemaakt met de heffingsambtenaar over een proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand doet aan het voorgaande niets af. De door de gemachtigde gegeven weergave van wat bij het gerechtshof zou zijn besproken, blijkt nergens uit. De rechtbank ziet het voeren van deze procedure daarom veeleer als persoonlijke dienstverlening, waarvoor de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de heffingsambtenaar aan eiseres terecht geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Eiseres krijgt geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten in beroep.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr.R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Stb. 1993, 763, p.6.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3310 en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3161.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 februari 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN7467.