Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-09
ECLI:NL:RBMNE:2025:659
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,768 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5222
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: B.J.M. de Leest)
en
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv),
verweerder
(gemachtigde: J.H. Swart).
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de herziening en terugvordering van teveel betaalde toeslag aan verzoekster. Het gaat daarbij om een bedrag van € 1.855,95 over de periode 6 september 2022 tot en met 4 december 2022. Dit staat in het besluit van 27 maart 2023.
2. Verzoekster heeft op 15 juni 2022 een toeslag op haar doorbetaalde loon tijdens ziekte aangevraagd. Het Uwv heeft echter bij de toekenning van deze toeslag per abuis geen rekening gehouden met de loondoorbetaling. Bij de toekenningsbeslissing van 9 november 2022 is de hoogte van de toeslag hierdoor vastgesteld op het Ziektewet-dagloon, € 37,21 per dag.
3. Met het besluit van 16 maart 2023 heeft het Uwv aan verzoekster laten weten dat haar toeslag vanaf 1 oktober 2022 wordt herzien naar € 9,94 bruto per dag. Met het besluit van 27 maart 2023 heeft het Uwv aan verzoekster meegedeeld dat zij over de periode van 6 september 2022 tot en met 4 december 2022 een brutobedrag van € 1.855,95 moet terugbetalen.
4. Verzoekster is het daar niet mee eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar van 8 september 2023 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het Uwv. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van de afhandeling van het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht om het herzieningsverzoek met betrekking tot haar aanvullende bijstandsuitkering af te wijzen.
6. Op 15 oktober 2024 heeft het Uwv laten weten het bezwaar van verzoekster tegen de beslissing van 8 september 2023 alsnog gegrond te verklaren en van de terugvordering af te zien.
7. Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Uwv heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten van verzoekster.
8. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
Kosten voor rechtsbijstand
9. Verzoekster verzoekt om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verzoekster heeft in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De beoordeling van de gevraagde proceskosten beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
10. De rechtbank veroordeeld het Uwv in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- ( 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het aanwezig zijn bij de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
11. Het Uwv moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Om dit geval gaat het om een bedrag van € 50,-.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten. Het Uwv moet dit betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5222
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: B.J.M. de Leest)
en
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv),
verweerder
(gemachtigde: J.H. Swart).
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de herziening en terugvordering van teveel betaalde toeslag aan verzoekster. Het gaat daarbij om een bedrag van € 1.855,95 over de periode 6 september 2022 tot en met 4 december 2022. Dit staat in het besluit van 27 maart 2023.
2. Verzoekster heeft op 15 juni 2022 een toeslag op haar doorbetaalde loon tijdens ziekte aangevraagd. Het Uwv heeft echter bij de toekenning van deze toeslag per abuis geen rekening gehouden met de loondoorbetaling. Bij de toekenningsbeslissing van 9 november 2022 is de hoogte van de toeslag hierdoor vastgesteld op het Ziektewet-dagloon, € 37,21 per dag.
3. Met het besluit van 16 maart 2023 heeft het Uwv aan verzoekster laten weten dat haar toeslag vanaf 1 oktober 2022 wordt herzien naar € 9,94 bruto per dag. Met het besluit van 27 maart 2023 heeft het Uwv aan verzoekster meegedeeld dat zij over de periode van 6 september 2022 tot en met 4 december 2022 een brutobedrag van € 1.855,95 moet terugbetalen.
4. Verzoekster is het daar niet mee eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar van 8 september 2023 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het Uwv. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van de afhandeling van het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht om het herzieningsverzoek met betrekking tot haar aanvullende bijstandsuitkering af te wijzen.
6. Op 15 oktober 2024 heeft het Uwv laten weten het bezwaar van verzoekster tegen de beslissing van 8 september 2023 alsnog gegrond te verklaren en van de terugvordering af te zien.
7. Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Uwv heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten van verzoekster.
8. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
Kosten voor rechtsbijstand
9. Verzoekster verzoekt om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verzoekster heeft in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De beoordeling van de gevraagde proceskosten beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
10. De rechtbank veroordeeld het Uwv in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- ( 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het aanwezig zijn bij de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
11. Het Uwv moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Om dit geval gaat het om een bedrag van € 50,-.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten. Het Uwv moet dit betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5222
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: B.J.M. de Leest)
en
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv),
verweerder
(gemachtigde: J.H. Swart).
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de herziening en terugvordering van teveel betaalde toeslag aan verzoekster. Het gaat daarbij om een bedrag van € 1.855,95 over de periode 6 september 2022 tot en met 4 december 2022. Dit staat in het besluit van 27 maart 2023.
2. Verzoekster heeft op 15 juni 2022 een toeslag op haar doorbetaalde loon tijdens ziekte aangevraagd. Het Uwv heeft echter bij de toekenning van deze toeslag per abuis geen rekening gehouden met de loondoorbetaling. Bij de toekenningsbeslissing van 9 november 2022 is de hoogte van de toeslag hierdoor vastgesteld op het Ziektewet-dagloon, € 37,21 per dag.
3. Met het besluit van 16 maart 2023 heeft het Uwv aan verzoekster laten weten dat haar toeslag vanaf 1 oktober 2022 wordt herzien naar € 9,94 bruto per dag. Met het besluit van 27 maart 2023 heeft het Uwv aan verzoekster meegedeeld dat zij over de periode van 6 september 2022 tot en met 4 december 2022 een brutobedrag van € 1.855,95 moet terugbetalen.
4. Verzoekster is het daar niet mee eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar van 8 september 2023 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het Uwv. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van de afhandeling van het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht om het herzieningsverzoek met betrekking tot haar aanvullende bijstandsuitkering af te wijzen.
6. Op 15 oktober 2024 heeft het Uwv laten weten het bezwaar van verzoekster tegen de beslissing van 8 september 2023 alsnog gegrond te verklaren en van de terugvordering af te zien.
7. Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Uwv heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten van verzoekster.
8. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
Kosten voor rechtsbijstand
9. Verzoekster verzoekt om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verzoekster heeft in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De beoordeling van de gevraagde proceskosten beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
10. De rechtbank veroordeeld het Uwv in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- ( 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het aanwezig zijn bij de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
11. Het Uwv moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Om dit geval gaat het om een bedrag van € 50,-.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten. Het Uwv moet dit betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht.