Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-08-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:6173
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/457 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2025 in de zaak tussen Stichting Al Amana Scholen, uit Zeist, eiseres (gemachtigde: mr. A. Yandere), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal (gemachtigden: J.C. Broekhuis, H.B.C. ter Elst en N.R. Groenewoud). Als derde-partijen (belanghebbenden) nemen aan de zaak deel: [belanghebbende 1] (CorDeo scholengroep) uit [plaats] en [belanghebbende 2] (Onderwijsgroep GAVE) uit [plaats] (gemachtigde: [gemachtigde 1] ). Inleiding en procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het besluit van het college van 18 april 2023 om, naar aanleiding van een spoedaanvraag van eiseres, te voorzien in onderwijshuisvesting voor een Al Amana school in Veenendaal per 1 augustus 2023 voor het schooljaar 2023-2024. De toegekende voorziening bestaat uit het medegebruik van drie verschillende schoolgebouwen, op dat moment in gebruik bij [belanghebbende 2] (182 m2), [belanghebbende 1] (230 m2) en de [school] (783 m2), allen gelegen in [plaats] . Bij besluit van 30 november 2023 (bestreden besluit) heeft het college het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres en het college hebben nadien nadere stukken ingediend. Eiseres heeft verder desgevraagd op 7 mei 2025 toegelicht welk belang zij nog heeft bij deze procedure. De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar gemachtigde, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , en verder de gemachtigden van het college en van de belanghebbenden. Beoordeling door de rechtbank 1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit, maar dat dit beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesbelang 2. De rechtbank moet ambtshalve toetsen of er (nog) procesbelang bestaat bij een beroep. Het college betwist dat dit procesbelang er in dit geval is, nu de spoedaanvraag zag op huisvesting voor het schooljaar 2023/2024 en dat schooljaar inmiddels is geëindigd. 3. Eiseres voert aan dat zij ondanks dat het betreffende schooljaar is geëindigd, belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van het beroep. Hiertoe wijst zij erop dat zij vindt dat het college niet heeft voorzien in adequate huisvesting en dat zij daardoor minder leerlingen heeft kunnen plaatsen. Hierdoor stelt zij schade te hebben geleden. Verder stelt zij dat de vaststelling dat geen sprake was van adequate huisvesting in het schooljaar 2023/2024 van belang kan zijn voor de beoordeling of (rijks)bekostiging gecontinueerd wordt. Ten slotte is het volgens eiseres aannemelijk dat het college in volgende schooljaren op dezelfde manier om zal gaan met toegekende huisvesting, namelijk buiten het gewenste postcodegebied en verdeeld over meerdere gebouwen, zodat belang bestaat bij een oordeel van de rechtbank hierover. 4. Procesbelang is volgens vaste rechtspraak het belang bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Het belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit kan onder meer zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming. Het moet dan wel aannemelijk zijn dat die besluitvorming zich in de toekomst voordoet. 5. De rechtbank is van oorde Nu echter de ontbrekende bladzijden in beroep alsnog zijn toegestuurd en gesteld noch gebleken is dat eiseres niet adequaat heeft kunnen reageren op dit ontbrekende deel van de motivering, is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Dit gebrek zal daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Passende voorziening 10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd dat de toegewezen voorziening passend is. Uit het besluit blijkt niet dat het college alle huisvestingsmogelijkheden heeft onderzocht in het gewenste postcodegebied [postcode 1] in Veenendaal. Duidelijk is volgens eiseres dat alleen de mogelijkheid voor medegebruik is onderzocht, terwijl het voorzien in noodlokalen in een noodgebouw een beter passende voorziening is die op korte termijn gerealiseerd kan worden. Hierbij heeft zij ter zitting verwezen naar hoe andere gemeenten met soortgelijke spoedaanvragen zijn omgegaan. Het college heeft verder geen kenbare belangenafweging gemaakt ten aanzien van de keuze om niet in het gewenste postcodegebied [postcode 1] maar uiteindelijk in postcodegebied [postcode 2] huisvesting aan te bieden. Eiseres wijst erop dat voor een nieuwe school passende huisvesting van essentieel belang is. Zonder passende huisvesting kan immers geen adequaat onderwijs worden gegeven. Ter zitting is nader toegelicht welke praktische problemen meerdere schoolgebouwen met zich brengen. Er is volgens eiseres daarom voor gekozen om alleen gebruik te maken van de ruimte in de [school] . Dat geen passende voorziening is getroffen, klemt te meer nu uit de uitlatingen van vertegenwoordigers van het college en ook uit later overleg blijkt dat de huidige voorziening niet tijdelijk is maar ook in de toekomst zal worden aangehouden, omdat het college slechts bereid is om naar huisvesting in bestaande scholen te kijken. Om deze reden zijn ook geen rechtsmiddelen ingesteld tegen het besluit op de reguliere aanvraag voor 2024. 11. In artikel 95, tweede lid, van de Wpo is, voor zover hier relevant, bepaald dat het college van burgemeester en wethouders jaarlijks een programma opstelt met hierin de voorzieningen in de huisvesting voor de scholen die in het jaar na het programma voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht. In artikel 98, eerste lid, van de Wpo is bepaald dat het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst die niet in het programma, bedoeld in artikel 95, is opgenomen, maar die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, een aanvraag indient om bekostiging van die voorziening in bij het college van burgemeester en wethouders. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de beschikking een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten. Het college van burgemeester en wethouders wijst de aanvraag af, indien, onder meer, een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 100, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing is. In de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Veenendaal 2015 (de Verordening) zijn, onder meer, de procedures voor een reguliere en een spoedaanvraag voor huisvesting in de gemeente Veenendaal nader ingevuld.12. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen de procedure betreffende de spoedaanvraag voor het schooljaar 2023-2024 ter toetsing voorligt. Voor zover eiseres heeft beoogd dat de rechtbank ook een uitspraak doet over de huisvesting in volgende schooljaren dan wel over de tijdigheid van die beslissingen, is dit dan ook niet mogelijk. Dit betreffen separate trajecten en besluiten, waartegen aparte rechtsmiddelen moeten worden ingesteld indien eiseres het daar niet mee eens is. Het college heeft hierover ter zitting wel aangegeven in gesprek te willen blijven met eiseres over eventuele extra voorzieningen. 13. De rechtba