Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-11-10
ECLI:NL:RBMNE:2025:6007
Civiel recht
Kort geding
14,500 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/599622 / KG ZA 25-480
Vonnis in kort geding van 10 november 2025
in de zaak van
GEMEENTE UTRECHT,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Gemeente Utrecht,
advocaat: mr. M. van der Meijs,
tegen
1 [gedaagde partij 1] ,
briefadres te [plaats] ,
gedaagde partij 1,
hierna te noemen: [gedaagde partij 1] ,
advocaat: mr. M.F. van Hulst,2. ZIJ DIE VERBLIJVEN OP HET PERCEEL OF EEN GEDEELTE DAARVAN AAN DE [straat] TE [plaats] , TEGENOVER FORT BLAUWKAPEL, KADASTRAAL BEKEND GEMEENTE UTRECHT, SECTIE [perceel]
gedaagde partij 2,
hierna te noemen: de anonieme krakers,
waarvan verschenen is:[gedaagde partij 2],
hierna te noemen: [gedaagde partij 2] ,
advocaat: mr. P.M. Langereis.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de producties 1 tot en met 20 van Gemeente Utrecht,
- de producties 1 en 2 van [gedaagde partij 1] ,
- de producties 1 tot en met 5 van [gedaagde partij 2] ,- de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025,- de pleitnota van Gemeente Utrecht,- de gezamenlijke pleitnota van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] opgesplitst in een preliminair verweer en een inhoudelijk verweer.
2De kern van dit kort geding
Het gaat in dit kort geding om ontruiming van een onbebouwde onroerende zaak waarvan Gemeente Utrecht eigenaar is. Het gaat om het perceel aan de [straat] te [plaats] , tegenover Fort Blauwkapel, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie [perceel] (hierna: het perceel). Het perceel ligt ingesloten tussen een openbare weg en het treinspoor en is omheind door een houten hek. Op grond van het bestemmings- plan rust er geen woonbestemming op het perceel. Tot 31 januari 2024 werd een gedeelte van het perceel verhuurd. Dit gedeelte werd toen als een dierenweide (voornamelijk geiten en kippen) gebruikt. Het overblijvende gedeelte van het perceel is bebost. Gemeente Utrecht wil op dit perceel een openbaar park (voor recreatie) maken.
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] en nog een aantal andere personen verblijven zonder toestemming van Gemeente Utrecht in tenten op dit perceel. Zij hebben dit perceel “gekraakt”. Vraag is of zij dit perceel moeten verlaten (ontruimen). De uitkomst is dat zij dat moeten doen.
Beoordeling
Verstek tegen de niet verschenen anonieme gedaagden
3.1. Ambtshalve moet worden beoordeeld of tegen de niet verschenen anonieme krakers verstek kan worden verleend. Geoordeeld wordt dat dit het geval is.
Anoniem dagvaarden mag
3.2.
Uitgangspunt is dat het exploot (in dit geval de dagvaarding) ten minste de naam en de woonplaats voor wie het bestemd is moet bevatten (zie artikel 45 lid 1 en 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, (Rv)). Dat hoeft echter niet als het een vordering tot ontruiming betreft van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan door, kort gezegd, krakers van wie naam en woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald (zie artikel 45 lid 4 Rv) . Op grond van artikel 61 Rv gebeurt de betekening in dat geval op de manier zoals is bepaald in artikel 47 Rv, met dien verstande dat:
voor “aan de woonplaats” in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: “ter plaatse”,
degenen voor wie het exploot bestemd is, worden aangeduid als: “zij die verblijven in de desbetreffende onroerende zaak of een gedeelte daarvan”,
een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend moet worden gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin de onroerende zaak gelegen is, onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen.
3.3.
Deze situatie doet zich in dit geval niet voor, omdat het gaat om ontruiming van een onbebouwde onroerende zaak. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de uitzondering van artikel 45 lid 4 Rv en artikel 61 Rv analoog moet worden toegepast als het gaat om een vordering tot ontruiming van een onbebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan door krakers.
Het enige verschil met de situatie waarin volgens de wet anoniem mag worden gedagvaard is het object dat wordt gekraakt: het gaat niet om een “bebouwde” onroerende zaak, maar om een “onbebouwde” onroerende zaak.
Uit de wetsgeschiedenis die tot het toestaan van anoniem dagvaarden van krakers van bebouwde onroerende zaken heeft geleid, valt niet op te maken dat de wetgever het anoniem dagvaarden van krakers van onbebouwde onroerende zaken onwenselijk vond.
Sterker, het lijkt erop dat de wetgever niet aan de situatie van kraken van een “onbebouwde” onroerende zaak heeft gedacht en dat sprake is van een leemte in de wet. Dat is ook logisch, omdat de bepalingen over het anoniem dagvaarden van krakers is ingegeven door de Leegstandwet, welke wet alleen ziet op bebouwde roerende zaken.
De reden waarom het anoniem dagvaarden van krakers van een bebouwde onroerende zaak is toegestaan, is dat de eigenaar in de toegang tot de rechter wordt belemmerd als de krakers anoniem willen blijven. Hij kan dan immers niet de naam en de woonplaats van de krakers achterhalen. Daar komt bij dat het kan voorkomen dat een wisseling van krakers plaatsvindt. Het gevolg daarvan is dat de eigenaar, anders dan door eigenrichting, geen einde kan maken aan het kraken, en dat is een onwenselijke situatie.
Deze onwenselijke situatie kan zich ook voordoen als het gaat om kraken van een onbebouwde onroerende zaak, waarop zoals in dit geval een tentenkamp wordt geplaatst. Ook dan kunnen er krakers zijn waarvan de naam en woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald. Ook dan zal de eigenaar in de toegang tot de rechter worden belemmerd. Alleen de krakers waarvan de naam en woonplaats bekend zijn kunnen dan worden gedagvaard. Daarmee kan echter niet worden bereikt dat alle krakers het perceel moeten ontruimen. Er kan dan immers niet anoniem worden gedagvaard en het gevolg daarvan is dat de anonieme krakers niet door een rechterlijke uitspraak kunnen worden gedwongen om de onbebouwde onroerende zaak te ontruimen. Op grond van het voorgaande wordt daarom geoordeeld dat de artikelen 45 lid 4 Rv en artikel 61 Rv analoog van toepassing zijn op de situatie dat een onbebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan wordt gekraakt. De voorzieningenrechter volgt dus niet de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 8 maart 2007 waarin is geoordeeld dat artikel 61 Rv geen toepassing vindt bij de ontruiming van een onbebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Hierbij wordt betrokken dat deze uitspraak nauwelijks is gemotiveerd.
3.4.
Gemeente Utrecht heeft aannemelijk gemaakt dat zij in redelijkheid niet de namen en woonplaatsen van alle (huidige) krakers van het perceel heeft kunnen achterhalen. Zij heeft alleen de naam [gedaagde partij 1] kunnen achterhalen. Er verblijven op dit moment echter volgens Gemeente Utrecht ongeveer 12 personen, onder wie [gedaagde partij 1] , op het perceel. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om Poolse arbeidsmigranten. Ambtenaren van Gemeente Utrecht en de door Gemeente Utrecht ingeschakelde hulpverleners zijn een aantal keren op het perceel geweest om met deze personen (krakers) te praten en hebben hen over dit kort geding verteld. Ze zijn er echter niet in geslaagd om de namen van de krakers te achterhalen.
3.5.
Van belang is verder dat Gemeente Utrecht aannemelijk heeft gemaakt dat de anonieme krakers bekend zijn met dit kort geding. De ambtenaren van Gemeente Utrecht en de door Gemeente Utrecht ingeschakelde hulpverleners hebben hen dit verteld. Ook zijn er door de deurwaarder brieven en exploten op het perceel achtergelaten waarin dit kort geding werd aangekondigd. Eén van de anoniem gedagvaarde krakers, namelijk [gedaagde partij 2] , is bovendien verschenen. Ook dat levert een aanwijzing op dat dit kort geding bij de anonieme krakers bekend is.
Ook is het aannemelijk dat [gedaagde partij 1] hen dit heeft verteld. [gedaagde partij 1] is de eerste kraker van het perceel, en heeft daar onafgebroken verbleven en is ook in dit kort geding verschenen.
3.6.
Het voorgaande betekent dat de andere krakers dan [gedaagde partij 1] anoniem mochten worden gedagvaard.
De betekening van de dagvaarding is in overeenstemming met de eisen die de wet stelt
3.7. De betekening van de anonieme krakers is overeenkomstig artikel 61 Rv in relatie met artikel 47 Rv gebeurt. De deurwaarder heeft de dagvaarding ter plaatse in een gesloten envelop achtergelaten en dat is gevolgd door bekendmaking van een uittreksel van het exploot in verschillende streekdagbladen. De betekening heeft binnen de daarvoor geldende termijn plaatsgevonden.
Conclusie
3.8. De dagvaarding lijdt dus niet aan gebrek dat nietigheid meebrengt. Er wordt daarom verstek verleend tegen de niet verschenen anonieme krakers.
Formeel verweer van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2]
3.9. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] voeren in de eerste plaats als verweer dat geen beslissing in dit het kort geding kan worden genomen, althans dat het kort geding moet worden aangehouden, omdat de dagvaarding nietig is, aangezien er anoniem is gedagvaard. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat dit verweer niet opgaat.
Ontruiming perceel door [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2]
3.10. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] zullen het perceel moeten ontruimen.
Uitgangspunt: Gemeente Utrecht is bevoegd om het perceel op te eisen
3.11.
Vaststaat dat Gemeente Utrecht eigenaar is van het perceel. Het is aan Gemeente Utrecht als eigenaar van het perceel om te bepalen wie zich op haar perceel mogen bevinden. Vaststaat dat Gemeente Utrecht geen toestemming aan [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] heeft verleend om op het perceel (met tenten) te verblijven. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] verblijven dus zonder recht of titel op dit perceel. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] maken daarmee inbreuk op het eigendomsrecht van Gemeente Utrecht en handelen daarmee onrechtmatig tegenover Gemeente Utrecht.
3.12.
Gemeente Utrecht is op grond van haar eigendomsrecht bevoegd om het perceel van een ieder die het perceel zonder recht houdt op te eisen (artikel 5:2 Burgerlijk Wetboek, (BW)). Gemeente Utrecht kan dus op grond van dit wetsartikel eisen dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] (en de overige op het perceel aanwezige krakers) het perceel moeten verlaten (ontruimen). Er is geen reden om daarop in dit geval een uitzondering te maken. Van een gedoogsituatie door Gemeente Utrecht is geen sprake geweest en Gemeente Utrecht heeft meteen actie ondernomen toen zij ontdekte dat [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en andere krakers tenten op haar perceel hadden geplaatst en daarin verbleven.
Spoedeisend belang bij ontruimingsvordering
3.13. Gemeente Utrecht heeft aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij ontruiming van het perceel door de krakers.
Dit belang volgt in de eerste plaats al uit de aard van de vordering die erop is gericht om het perceel als eigenaar op te eisen en een einde te maken aan een onrechtmatige situatie.
Gemeente Utrecht heeft bovendien als publiekrechtelijke instelling de taak om erop toe te zien dat het perceel in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan wordt gebruikt en handhavend op te treden als daarvan geen sprake is. Die situatie doet zich in dit geval voor, aangezien het perceel geen woonbestemming heeft en de krakers het perceel gebruiken alsof dat wel zo is. De krakers slapen, eten en drinken op dit perceel in door hen geplaatste tenten, en doen daar ook hun behoeften.
Dan is van belang dat Gemeente Utrecht als eigenaar van het perceel erop moet toezien dat er geen overlast (onrechtmatige hinder) wordt veroorzaakt op haar perceel. Gemeente Utrecht heeft aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Zij heeft al ruim 40 meldingen van (ernstige) overlast van omwonenden ontvangen.
Er heeft een geweldsincident (een poging tot doodslag/moord) op het perceel plaatsgevonden, er heeft een incident met een naar wat later bleek een neppistool plaatsgevonden, fietsen van omwonenden zijn gestolen en teruggevonden op het perceel, en ook een BBQ. Het perceel is gelegen aan een drukke doorlopende weg. Er zijn ook klachten dat vrouwen en kinderen vervelend worden nageroepen door de krakers van het perceel. Ook zijn er klachten over vervuiling van het perceel.
4. Dan is nog aannemelijk dat sprake is van, zoals Gemeente Utrecht aanvoert, een onhygiënische situatie die een effect kan hebben op de gezondheid van de krakers en omwonenden. Er zijn op het perceel geen woonvoorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen (aangezien het perceel geen woonbestemming heeft). De krakers doen hun behoeften echter wel op het perceel. Dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] bereid zijn om een gebruikersovereenkomst aan te gaan waarin een en ander over hygiëne wordt vastgelegd, maakt dat niet anders. Reden daarvoor is dat het perceel geen woonbestemming heeft en er daarom geen gebruikersovereenkomst met betrekking tot bewoning van het perceel door de krakers kan worden afgesloten. Dat is eenvoudigweg niet toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan.
5. Gemeente Utrecht heeft ook belang bij de ontruiming van het perceel in verband met het voorkomen van precedentwerking. Anders bestaat de kans dat er veel meer percelen waarop geen woonbestemming rust (zoals parken) worden gekraakt.
Kortom, Gemeente Utrecht heeft een spoedeisend belang om een einde te maken aan de inbreuk op haar eigendomsrecht door [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers van het perceel. Het gaat hier om een zwaarwegend belang.
3.14.
Dat Gemeente Utrecht, zoals [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] aanvoeren, mogelijk niet op korte termijn het door haar gewenste park op het perceel realiseert of het perceel laat beheren door Vereniging Landschapsbeheer Vleuten-De Meern doet aan dit zwaarwegende spoedeisende belang bij ontruiming van het perceel niet af. Dat komt, omdat het hier gaat om de ontruiming van een onbebouwde onroerende zaak waarop geen woonbestemming rust. Er blijft dus geen woonruimte onbenut, terwijl sprake is van woningnood. Sterker er mag niet op het perceel worden gewoond. De door [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] aangehaalde jurisprudentie ziet op de situatie dat er wel woonruimte onbenut blijft, terwijl sprake is van woningnood, en is daarom in dit geval niet van toepassing.
[gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers hebben huisrecht op grond van artikel 8 EVRM
3.15. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] beroepen zich op hun huisrecht als bedoeld in artikel 8 EVRM en voeren aan dat de ontruiming van het perceel een ernstige inbreuk maakt op dit huisrecht. Gemeente Utrecht betwist dat de krakers een huisrecht hebben. Volgens Gemeente Utrecht kan er geen beroep op het huisrecht worden gedaan als het gaat om het kraken van een onbebouwde onroerende zaak.
3.16.
Geoordeeld wordt dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] (en de andere krakers) zich kunnen beroepen op het huisrecht dat zij hebben in hun tot woning dienende tenten. De reikwijdte die het EVRM aan het begrip “woning” (“home”) toekent is niet afhankelijk van de kwalificatie die de nationale wetgever daaraan heeft gegeven. Waar het om gaat is dat uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat met een bepaalde plaats een “sufficient and continuous link” (voldoende en voortdurende band) bestaat. Dat is hier het geval. [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers verblijven in tenten op het perceel, zij eten en slapen er. Dat [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers zich illegaal op het perceel bevinden, is op grond van vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet van belang. Ook het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een vergelijkbare zaak geoordeeld dat de krakers van een onbebouwde onroerende zaak een beroep toekomt op het huisrecht van artikel 8 EVRM.
3.17.
Dat [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers een beroep toekomt op het huisrecht, betekent dat Gemeente Utrecht niet zonder toestemming van de rechter
[gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers van het perceel mag laten verwijderen.
Conclusie
3.20.
De conclusie is dat de ontruimingsvordering tegen [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] kan worden toegewezen.
Ontruiming gedagvaarde anonieme krakers tegen wie verstek is verleend
3.21. De ontruimingsvordering tegen de anoniem gedagvaarde krakers waartegen verstek is verleend, wordt ook toegewezen, omdat die vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Ontruimingstermijn
3.22. De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis om zo de krakers in de gelegenheid te stellen een andere verblijfplek te vinden.
Ontruiming opvolgende anonieme krakers op grond van artikel 557a lid 3 Rv
3.23.
Gemeente Utrecht vordert verder dat wordt bepaald dat op grond van artikel 557a lid 3 Rv de ontruiming van het perceel ook gedurende een periode van 1 jaar ten uitvoer kan worden gelegd tegen opvolgende (anonieme) krakers van het perceel.
3.24.
Deze vordering wordt toegewezen. Het hiervoor genoemde wetsartikel geeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om een verruimde ontruimingstitel uit te spreken als het gaat om ontruiming van een bebouwde onroerende zaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit wetsartikel analoog kan worden toegepast als het gaat om kraken van een onbebouwde onroerende zaken waarop een tentenkamp wordt geplaatst. Die situatie is immers vergelijkbaar met de situatie van het kraken van een bebouwde onroerende zaak. In beide situaties geldt dat de krakers een beroep kunnen doen op het huisrecht van artikel 8 EVRM. Het is aannemelijk dat de wetgever zich dat niet heeft gerealiseerd. Immers, artikel 557a Rv is oorspronkelijk ingevoerd in het kader van de Leegstandwet, welke wet alleen ziet op bebouwde onroerende zaken. De voorzieningenrechter wijkt hier af van het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 21 juli 2020. Het gerechtshof heeft in rechtsoverweging 7.20 van dat arrest geoordeeld dat geen ruimte is voor het naar analogie toepassen van artikel 557a lid 3 Rv. Het gerechtshof heeft dat oordeel gebaseerd op de omstandigheid dat artikel 557a Rv in het kader van de Kei-wetgeving per 1 september 2017 opnieuw is vastgesteld. Dat betekent volgens de voorzieningenrechter niet dat de wetgever bewust artikel 557a lid Rv niet van toepassing heeft willen laten zijn bij het kraken van onbebouwde onroerende zaken waarop bijvoorbeeld een tentenkamp wordt geplaatst. De Kei-wetgeving had enkel te maken met vereenvoudiging en digitalisering van de procedures en de enige wijziging in artikel 557a Rv betrof het vervangen van “terechtzitting” door “zitting” in het eerste lid in verband met de wijzigingen in de algemene bepalingen van de artikelen 30a-30q Rv.
Proceskosten
3.25.
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Utrecht worden begroot op:- kosten van de aan [gedaagde partij 1] betekende dagvaarding € 145,45- kosten van de aan anonieme krakers betekende dagvaarding € 144,47- griffierecht € 714,00- salaris advocaat € 1.107,00
Totaal € 2.110,92
De advertentiekosten die zijn gemaakt in verband met de betekening van het exploot aan de anonieme krakers worden afgewezen, omdat Gemeente Utrecht deze niet heeft gespecificeerd.[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het griffierecht en het salaris advocaat van in totaal € 1.821,00. Daarnaast wordt:
[gedaagde partij 1] veroordeeld tot betaling van de explootkosten van € 145,45,
[gedaagde partij 2] veroordeeld tot betaling van de explootkosten van € 144,47.
De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente wordt op de onder de beslissing te noemen manier toegewezen.Ook worden [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] veroordeeld tot betaling van de volgens de wet verschuldigde nakosten vermeerderd met wettelijke rente daarover.
Dictum
De voorzieningenrechter:
4.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen anoniem gedagvaarde personen (krakers),
4.2.
veroordeelt [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] , en zij die verblijven op het perceel of een gedeelte daarvan aan de [straat] te [plaats] tegenover Fort Blauwkapel, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie [perceel] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het perceel aan de [straat] te [plaats] tegenover Fort Blauwkapel, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie [perceel] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Gemeente Utrecht zijn,
4.3.
bepaalt dat de ontruiming van het perceel of een gedeelte aan de [straat] te [plaats] tegenover Fort Blauwkapel, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie [perceel] gedurende een periode van 1 jaar na de datum van dit vonnis ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich op het moment van de tenuitvoerlegging daarop bevindt, en telkens wanneer zich dat voordoet,
4.4.
veroordeelt [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.999,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald, en te vermeerderen met de volgens de wet verschuldigde nakosten en de wettelijke rente daarover zoals bedoeld in artikel 6:119 BW,
4.5.
veroordeelt [gedaagde partij 1] tot betaling van de explootkosten van € 145,45 te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald, en te vermeerderen met de volgens de wet verschuldigde nakosten en de wettelijke rente daarover zoals bedoeld in artikel 6:119 BW,
4.6.
veroordeelt [gedaagde partij 2] tot betaling van de explootkosten van € 144,47 te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald, en te vermeerderen met de volgens de wet verschuldigde nakosten en de wettelijke daarover zoals bedoeld in artikel 6:119 BW,
4.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.
4374
Artikel 45 Rv luidt voor zover van belang als volgt: 1. Exploten worden door een daartoe bevoegde deurwaarder gedaan op de wijze in deze afdeling bepaald. 3. Het exploot vermeldt ten minste: d. de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd;
4. Indien het exploot een vordering tot ontruiming betreft van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht, van wie naam en woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald, behoeft het deze naam en deze woonplaats niet te vermelden, noch de persoon aan wie afschrift van het exploot is gelaten.
Artikel 61 Rv luidt als volgt:Ten aanzien van hen die verblijven in een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, indien het exploot een vordering tot ontruiming daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht betreft, zonder dat de naam en de woonplaats van degenen voor wie het exploot is bestemd, alsmede de persoon aan wie afschrift wordt gelaten, worden vermeld, geschiedt de betekening op de wijze als vermeld in artikel 47, met dien verstande dat voor «aan de woonplaats» in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: ter plaatse, en dat degenen voor wie het exploot bestemd is, daarin en op de envelop waarin een afschrift wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden aangeduid als: zij die verblijven in de desbetreffende onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Voorts wordt een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin de onroerende zaak gelegen is, onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen.
Artikel 47 Rv luidt als volgt:1. Indien de deurwaarder aan geen van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde personen afschrift kan laten, laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot.
2. Op de envelop waarin het afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden vermeld de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd. De envelop vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft.
ECLI:NL:GHAMS:2007:BA8013
Artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) luidt als volgt:1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Zie EHRM 13 mei 2008, Appl. No. 19009/04, ECLI:CE:ECHR:2008:0513JUD001900904
Zie arrest van 21 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5754
Artikel 557a lid 3 Rv luidt als volgt:Desgevorderd kan de rechter bepalen dat een vonnis, waarbij aan anderen dan aan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht de ontruiming wordt bevolen van een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, tot een jaar na de dag waarop het vonnis wordt uitgesproken dan wel bekrachtigd, of, indien de rechter een termijn bepaalt als bedoeld in het eerste lid, tot een jaar na de dag waarop die datum verstrijkt, ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet.
ECLI:NL:GHARL:2020:5754
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/599622 / KG ZA 25-480
Vonnis in kort geding van 10 november 2025
in de zaak van
GEMEENTE UTRECHT,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Gemeente Utrecht,
advocaat: mr. M. van der Meijs,
tegen
1 [gedaagde partij 1] ,
briefadres te [plaats] ,
gedaagde partij 1,
hierna te noemen: [gedaagde partij 1] ,
advocaat: mr. M.F. van Hulst,2. ZIJ DIE VERBLIJVEN OP HET PERCEEL OF EEN GEDEELTE DAARVAN AAN DE [straat] TE [plaats] , TEGENOVER FORT BLAUWKAPEL, KADASTRAAL BEKEND GEMEENTE UTRECHT, SECTIE [perceel]
gedaagde partij 2,
hierna te noemen: de anonieme krakers,
waarvan verschenen is:[gedaagde partij 2],
hierna te noemen: [gedaagde partij 2] ,
advocaat: mr. P.M. Langereis.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de producties 1 tot en met 20 van Gemeente Utrecht,
- de producties 1 en 2 van [gedaagde partij 1] ,
- de producties 1 tot en met 5 van [gedaagde partij 2] ,- de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025,- de pleitnota van Gemeente Utrecht,- de gezamenlijke pleitnota van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] opgesplitst in een preliminair verweer en een inhoudelijk verweer.
2De kern van dit kort geding
Het gaat in dit kort geding om ontruiming van een onbebouwde onroerende zaak waarvan Gemeente Utrecht eigenaar is. Het gaat om het perceel aan de [straat] te [plaats] , tegenover Fort Blauwkapel, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie [perceel] (hierna: het perceel). Het perceel ligt ingesloten tussen een openbare weg en het treinspoor en is omheind door een houten hek. Op grond van het bestemmings- plan rust er geen woonbestemming op het perceel. Tot 31 januari 2024 werd een gedeelte van het perceel verhuurd. Dit gedeelte werd toen als een dierenweide (voornamelijk geiten en kippen) gebruikt. Het overblijvende gedeelte van het perceel is bebost. Gemeente Utrecht wil op dit perceel een openbaar park (voor recreatie) maken.
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] en nog een aantal andere personen verblijven zonder toestemming van Gemeente Utrecht in tenten op dit perceel. Zij hebben dit perceel “gekraakt”. Vraag is of zij dit perceel moeten verlaten (ontruimen). De uitkomst is dat zij dat moeten doen.
Beoordeling
Verstek tegen de niet verschenen anonieme gedaagden
3.1. Ambtshalve moet worden beoordeeld of tegen de niet verschenen anonieme krakers verstek kan worden verleend. Geoordeeld wordt dat dit het geval is.
Anoniem dagvaarden mag
3.2.
Uitgangspunt is dat het exploot (in dit geval de dagvaarding) ten minste de naam en de woonplaats voor wie het bestemd is moet bevatten (zie artikel 45 lid 1 en 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, (Rv)). Dat hoeft echter niet als het een vordering tot ontruiming betreft van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan door, kort gezegd, krakers van wie naam en woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald (zie artikel 45 lid 4 Rv) . Op grond van artikel 61 Rv gebeurt de betekening in dat geval op de manier zoals is bepaald in artikel 47 Rv, met dien verstande dat:
voor “aan de woonplaats” in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: “ter plaatse”,
degenen voor wie het exploot bestemd is, worden aangeduid als: “zij die verblijven in de desbetreffende onroerende zaak of een gedeelte daarvan”,
een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend moet worden gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin de onroerende zaak gelegen is, onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen.
3.3.
Deze situatie doet zich in dit geval niet voor, omdat het gaat om ontruiming van een onbebouwde onroerende zaak. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de uitzondering van artikel 45 lid 4 Rv en artikel 61 Rv analoog moet worden toegepast als het gaat om een vordering tot ontruiming van een onbebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan door krakers.
Het enige verschil met de situatie waarin volgens de wet anoniem mag worden gedagvaard is het object dat wordt gekraakt: het gaat niet om een “bebouwde” onroerende zaak, maar om een “onbebouwde” onroerende zaak.
Uit de wetsgeschiedenis die tot het toestaan van anoniem dagvaarden van krakers van bebouwde onroerende zaken heeft geleid, valt niet op te maken dat de wetgever het anoniem dagvaarden van krakers van onbebouwde onroerende zaken onwenselijk vond.
Sterker, het lijkt erop dat de wetgever niet aan de situatie van kraken van een “onbebouwde” onroerende zaak heeft gedacht en dat sprake is van een leemte in de wet. Dat is ook logisch, omdat de bepalingen over het anoniem dagvaarden van krakers is ingegeven door de Leegstandwet, welke wet alleen ziet op bebouwde roerende zaken.
De reden waarom het anoniem dagvaarden van krakers van een bebouwde onroerende zaak is toegestaan, is dat de eigenaar in de toegang tot de rechter wordt belemmerd als de krakers anoniem willen blijven. Hij kan dan immers niet de naam en de woonplaats van de krakers achterhalen. Daar komt bij dat het kan voorkomen dat een wisseling van krakers plaatsvindt. Het gevolg daarvan is dat de eigenaar, anders dan door eigenrichting, geen einde kan maken aan het kraken, en dat is een onwenselijke situatie.
Deze onwenselijke situatie kan zich ook voordoen als het gaat om kraken van een onbebouwde onroerende zaak, waarop zoals in dit geval een tentenkamp wordt geplaatst. Ook dan kunnen er krakers zijn waarvan de naam en woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald. Ook dan zal de eigenaar in de toegang tot de rechter worden belemmerd. Alleen de krakers waarvan de naam en woonplaats bekend zijn kunnen dan worden gedagvaard. Daarmee kan echter niet worden bereikt dat alle krakers het perceel moeten ontruimen. Er kan dan immers niet anoniem worden gedagvaard en het gevolg daarvan is dat de anonieme krakers niet door een rechterlijke uitspraak kunnen worden gedwongen om de onbebouwde onroerende zaak te ontruimen. Op grond van het voorgaande wordt daarom geoordeeld dat de artikelen 45 lid 4 Rv en artikel 61 Rv analoog van toepassing zijn op de situatie dat een onbebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan wordt gekraakt. De voorzieningenrechter volgt dus niet de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 8 maart 2007 waarin is geoordeeld dat artikel 61 Rv geen toepassing vindt bij de ontruiming van een onbebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Hierbij wordt betrokken dat deze uitspraak nauwelijks is gemotiveerd.
3.4.
Gemeente Utrecht heeft aannemelijk gemaakt dat zij in redelijkheid niet de namen en woonplaatsen van alle (huidige) krakers van het perceel heeft kunnen achterhalen. Zij heeft alleen de naam [gedaagde partij 1] kunnen achterhalen. Er verblijven op dit moment echter volgens Gemeente Utrecht ongeveer 12 personen, onder wie [gedaagde partij 1] , op het perceel. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om Poolse arbeidsmigranten. Ambtenaren van Gemeente Utrecht en de door Gemeente Utrecht ingeschakelde hulpverleners zijn een aantal keren op het perceel geweest om met deze personen (krakers) te praten en hebben hen over dit kort geding verteld. Ze zijn er echter niet in geslaagd om de namen van de krakers te achterhalen.
3.5.
Van belang is verder dat Gemeente Utrecht aannemelijk heeft gemaakt dat de anonieme krakers bekend zijn met dit kort geding. De ambtenaren van Gemeente Utrecht en de door Gemeente Utrecht ingeschakelde hulpverleners hebben hen dit verteld. Ook zijn er door de deurwaarder brieven en exploten op het perceel achtergelaten waarin dit kort geding werd aangekondigd. Eén van de anoniem gedagvaarde krakers, namelijk [gedaagde partij 2] , is bovendien verschenen. Ook dat levert een aanwijzing op dat dit kort geding bij de anonieme krakers bekend is.
Ook is het aannemelijk dat [gedaagde partij 1] hen dit heeft verteld. [gedaagde partij 1] is de eerste kraker van het perceel, en heeft daar onafgebroken verbleven en is ook in dit kort geding verschenen.
3.6.
Het voorgaande betekent dat de andere krakers dan [gedaagde partij 1] anoniem mochten worden gedagvaard.
De betekening van de dagvaarding is in overeenstemming met de eisen die de wet stelt
3.7. De betekening van de anonieme krakers is overeenkomstig artikel 61 Rv in relatie met artikel 47 Rv gebeurt. De deurwaarder heeft de dagvaarding ter plaatse in een gesloten envelop achtergelaten en dat is gevolgd door bekendmaking van een uittreksel van het exploot in verschillende streekdagbladen. De betekening heeft binnen de daarvoor geldende termijn plaatsgevonden.
Conclusie
3.8. De dagvaarding lijdt dus niet aan gebrek dat nietigheid meebrengt. Er wordt daarom verstek verleend tegen de niet verschenen anonieme krakers.
Formeel verweer van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2]
3.9. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] voeren in de eerste plaats als verweer dat geen beslissing in dit het kort geding kan worden genomen, althans dat het kort geding moet worden aangehouden, omdat de dagvaarding nietig is, aangezien er anoniem is gedagvaard. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat dit verweer niet opgaat.
Ontruiming perceel door [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2]
3.10. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] zullen het perceel moeten ontruimen.
Uitgangspunt: Gemeente Utrecht is bevoegd om het perceel op te eisen
3.11.
Vaststaat dat Gemeente Utrecht eigenaar is van het perceel. Het is aan Gemeente Utrecht als eigenaar van het perceel om te bepalen wie zich op haar perceel mogen bevinden. Vaststaat dat Gemeente Utrecht geen toestemming aan [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] heeft verleend om op het perceel (met tenten) te verblijven. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] verblijven dus zonder recht of titel op dit perceel. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] maken daarmee inbreuk op het eigendomsrecht van Gemeente Utrecht en handelen daarmee onrechtmatig tegenover Gemeente Utrecht.
3.12.
Gemeente Utrecht is op grond van haar eigendomsrecht bevoegd om het perceel van een ieder die het perceel zonder recht houdt op te eisen (artikel 5:2 Burgerlijk Wetboek, (BW)). Gemeente Utrecht kan dus op grond van dit wetsartikel eisen dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] (en de overige op het perceel aanwezige krakers) het perceel moeten verlaten (ontruimen). Er is geen reden om daarop in dit geval een uitzondering te maken. Van een gedoogsituatie door Gemeente Utrecht is geen sprake geweest en Gemeente Utrecht heeft meteen actie ondernomen toen zij ontdekte dat [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en andere krakers tenten op haar perceel hadden geplaatst en daarin verbleven.
Spoedeisend belang bij ontruimingsvordering
3.13. Gemeente Utrecht heeft aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij ontruiming van het perceel door de krakers.
Dit belang volgt in de eerste plaats al uit de aard van de vordering die erop is gericht om het perceel als eigenaar op te eisen en een einde te maken aan een onrechtmatige situatie.
Gemeente Utrecht heeft bovendien als publiekrechtelijke instelling de taak om erop toe te zien dat het perceel in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan wordt gebruikt en handhavend op te treden als daarvan geen sprake is. Die situatie doet zich in dit geval voor, aangezien het perceel geen woonbestemming heeft en de krakers het perceel gebruiken alsof dat wel zo is. De krakers slapen, eten en drinken op dit perceel in door hen geplaatste tenten, en doen daar ook hun behoeften.
Dan is van belang dat Gemeente Utrecht als eigenaar van het perceel erop moet toezien dat er geen overlast (onrechtmatige hinder) wordt veroorzaakt op haar perceel. Gemeente Utrecht heeft aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Zij heeft al ruim 40 meldingen van (ernstige) overlast van omwonenden ontvangen.
Er heeft een geweldsincident (een poging tot doodslag/moord) op het perceel plaatsgevonden, er heeft een incident met een naar wat later bleek een neppistool plaatsgevonden, fietsen van omwonenden zijn gestolen en teruggevonden op het perceel, en ook een BBQ. Het perceel is gelegen aan een drukke doorlopende weg. Er zijn ook klachten dat vrouwen en kinderen vervelend worden nageroepen door de krakers van het perceel. Ook zijn er klachten over vervuiling van het perceel.
4. Dan is nog aannemelijk dat sprake is van, zoals Gemeente Utrecht aanvoert, een onhygiënische situatie die een effect kan hebben op de gezondheid van de krakers en omwonenden. Er zijn op het perceel geen woonvoorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen (aangezien het perceel geen woonbestemming heeft). De krakers doen hun behoeften echter wel op het perceel. Dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] bereid zijn om een gebruikersovereenkomst aan te gaan waarin een en ander over hygiëne wordt vastgelegd, maakt dat niet anders. Reden daarvoor is dat het perceel geen woonbestemming heeft en er daarom geen gebruikersovereenkomst met betrekking tot bewoning van het perceel door de krakers kan worden afgesloten. Dat is eenvoudigweg niet toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan.
5. Gemeente Utrecht heeft ook belang bij de ontruiming van het perceel in verband met het voorkomen van precedentwerking. Anders bestaat de kans dat er veel meer percelen waarop geen woonbestemming rust (zoals parken) worden gekraakt.
Kortom, Gemeente Utrecht heeft een spoedeisend belang om een einde te maken aan de inbreuk op haar eigendomsrecht door [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers van het perceel. Het gaat hier om een zwaarwegend belang.
3.14.
Dat Gemeente Utrecht, zoals [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] aanvoeren, mogelijk niet op korte termijn het door haar gewenste park op het perceel realiseert of het perceel laat beheren door Vereniging Landschapsbeheer Vleuten-De Meern doet aan dit zwaarwegende spoedeisende belang bij ontruiming van het perceel niet af. Dat komt, omdat het hier gaat om de ontruiming van een onbebouwde onroerende zaak waarop geen woonbestemming rust. Er blijft dus geen woonruimte onbenut, terwijl sprake is van woningnood. Sterker er mag niet op het perceel worden gewoond. De door [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] aangehaalde jurisprudentie ziet op de situatie dat er wel woonruimte onbenut blijft, terwijl sprake is van woningnood, en is daarom in dit geval niet van toepassing.
[gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers hebben huisrecht op grond van artikel 8 EVRM
3.15. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] beroepen zich op hun huisrecht als bedoeld in artikel 8 EVRM en voeren aan dat de ontruiming van het perceel een ernstige inbreuk maakt op dit huisrecht. Gemeente Utrecht betwist dat de krakers een huisrecht hebben. Volgens Gemeente Utrecht kan er geen beroep op het huisrecht worden gedaan als het gaat om het kraken van een onbebouwde onroerende zaak.
3.16.
Geoordeeld wordt dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] (en de andere krakers) zich kunnen beroepen op het huisrecht dat zij hebben in hun tot woning dienende tenten. De reikwijdte die het EVRM aan het begrip “woning” (“home”) toekent is niet afhankelijk van de kwalificatie die de nationale wetgever daaraan heeft gegeven. Waar het om gaat is dat uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat met een bepaalde plaats een “sufficient and continuous link” (voldoende en voortdurende band) bestaat. Dat is hier het geval. [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers verblijven in tenten op het perceel, zij eten en slapen er. Dat [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers zich illegaal op het perceel bevinden, is op grond van vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet van belang. Ook het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een vergelijkbare zaak geoordeeld dat de krakers van een onbebouwde onroerende zaak een beroep toekomt op het huisrecht van artikel 8 EVRM.
3.17.
Dat [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers een beroep toekomt op het huisrecht, betekent dat Gemeente Utrecht niet zonder toestemming van de rechter
[gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en de andere krakers van het perceel mag laten verwijderen.
Conclusie
3.20.
De conclusie is dat de ontruimingsvordering tegen [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] kan worden toegewezen.
Ontruiming gedagvaarde anonieme krakers tegen wie verstek is verleend
3.21. De ontruimingsvordering tegen de anoniem gedagvaarde krakers waartegen verstek is verleend, wordt ook toegewezen, omdat die vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Ontruimingstermijn
3.22. De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis om zo de krakers in de gelegenheid te stellen een andere verblijfplek te vinden.
Ontruiming opvolgende anonieme krakers op grond van artikel 557a lid 3 Rv
3.23.
Gemeente Utrecht vordert verder dat wordt bepaald dat op grond van artikel 557a lid 3 Rv de ontruiming van het perceel ook gedurende een periode van 1 jaar ten uitvoer kan worden gelegd tegen opvolgende (anonieme) krakers van het perceel.
3.24.
Deze vordering wordt toegewezen. Het hiervoor genoemde wetsartikel geeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om een verruimde ontruimingstitel uit te spreken als het gaat om ontruiming van een bebouwde onroerende zaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit wetsartikel analoog kan worden toegepast als het gaat om kraken van een onbebouwde onroerende zaken waarop een tentenkamp wordt geplaatst. Die situatie is immers vergelijkbaar met de situatie van het kraken van een bebouwde onroerende zaak. In beide situaties geldt dat de krakers een beroep kunnen doen op het huisrecht van artikel 8 EVRM. Het is aannemelijk dat de wetgever zich dat niet heeft gerealiseerd. Immers, artikel 557a Rv is oorspronkelijk ingevoerd in het kader van de Leegstandwet, welke wet alleen ziet op bebouwde onroerende zaken. De voorzieningenrechter wijkt hier af van het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 21 juli 2020. Het gerechtshof heeft in rechtsoverweging 7.20 van dat arrest geoordeeld dat geen ruimte is voor het naar analogie toepassen van artikel 557a lid 3 Rv. Het gerechtshof heeft dat oordeel gebaseerd op de omstandigheid dat artikel 557a Rv in het kader van de Kei-wetgeving per 1 september 2017 opnieuw is vastgesteld. Dat betekent volgens de voorzieningenrechter niet dat de wetgever bewust artikel 557a lid Rv niet van toepassing heeft willen laten zijn bij het kraken van onbebouwde onroerende zaken waarop bijvoorbeeld een tentenkamp wordt geplaatst. De Kei-wetgeving had enkel te maken met vereenvoudiging en digitalisering van de procedures en de enige wijziging in artikel 557a Rv betrof het vervangen van “terechtzitting” door “zitting” in het eerste lid in verband met de wijzigingen in de algemene bepalingen van de artikelen 30a-30q Rv.
Proceskosten
3.25.
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Utrecht worden begroot op:- kosten van de aan [gedaagde partij 1] betekende dagvaarding € 145,45- kosten van de aan anonieme krakers betekende dagvaarding € 144,47- griffierecht € 714,00- salaris advocaat € 1.107,00
Totaal € 2.110,92
De advertentiekosten die zijn gemaakt in verband met de betekening van het exploot aan de anonieme krakers worden afgewezen, omdat Gemeente Utrecht deze niet heeft gespecificeerd.[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het griffierecht en het salaris advocaat van in totaal € 1.821,00. Daarnaast wordt:
[gedaagde partij 1] veroordeeld tot betaling van de explootkosten van € 145,45,
[gedaagde partij 2] veroordeeld tot betaling van de explootkosten van € 144,47.
De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente wordt op de onder de beslissing te noemen manier toegewezen.Ook worden [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] veroordeeld tot betaling van de volgens de wet verschuldigde nakosten vermeerderd met wettelijke rente daarover.
Dictum
De voorzieningenrechter:
4.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen anoniem gedagvaarde personen (krakers),
4.2.
veroordeelt [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] , en zij die verblijven op het perceel of een gedeelte daarvan aan de [straat] te [plaats] tegenover Fort Blauwkapel, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie [perceel] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het perceel aan de [straat] te [plaats] tegenover Fort Blauwkapel, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie [perceel] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Gemeente Utrecht zijn,
4.3.
bepaalt dat de ontruiming van het perceel of een gedeelte aan de [straat] te [plaats] tegenover Fort Blauwkapel, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie [perceel] gedurende een periode van 1 jaar na de datum van dit vonnis ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich op het moment van de tenuitvoerlegging daarop bevindt, en telkens wanneer zich dat voordoet,
4.4.
veroordeelt [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.999,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald, en te vermeerderen met de volgens de wet verschuldigde nakosten en de wettelijke rente daarover zoals bedoeld in artikel 6:119 BW,
4.5.
veroordeelt [gedaagde partij 1] tot betaling van de explootkosten van € 145,45 te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald, en te vermeerderen met de volgens de wet verschuldigde nakosten en de wettelijke rente daarover zoals bedoeld in artikel 6:119 BW,
4.6.
veroordeelt [gedaagde partij 2] tot betaling van de explootkosten van € 144,47 te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald, en te vermeerderen met de volgens de wet verschuldigde nakosten en de wettelijke daarover zoals bedoeld in artikel 6:119 BW,
4.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.
4374
Artikel 45 Rv luidt voor zover van belang als volgt: 1. Exploten worden door een daartoe bevoegde deurwaarder gedaan op de wijze in deze afdeling bepaald. 3. Het exploot vermeldt ten minste: d. de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd;
4. Indien het exploot een vordering tot ontruiming betreft van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht, van wie naam en woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald, behoeft het deze naam en deze woonplaats niet te vermelden, noch de persoon aan wie afschrift van het exploot is gelaten.
Artikel 61 Rv luidt als volgt:Ten aanzien van hen die verblijven in een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, indien het exploot een vordering tot ontruiming daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht betreft, zonder dat de naam en de woonplaats van degenen voor wie het exploot is bestemd, alsmede de persoon aan wie afschrift wordt gelaten, worden vermeld, geschiedt de betekening op de wijze als vermeld in artikel 47, met dien verstande dat voor «aan de woonplaats» in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: ter plaatse, en dat degenen voor wie het exploot bestemd is, daarin en op de envelop waarin een afschrift wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden aangeduid als: zij die verblijven in de desbetreffende onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Voorts wordt een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin de onroerende zaak gelegen is, onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen.
Artikel 47 Rv luidt als volgt:1. Indien de deurwaarder aan geen van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde personen afschrift kan laten, laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot.
2. Op de envelop waarin het afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden vermeld de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd. De envelop vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft.
ECLI:NL:GHAMS:2007:BA8013
Artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) luidt als volgt:1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Zie EHRM 13 mei 2008, Appl. No. 19009/04, ECLI:CE:ECHR:2008:0513JUD001900904
Zie arrest van 21 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5754
Artikel 557a lid 3 Rv luidt als volgt:Desgevorderd kan de rechter bepalen dat een vonnis, waarbij aan anderen dan aan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht de ontruiming wordt bevolen van een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, tot een jaar na de dag waarop het vonnis wordt uitgesproken dan wel bekrachtigd, of, indien de rechter een termijn bepaalt als bedoeld in het eerste lid, tot een jaar na de dag waarop die datum verstrijkt, ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet.
ECLI:NL:GHARL:2020:5754