Rechtspraak
2025-07-17
ECLI:NL:RBMNE:2025:6003
1,989 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBMNE:2025:6003 text/xml public 2025-11-27T15:10:51 2025-11-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-07-17 UTR 24/8379 T Uitspraak Tussenuitspraak NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:6003 text/html public 2025-11-27T15:06:48 2025-11-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:6003 Rechtbank Midden-Nederland , 17-07-2025 / UTR 24/8379 T Nieuwe aanvraag om bijstand. De rechtbank oordeelt dat het standpunt van het college dat er geen sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden ten opzichte van de eerdere afwijzing onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank doet een tussenuitspraak. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/8379 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. I. van Baaren), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht , het college (gemachtigde: E. Chahid). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de bijstandsaanvraag van 3 januari 2024. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing van het college. 1.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college de afwijzing van de aanvraag voor zover die ziet op de periode van 23 december 2023 tot en met 30 april 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank doet een tussenuitspraak en stelt het college in de gelegenheid om dit gebrek in de besluitvorming te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het verloop van deze procedure 2. Voor wat er aan deze zaak vooraf ging wijst de rechtbank op de uitspraak van heden met zaaknummer UTR 24/6982 onder het kopje ‘Inleiding en verloop van deze procedure’. De rechtbank voegt daar nog het volgende aan toe. 2.1. Op 3 januari 2024 heeft eiser weer een bijstandsaanvraag gedaan en verzocht om bijstand te verlenen met terugwerkende kracht tot 2 september 2023. Met het besluit van 28 juni 2024 heeft het college deze aanvraag afgewezen omdat eiser geen nieuwe redenen heeft gegeven om toch bijstand toe te kennen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2.2. Met het besluit van 21 november 2024 is het college bij zijn besluit van 28 juni 2024 gebleven. Eiser heeft tegen het besluit van 21 november 2024 beroep ingesteld. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 op zitting behandeld tegelijkertijd met het beroep met zaaknummer UTR 24/6982. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Overwegingen van de rechtbank De standpunten van partijen 3. Het college heeft de aanvraag voor zover die ziet op de periode van 2 september 2023 (de door eiser gewenste ingangsdatum) tot en met 22 december 2023 (de datum van de afwijzing van de vorige aanvraag) afgewezen omdat sprake is van een herhaalde aanvraag. Voor deze periode wijst het college de aanvraag of onder verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. 3.1. Voor de periode van 23 december 2023 tot en met 30 april 2024 heeft eiser volgens het college niet aangetoond dat zich ten opzichte van de eerdere afwijzing een zodanige wijziging heeft voorgedaan dat hij nu wel heeft aangetoond dat hij de bijstand nodig heeft. Eiser geeft nog steeds veel minder uit aan levensonderhoud dan het gemiddelde bedrag volgens het Nibud en zijn stelling dat hij wel eens bij anderen mee eet en daarom lage kosten voor levensonderhoud heeft is ook niet nieuw. 4. Eiser voert aan dat er wel sprake is van gewijzigde omstandigheden; het gaat om een nieuwe situatie en een nieuwe periode. Eiser heeft schulden en hij heeft eerder al aangegeven dat hij veel bij familie en vrienden eet omdat hij geen geld overhoudt voor zijn levensonderhoud. Het Nibud geeft slechts richtlijnen en eiser heeft een consistente verklaring gegeven voor zijn leefomstandigheden. Eiser is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om een toelichting te geven. Over de periode van 2 september 2023 tot en met 22 december 2023 5. De rechtbank oordeelt dat het college de aanvraag voor die ziet op deze periode terecht heeft afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid van de Awb omdat eiser over die periode geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Over de periode van 23 december 2023 tot en met 30 april 2024 6. Het college stelt zich over deze periode op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat zich ten opzichte van de eerdere afwijzing een zodanige wijziging heeft voorgedaan dat hij nu wel heeft aangetoond dat hij de bijstand nodig heeft. 7. De rechtbank oordeelt dat het college dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit de door eiser overgelegde bankafschriften over de periode van 15 december 2023 tot en met 21 januari 2024 blijkt immers dat hij in die periode € 5,95 per dag aan levensonderhoud heeft uitgegeven. Het verschil tussen eisers uitgaven en de Nibudrichtlijn is in de loop van de tijd steeds kleiner geworden en bedraagt in deze periode nog ongeveer 30%. Zonder motivering is niet duidelijk waarom het college hierin geen verandering ziet in vergelijking met de voorliggende periode, waarin eiser aanmerkelijk minder aan levensonderhoud besteedde. Verder acht de rechtbank van belang dat uit de door eiser overgelegde bankafschriften blijkt dat eiser op 19 december 2023 de huur voor de maand januari 2024 heeft betaald terwijl dit in de voorafgaande periode niet zo was. De huur werd toen immers door eisers ex-partner en zijn oma betaald. De rechtbank acht dit relevante wijzigingen ten opzichte van de periode daarvoor. Het college heeft ter zitting niet kunnen uitleggen waarom dit niet zo is. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het standpunt van het college dat er geen sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden ten opzichte van de eerdere afwijzing onvoldoende is gemotiveerd. 8. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het motiveringsgebrek te herstellen. In dit verband wijst de rechtbank erop dat het college ter zitting heeft verklaard dat hij in het kader van een – mogelijke – bestuurlijke lus in elk geval de bankafschriften over de periode van 22 januari 2024 tot en met 30 april 2024 bij eiser zal opvragen en beoordelen. 9. Het herstellen van het gebrek kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. 10. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.