Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-11-05
ECLI:NL:RBMNE:2025:5855
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/6012 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen mr. drs. [eiser] , uit [plaats] , eiser en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (gemachtigden: mr. I. Erdogan en mr. J.W. Berg). Samenvatting Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie over documenten die binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ministerie van Binnenlandse Zaken) aanwezig zijn met betrekking tot een klacht die eiser heeft ingediend tegen de heer [A] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen . Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 1. Eiser heeft op 27 juni 2023 een aanvraag ingediend op grond van de Woo. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 november 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 3. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Wat heeft eiser verzocht? 4. Eiser heeft verzocht om alle stukken die binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken aanwezig zijn/berusten of behoren te berusten met betrekking tot de klacht die eiser heeft ingediend tegen de heer [A] van het ministerie van Algemene Zaken. Tot die stukken moeten worden meegerekend whatsappberichten, sms-berichten, e-mails (waaronder alle e-mails tussen mw. [B] en AZ), de gewisselde stukken, agenda-afspraken, telefoonnotities en dergelijke. Wat heeft de minister besloten? 5. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat er geen documenten berusten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken over de ingediende klacht over de heer [A] . Mevrouw [B] heeft haar werkzaamheden in de klachtzaak namelijk uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Algemene Zaken. In het bestreden besluit is de minister bij zijn standpunt gebleven. De minister heeft verder toegelicht dat mevrouw [B] werkzaam is bij Organisatie en Personeel Rijk (O&P Rijk), de nieuwe HR-dienstverlener voor de Rijksoverheid. Het ministerie van Algemene Zaken is verwerkingsverantwoordelijke voor de documenten die door O&P Rijk voor het ministerie van Algemene Zaken worden opgesteld. De afspraken die gemaakt zijn hiervoor, volgen uit de dienstverleningsovereenkomst die tussen O&P Rijk en het ministerie van Algemene Zaken is vastgelegd in de ‘DVA 2022 en 2023 tussen departementen en UBR Personeel van 23 november 2021’. In aanvulling op deze overeenkomst zijn er ‘Verwerkersafspraken’ gemaakt. Daarom berusten de documenten die eiser verzoekt bij het ministerie van Algemene Zaken. Wat voert eiser aan in beroep? 6. Eiser heeft in beroep het volgende – samengevat weergegeven – aangevoerd. Volgens eiser berusten de documenten die hij heeft verzocht wel bij de minister. De minister is verantwoordelijk voor de gevraagde documenten. Dat volgt ook uit twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 februari 2016 en 9 maart 2016. Mevrouw [B] werkt voor O&P Rijk, wat valt onder het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarom moeten de stukken die eiser heeft verzocht berusten bij de minister. Uit de stukken waarnaar de minister verwijst, volgt niets over gezag en verantwoordelijkheid over stukken. Verder heeft eiser verzocht om verschillende personen die werkzaam zijn bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het ministerie van Algemene Zaken als getuige te