Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-11-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:5755
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,022 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4724
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 16 augustus 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 13 oktober 2025 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het Woo-verzoek van eiser.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
3. Eiser heeft op 2 juni 2025, door verweerder ontvangen op 3 juni 2025, een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Bij de brief van 30 juni 2025 heeft verweerder de beslistermijn verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk op 14 juli 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 18 juli 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiser heeft op 16 augustus 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 13 oktober 2025 alsnog een besluit heeft genomen op het verzoek van eiser. Daarmee is het procesbelang bij het beroep omtrent het niet tijdig nemen van een besluit komen te vervallen.
5. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
6. Omdat verweerder te laat was met het nemen van een besluit toen eiser het beroep instelde, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden. Verder zijn er geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking.
Dictum
De rechtbank:
- bepaalt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk voor zover het is gericht op het alsnog nemen van een besluit;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.