Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-14
ECLI:NL:RBMNE:2025:5646
Strafrecht
Proces-verbaal
2,326 tokens
Dictum
inzake
[betrokkene] , te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: [gemachtigde] t.a.v. [A] .
Procesverloop
Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 100,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 24 augustus 2023 om 15:10 uur te Houten (De Slinger) met de tweewielige bromfiets, kenteken [kenteken] . Het gaat om bestuurder of passagier bromfiets draagt geen goedgekeurde/ goed passende/ deugdelijk bevestigde helm.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 30 september 2025 hun zienswijze nader toe te lichten. Betrokkene is niet verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.
Standpunten
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat het volgende aangevoerd:
- de gedraging is door een ander verricht.
- er wordt om een proceskostenvergoeding verzocht.
De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter gedeeltelijk gegrond is gelet op de schending van de redelijke termijn van berechting. Het sanctiebedrag dient daarom gematigd te worden met 25 procent. Voor het overige stelt zij zich op het standpunt dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is.
Beoordeling
Gemachtigde voert tegen de beslissing van verweerder aan dat betrokkene de verweten gedraging betwist. Betrokkene heeft als bestuurder van het voertuig een helm gedragen waardoor hij – anders dan zijn passagier- niet in overtreding zou zijn. De passagier van het voertuig is onbekend gebleven.
De gemachtigde stelt dat de verbalisant in strijd met artikel 5 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) handelt, door aan betrokkene, als kentekenhouder van het voertuig, een sanctie op te leggen. De gemachtigde heeft aangevoerd dat uit de memorie van toelichting van de Wahv volgt dat de wetgever ruimte heeft gelaten voor situaties waarin zaken geseponeerd moeten worden omdat de identiteit van betrokkene niet meer te achterhalen is.
De zittingsvertegenwoordiger heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de kentekenhouder terecht is aangesproken, nu er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond.
Ten aanzien van de gedraging overweegt de kantonrechter het volgende. In het dossier bevindt zich een zaakoverzicht van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) waarin de verklaring van de verbalisant is opgenomen. De verbalisant heeft daarin het volgende verklaard: “Ik zag dat de passagier in het geheel geen helm droeg. (…) Reden geen staandehouding: betrokkenen reed op een bromfiets pad met paaltjes, wij verbalisanten reden in de auto en konden er daardoor niet bijkomen.” Uit dit zaakoverzicht volgt tevens dat geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Gemachtigde heeft dit noch in het beroepschrift, noch ter zitting betwist. Evenmin is betwist dat de passagier geen helm droeg. De kantonrechter stelt op basis van het dossier vast dat de gedraging is verricht.
De kantonrechter ziet zich voor de vraag gesteld of betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk kan worden gehouden voor het niet dragen van een helm door zijn passagier.
De kantonrechter benoemt allereerst dat de helmplicht voor bestuurders en passagiers van bromfietsen is ingevoerd ter voorkoming van (ernstig) hoofdletsel. De mogelijke gevolgen van een ongeval zonder helm zijn immers vele malen ernstiger dan met het dragen van een helm. Zie in dit kader Staatscourant 2022, nummer 16837.
De helmplicht voor bestuurders en passagiers van bromfietsen volgt uit artikel 60 eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv 1990). Dit is strafbaar gesteld in artikel 92 Rvv 1990. Uit artikel 60 Rvv 1990 in samenhang met 92 Rvv 1990 volgt dat de passagier zonder helm als feitelijk overtreder wordt aangemerkt.
Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. In artikel 5 Wahv is vervolgens bepaald dat de kentekenhouder aangesproken kan worden als de identiteit van de bestuurder niet vast te stellen is. Gelet op het doel van deze bepaling en het systeem van deze wet moet de term bestuurder in dit artikel uitgelegd worden als feitelijk overtreder (ECLI:NL:RBAMS:2025:2414). Uit de verklaring van de verbalisant blijkt voldoende dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van deze passagier (de feitelijke overtreder) was. Gelet op het voorgaande mocht de kentekenhouder aangesproken worden. De sanctie is daarmee terecht met inachtneming van artikel 5 Wahv aan de kentekenhouder opgelegd.
Artikel 8 Wahv noemt drie omstandigheden waarin de kentekenhouder zich kan bevrijden van zijn aansprakelijkheid voor een gedraging met een op zijn naam geregistreerd motorrijtuig. Van de genoemde uitzonderingen in art. 8 Wahv is in deze situatie geen sprake.
Anders dan de gemachtigde stelt, ziet de kantonrechter geen aanleiding dat de officier van justitie deze zaak had moeten seponeren De kantonrechter is van oordeel dat de sanctie terecht is opgelegd aan betrokkene als kentekenhouder en verwijst daarbij ook naar de volgende uitspraken ECLNL:RBAMS:2025:2414 en ECLI:NL:RBZWB:2025:1092. Dit hangt samen met het uitganspunt dat de kentekenhouder in beginsel verantwoordelijk is voor hetgeen met zijn motorrijtuig gebeurt, aldus memorie van toelichting bij art. 8 Wahv (Kamerstukken 87/88, 20 329, nr. 3). Gelet op het voorgaande verklaart de kantonrechter het beroep ongegrond.
De kantonrechter stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden. In lijn met vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verbindt de kantonrechter aan deze constatering dat het sanctiebedrag wordt gematigd met 25 procent (ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
Proceskosten
Er bestaat aanleiding voor vergoeding van proceskosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Nu de redelijke termijn van berechting bij het administratief beroep nog niet was verstreken, komen deze kosten niet voor een vergoeding in aanmerking. De kantonrechter verwijst hierbij naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juli 2023, gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2023:6369.
Voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter wordt 1 punt toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,00. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 1 januari 2024 bekend is gemaakt, kent de kantonrechter aan de zaak wegingsfactor 0,25 (licht) toe, conform artikel 13a, tweede lid, onder a Wahv, zodat bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking komt een bedrag van € 226,75 (€ 907,00 x 0,25). De kantonrechter ziet geen aanleiding om een hogere wegingsfactor toe te kennen.
Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.
Dictum
De kantonrechter:
verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie;
stelt het bedrag van de administratieve sanctie op € 75,00;
bepaalt dat de officier van justitie aan betrokkene het te veel betaalde teruggeeft;
veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 226,75.
Deze beslissing is genomen door mr. V.C. Jorna, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
Gastel, H.A. van mr. V.C. Jorna
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.