Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:5587
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,690 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4456-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 op het verzet van
[oppossant] , te [plaats] België, opposant,
Procesverloop
Opposant heeft beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om herbeoordeling (in het kader van de kinderopvangtoeslag).
In de uitspraak van 20 augustus 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft de uitspraak van 20 augustus 2024 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze verzetsprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of haar uitspraak van 20 augustus 2024 in stand kan blijven. Zo ja, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo nee, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.
3. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 augustus 2024 geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat opposant het verschuldigde griffierecht te laat had voldaan. Op
5 juli 2024 heeft de rechtbank een aangetekende brief gestuurd aan de opposant. In die brief stond vermeld dat opposant het griffierecht binnen twee weken nadien moest voldoen. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat het griffierecht op 7 augustus 2024 is ontvangen door de rechtbank. Dit is te laat.
4. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 20 augustus 2024 niet juist.
Opposant betwist namelijk dat hij de aangetekende brief van 5 juli 2024 heeft ontvangen.
Vervolgens heeft opposant aangegeven dat hij zelf contact heeft opgenomen met de rechtbank en heeft aangegeven dat hij geen griffierecht nota heeft ontvangen. De opposant heeft de griffierecht nota per e-mail van de rechtbank ontvangen en heeft vervolgens het griffierecht meteen overgemaakt.
5. De rechtbank is het eens met opposant. De recente problemen omtrent de bezorging van aangetekende post door PostNL, in combinatie met de door opposant gegeven toelichting, zorgen ervoor dat de rechtbank er niet zeker van kan zijn dat de brief van 5 juli 2024 daadwerkelijk is bezorgd.
6. Dit betekent dat opposant gelijk krijgt. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van
20 augustus 2024 vervalt (artikel 8:55, negende lid, van de Awb). Het vervallen van de eerdere uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep (mede gericht tegen het alsnog genomen besluit) zal voortzetten. Opposant krijgt over de verdere behandeling nog bericht.
7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4456-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 op het verzet van
[oppossant] , te [plaats] België, opposant,
Procesverloop
Opposant heeft beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om herbeoordeling (in het kader van de kinderopvangtoeslag).
In de uitspraak van 20 augustus 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft de uitspraak van 20 augustus 2024 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze verzetsprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of haar uitspraak van 20 augustus 2024 in stand kan blijven. Zo ja, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo nee, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.
3. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 augustus 2024 geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat opposant het verschuldigde griffierecht te laat had voldaan. Op
5 juli 2024 heeft de rechtbank een aangetekende brief gestuurd aan de opposant. In die brief stond vermeld dat opposant het griffierecht binnen twee weken nadien moest voldoen. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat het griffierecht op 7 augustus 2024 is ontvangen door de rechtbank. Dit is te laat.
4. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 20 augustus 2024 niet juist.
Opposant betwist namelijk dat hij de aangetekende brief van 5 juli 2024 heeft ontvangen.
Vervolgens heeft opposant aangegeven dat hij zelf contact heeft opgenomen met de rechtbank en heeft aangegeven dat hij geen griffierecht nota heeft ontvangen. De opposant heeft de griffierecht nota per e-mail van de rechtbank ontvangen en heeft vervolgens het griffierecht meteen overgemaakt.
5. De rechtbank is het eens met opposant. De recente problemen omtrent de bezorging van aangetekende post door PostNL, in combinatie met de door opposant gegeven toelichting, zorgen ervoor dat de rechtbank er niet zeker van kan zijn dat de brief van 5 juli 2024 daadwerkelijk is bezorgd.
6. Dit betekent dat opposant gelijk krijgt. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van
20 augustus 2024 vervalt (artikel 8:55, negende lid, van de Awb). Het vervallen van de eerdere uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep (mede gericht tegen het alsnog genomen besluit) zal voortzetten. Opposant krijgt over de verdere behandeling nog bericht.
7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.