Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-23
ECLI:NL:RBMNE:2025:5561
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
949 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5285
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: I.A. Fredison-Janssen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Verzoekster vraagt een voorlopige uitspraak ter voorkoming dat haar WIA-uitkering deels wordt ingevorderd door de belastingdienst en/of de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling
2. Verzoekster heeft in haar verzoek gevraagd om herstel van rechtszekerheid omdat het Uwv pas na vijf jaar heeft besloten aan verzoekster een WIA-uitkering toe te kennen. De WIA-berekening klopt volgens verzoekster niet. Ook heeft verzoekster aangifte van corruptie gedaan bij het OM in Den Haag.
3. De griffier heeft verzoekster op 15 september 2025 een brief gestuurd, waarin staat dat zij binnen een week een kopie moet overleggen van het bezwaarschrift dat zij heeft ingediend bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
4. Verzoekster heeft op 22 september 2025 nogmaals aangegeven dat de toekenning van de WIA-uitkering corruptief is en dat verzoekster door het Uwv wordt opgelicht en financieel uitgebuit. Omdat corruptie strafbaar is, staat deze zaak niet open voor bezwaar. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om rechtsbescherming en schadevergoeding.
5. Vervolgens heeft de griffier verzoekster op 24 september 2025 per e-mail gevraagd of het verzoek is bedoeld als een verzoek om voorlopige voorziening of een verzoek om schadevergoeding.
6. Verzoekster heeft in haar reactie van 24 september 2025 aangegeven dat zij als voorlopige voorziening verzoekt om een opschorting van de terugvordering van de zorg- en huurtoeslag door de belastingdienst.
7. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het besluit van 15 april 2025. In dat besluit heeft het Uwv aan verzoekster een WIA-uitkering toegekend met ingang van 17 april 2023. Tegen dat besluit loopt geen bezwaar- of administratief-beroepsprocedure. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.
Conclusie
8. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.