Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-06
ECLI:NL:RBMNE:2025:551
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
750 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7143
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, het college.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
Omdat het verzoek niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek niet-ontvankelijk is.
Beoordeling
1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2. Verzoeker stelt dat zijn verzoek betrekking heeft op een besluit van het college van 6 november 2024 waarbij geen gevolg is gegeven aan zijn verzoek tot inschrijving in de Basisregistratie personen (Brp). Bij het verzoekschrift is het besluit waarop het verzoek betrekking heeft niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 12 november 2024 verzocht om binnen twee weken dit verzuim te herstellen. De rechtbank heeft verzoeker tevens gevraagd om te onderbouwen welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen.
3. Verzoeker heeft binnen die termijn geen afschrift van het besluit overgelegd. Ook heeft hij niet onderbouwd waarin zijn spoedeisend belang is gelegen.
4. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
Conclusie
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.