Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-22
ECLI:NL:RBMNE:2025:5496
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,426 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11474763 \ UC EXPL 25-45
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] , HANDELENDE ONDER DE NAAM [handelsnaam 1],
woonachtig in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon (voorheen: gemachtigde mr. [A] ),
tegen
[gedaagde] , (MEDE) HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam 2],
woonachtig in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.J.K. de Graaf.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 januari 2025, met producties, - de conclusie van antwoord van 19 april 2025, met producties,
- de e-mail van 2 april 2025, waarin [onderneming] zich onttrekt als gemachtigde van [eiser] , - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 22 september 2025. Daarbij waren [gedaagde] aanwezig met zijn gemachtigde mr. A.J.K. de Graaf. Namens [eiser] was niemand aanwezig, ondanks dat zij op de juiste manier is opgeroepen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiser] eist in deze rechtszaak betaling van het niet betaalde deel van een factuur voor door haar voor [gedaagde] aangevraagde rijexamens. [gedaagde] betwist dat hij nog iets verschuldigd is en heeft dat in de conclusie van antwoord en bij de mondelinge behandeling uitgelegd. [eiser] is niet verschenen bij de mondelinge behandeling en heeft niet op het verweer van [gedaagde] gereageerd. De kantonrechter wijst de vorderingen daarom af.
Beoordeling
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen
3.1.
De factuur van [eiser] vermeldt:
3.2.
[eiser] stelt dat na een gedeeltelijke betaling door [gedaagde] nog € 5.102,40 van deze factuur openstaat en eist betaling van dat bedrag, plus kosten en rente.
Het verweer van [gedaagde] slaagt
3.3.
[gedaagde] stelt dat hij 5 van de 26 op de factuur genoemde spoedexamens B heeft afgenomen en dat hij [eiser] daarvoor € 875,00 heeft betaald. Hij voert ook aan dat hij nooit eerder een factuur heeft ontvangen van [eiser] , dat hij eerder steeds contant € 175,00 voor een B-examen aan [eiser] betaalde, en dat er geen btw verschuldigd is over rijexamens. Verder stelt hij dat hij geen opdracht heeft gegeven voor het inboeken van de andere examens.
3.4.
[eiser] is, hoewel zij daarvoor is uitgenodigd, niet naar de mondelinge behandeling gekomen, en heeft alles wat [gedaagde] aanvoert niet betwist. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat [gedaagde] meer moet betalen dan de € 875,00 waarvan vast staat dat hij die al heeft betaald. Dat betekent dat de kantonrechter de vorderingen van [eiser] moet afwijzen.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
3.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
813,00
Uitvoerbaar bij voorraad
3.6.
De kantonrechter verklaart deze uitspraak wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.