Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:5429
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
978 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4560
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
en
[verweerder] , verweerder
Procesverloop
In het besluit van 21 juli 2025 heeft de [verweerder] besloten over te gaan tot openbaarmaking van verschillende documenten die onder andere betrekking hebben op verzoekster. Dit besluit is genomen naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van een derde. Deze derde heeft meegedeeld niet te zullen deelnemen aan deze voorlopige voorzieningenprocedure.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant verzocht om te bepalen dat openbaarmaking van de documenten die over haar gaan, achterwege zal blijven totdat op bezwaar is beslist.
Meerdere personen/bedrijven hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 juli 2025 en verzocht om een voorlopige voorziening. Bij de rechtbank Midden-Nederland is als eerste een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Daarom is de voorzieningenrechter van deze rechtbank bevoegd om ook het verzoek van verzoekster te behandelen en heeft de rechtbank Oost-Brabant het verzoek aan de rechtbank Midden-Nederland doorgestuurd.
Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat de [verweerder] de volgende gedragslijn hanteert: de openbaarmaking van gegevens van diegenen die op tijd een verzoek om een voorlopige voorziening hebben ingediend, wordt uitgesteld totdat op bezwaar is beslist. Bij een afwijzend besluit op bezwaar zal de [verweerder] een uitgestelde openbaarmaking hanteren van twee weken.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoekster heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 385,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar de indiener niets aan kan doen.
4. De griffier heeft aanvankelijk een griffierechtnota naar een verkeerd adres gestuurd. Dit is hersteld. Op 10 september 2025 heeft de griffier een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoekster binnen twee weken moet betalen. Verzoekster heeft deze nota op 15 september 2025 ontvangen.
5. De griffier heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoekster heeft daarvoor geen geldige reden gegeven.
6. Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld. Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk niet-ontvankelijk.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 8:8, eerste lid, in samenhang met artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8:83 van de Awb.
Artikel 8:82, eerste lid, van de Awb.