Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-08
ECLI:NL:RBMNE:2025:5396
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,518 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5192
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent),
en
de burgemeester van de gemeente Almere
Inleiding
1. Met het besluit van 4 september 2025 heeft de burgemeester gelast de woning van verzoeker aan de [adres] in [plaats] voor de duur van drie maanden te sluiten.
2. Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet
4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
5. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
6. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij hard geraakt zal worden als het sluitingsbevel standhoudt gelet op de situatie van de huizenmarkt. Als bijlage bij zijn verzoek heeft hij een brief van de verhuurder, Ymere, gestuurd, waarin gevraagd wordt aan verzoeker om zijn huur vrijwillig op te zeggen. Verder is volgens verzoeker van belang dat hij onder bewind staat en de bewindvoerder geen inkomsten heeft om verzoeker bij te staan.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van spoedeisend belang. Spoedeisendheid moet blijken uit de omstandigheden van het geval. Het enkele sluiten van de woning maakt niet dat daar sprake van is. Bij het verzoek heeft verzoeker geen omstandigheden aangevoerd waaruit spoedeisendheid blijkt. Ook de brief van Ymere waarin wordt aangekondigd dat verzoeker de huur van zijn woning moet opzeggen is daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft bij brief van 10 september 2025 gevraagd om nader te onderbouwen waarom er sprake is van spoedeisend belang. Hierop is geen antwoord gekomen. Ook vindt de voorzieningenrechter van belang dat pas op de dag dat de woning is gesloten, op 10 september 2025, een voorlopige voorziening is gevraagd, terwijl het besluit al op 4 september 2025 verzonden is. Daarbij is van belang dat de burgemeester telefonisch heeft toegelicht aan de griffier dat verzoeker bij het sluiten van de woning heeft gezegd dat hij bij zijn moeder zou gaan logeren. Verzoeker heeft op dit moment niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat van verzoeker niet gevergd kan worden dat hij de uitspraak op het bezwaar afwacht.
Evident onrechtmatigheid
8. Omdat verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit van de burgemeester evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de burgemeester ingenomen standpunt juist is en of het besluit tijdens de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
9. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
Conclusie
10. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5192
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent),
en
de burgemeester van de gemeente Almere
Inleiding
1. Met het besluit van 4 september 2025 heeft de burgemeester gelast de woning van verzoeker aan de [adres] in [plaats] voor de duur van drie maanden te sluiten.
2. Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet
4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
5. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
6. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij hard geraakt zal worden als het sluitingsbevel standhoudt gelet op de situatie van de huizenmarkt. Als bijlage bij zijn verzoek heeft hij een brief van de verhuurder, Ymere, gestuurd, waarin gevraagd wordt aan verzoeker om zijn huur vrijwillig op te zeggen. Verder is volgens verzoeker van belang dat hij onder bewind staat en de bewindvoerder geen inkomsten heeft om verzoeker bij te staan.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van spoedeisend belang. Spoedeisendheid moet blijken uit de omstandigheden van het geval. Het enkele sluiten van de woning maakt niet dat daar sprake van is. Bij het verzoek heeft verzoeker geen omstandigheden aangevoerd waaruit spoedeisendheid blijkt. Ook de brief van Ymere waarin wordt aangekondigd dat verzoeker de huur van zijn woning moet opzeggen is daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft bij brief van 10 september 2025 gevraagd om nader te onderbouwen waarom er sprake is van spoedeisend belang. Hierop is geen antwoord gekomen. Ook vindt de voorzieningenrechter van belang dat pas op de dag dat de woning is gesloten, op 10 september 2025, een voorlopige voorziening is gevraagd, terwijl het besluit al op 4 september 2025 verzonden is. Daarbij is van belang dat de burgemeester telefonisch heeft toegelicht aan de griffier dat verzoeker bij het sluiten van de woning heeft gezegd dat hij bij zijn moeder zou gaan logeren. Verzoeker heeft op dit moment niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat van verzoeker niet gevergd kan worden dat hij de uitspraak op het bezwaar afwacht.
Evident onrechtmatigheid
8. Omdat verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit van de burgemeester evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de burgemeester ingenomen standpunt juist is en of het besluit tijdens de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
9. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
Conclusie
10. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.